Blog

Blauw haar

Het gekke van het leven is dat we nooit tevreden zijn. Hebben we een bepaalde haarkleur, zijn we er niet blij mee, terwijl anderen een moord zouden doen om zulke kastanjebruine haarlokken te hebben. Als iemand me weer eens complimenteert met mijn haar dan zeg ik: ‘Zullen we een dagje ruilen?’ Het lijkt leuk maar er zitten ook nadelen aan. Het rode gen zorgt voor een blanke huid, in de zon verbrand je snel, je krijgt een tomaatkleurige huid. Nooit loop je rond met een lekker bruin tintje.

Donderbruine krullen

Tijdens mijn studententijd in Kampen zit er een meisje bij mij in het jaar dat altijd haar oorspronkelijk blonde haren verft. Regelmatig loopt ze met een andere haarkleur rond. Ze wil graag ruilen met mijn rode haar. Ik uit mijn wens om eens met donderbruine krullen rond te kunnen lopen. Als we in een samenwerkingsproject zitten voor missiologie, stelt ze voor om mijn haar te gaan verven. De colleges zijn vroeg beëindigd en onderweg naar mijn kamer lopen we langs het Kruidvat om de nodige verfspullen te kopen. We gaan meteen enthousiast aan de slag. Mijn krullen worden donker, zij gaat voor een rode gloed.

Waterstofperoxide

Ik ben eerst aan de beurt. Midden in de kamer zetten we een stoel klaar, een badlaken om de schouders en al snel is er geen weg terug meer. Eerst de waterstofperoxide in mijn haar om het te ontkleuren, want anders pakt de donkere haarkleur niet. Ze is een prof, met beschermende handschoenen aan wrijft ze het stinkende spul met een kwast in mijn haar. En dan is het drie kwartier wachten. Het goedje prikt op mijn hoofdhuid, maar er gebeurt verder weinig. Mijn pigment is blijkbaar zo sterk dat mijn haar nu peentjesoranje is, maar zeker niet witblond.

Nogmaals proberen we met een sterker blondeermengsel, maar het pakt echt niet. Als de vriendin gefrustreerd de donkerbruine kleur probeert aan te brengen en meermaals verzucht: ‘Zoiets heb ik nog nooit meegemaakt!’ wil ook de haarverf niet pakken. Het haar kleurt een tintje roder, maar absoluut niet donkerbruin. Het ziet er eigenlijk niet uit. Ze geeft het op en biedt aan om de rode verf die voor haar bedoeld was, te gebruiken om dat van mij nog enigszins zijn normale kleur terug te geven, Maar ook dat is geen succes. We hebben veel lol, maar het verven is een sof.

Wat heb ik gedaan? De volgende dag ga ik naar de kapper, niet om het bij te laten kleuren, maar voor een crew cut, een militaire look, om het maar zo kort mogelijk te knippen zodat de verkleuring zo min mogelijk opvalt. Continu is de reactie – met name van vrouwen: ‘Wat heb je met je haar gedaan? Zonde, die rode krullen staan je zo goed!’ Ik antwoord dat ik een nieuwe look wil uitproberen, en dat de krullen vanzelf wel weer aangroeien. Het mislukte verven verzwijg ik.

Wat als ik het blauw verf?

Decennia later heb ik een vriendje met lange donkerbruine krullen – wat ik graag zou willen hebben bereikt met die mislukte verfbeurt. Hij heeft plotseling de wens om iets met zijn haar te doen. ‘Wat vind je ervan als ik het blauw ga verven?’

Ik denk: het is jouw haar, maar je bent helemaal geen punktype, je bent veel te netjes, welke rebellie ligt hieraan ten grondslag? Maar zonder mijn bedenkingen te ventileren, bied ik aan om hem te helpen. ‘Ik wil het wel voor je kleuren.’ Hij aarzelt. ‘Wat zullen de mensen ervan zeggen?’

‘We kunnen een proef doen,’ stel ik voor, ‘door eerst te kijken hoe je schaamhaar reageert op het kleuren.’ Ik vertel hem mijn ervaring van jaren terug. Dat lijkt hem een goed idee. Ik geef hem een lijstje met spullen die hij moet halen. De volgende dag komt hij opgewonden mijn appartement binnen. We voltrekken de operatie ‘erotic blue’ in de badkamer. Eerst ga ik zijn beharing bijwerken, het donkerbruine veld dat over de buik naar beneden loopt, verander ik in een subtiele ‘love trail’, een smal streepje vanaf de navel naar de schaamstreek. Met veel toewijding scheer ik zijn lijf. Hij is gevoelig, moet dus wel stil blijven zitten en me vertrouwen.

Operatie erotic blue

De volgende stap is het blonderen. Met die chemische troep een secuur werkje, je wilt niet dat zijn edele delen geïrriteerd raken. Een half uur later zit hij met spierwit lichaamshaar voor me. Bij hem pakt het dus wel. Het is even wennen, want het lijkt alsof er een oude man tegenover me zit met een jonge huid. Dan is het tijd voor de blauwe coupe. Ook dat is geen probleem. Met de kwast verf ik z’n schaamharen blauw, masseer het goed in en laat het een uurtje inwerken. Daarna spoel ik hem zorgvuldig af. Er ligt een helderblauwe gloed over borst, buik en ballen. Hij is helemaal in zijn nopjes. Het is wel erg erotiserend moet ik toegeven. We worden er twee ondeugende jongens van.

Bekeken

Lang kan ik niet van zijn nieuwe ‘underlook’ genieten, want ik moet voor mijn werk drie weken naar Indonesië. Hij woont zolang in mijn appartement om de kat te verzorgen en gezelschap te houden – al hebben die twee niet echt een goede relatie met elkaar.

Drie weken later ben ik benieuwd of hij de rest van zijn haar ook blauw heeft laten verven, maar dat is niet het geval. Wel is de schaamzone alweer een beetje donker verkleurd. Het blijkt dat hij zich in zijn blauwe periode wel bijzonder heeft vermaakt. Een goede vriend bekent later wat er is gebeurd. ‘Jouw maatje heeft tegen mij gezegd dat jij hem voor je vertrek flink onder handen hebt genomen en vroeg of ik het wilde zien? Ik had geen flauw idee wat hij bedoelde. Hij nam me mee naar de badkamer en deed zijn broek naar beneden…’

Ik schud mijn hoofd, waarom verbaast me dat niet. Hoeveel mannen heeft hij een sneakpreview gegeven van zijn blauwe schaamhaar? Hij is zo’n type dat een man een blow job geeft, als hij in return een dagje in zijn snelle bolide mag rijden.

 

Hoog in de lucht

Bijna geruisloos, drijven ze voorbij mijn raam – drie luchtballonnen, loom en sierlijk, alsof ze geen haast hebben. Niet binnen handbereik, maar dichtbij genoeg om even stil van te worden. Kleurrijke kolossen, barok versierd, met namen van merken die schreeuwen om aandacht. Of soms een dier, speels en absurd tegelijk, zwevend boven de woonwijk.

Pure magie

Voor veel mensen is het pure magie. Voor mij… niet. Begrijp me niet verkeerd: ik snap de aantrekkingskracht. Het idee van stilte, van zweven, van de wereld onder je zien verdwijnen in miniatuur. Maar waar anderen vrijheid zien, zie ik vooral afhankelijkheid. Van temperatuur. Van wind. Van timing. Van geluk, misschien nog wel het meest.

Want een ballon vaart niet echt. Hij ondergaat. Dat maakt het meteen ook zo kwetsbaar. Je kiest niet waar je heen gaat, hooguit wanneer je opstijgt. En zelfs dat is al een gok. Te warm, en je komt niet los. Te onrustig, en je bent overgeleverd aan een lucht die er plotseling heel andere plannen op na kan houden. Het zijn die kleine onzekerheden die zich opstapelen tot één grote vraag: waarom zou je dat willen?Misschien komt het ook door waar ik vandaan kom.

Boven het weiland

Mijn vader ziet als boer in een luchtballon geen avontuur, maar een verstoring. Voor hem betekent zo’n ding aan de horizon meestal gedoe. Onrust bij het vee. Koeien die schrikken van het gesis van de brander, van de plotselinge vlam die de avondlucht opensnijdt. Dieren die uitbreken, hekken die sneuvelen, werk dat zich vermenigvuldigt zonder dat iemand erom gevraagd heeft.

En dan is er die ene avond. Alles klopt. Het licht, de rust, het ritme van een werkdag zoals er zovelen zijn geweest. Mijn ouders die de koeien in het weiland melken, het gele melkhuisje als vertrouwd middelpunt. Je zou er een ansichtkaart van kunnen maken.

Tot iemand besluit dat het van bovenaf nóg mooier is. De luchtballon hangt laag. Veel te laag. En precies op het moment dat de passagiers hun perfecte uitzicht krijgen, gaat de gasbrander open. Wat voor hen een hoogtepunt is, wordt beneden het startschot voor complete chaos. De koeien zijn bang, slaan op hol, met alles wat aan ze vastzat. Totale paniek. Geen gewonden, gelukkig. Maar wel schade. En vooral: woede. Zeldzaam bij mijn vader, en juist daarom zo veelzeggend.

Cadeau

Sindsdien kijk ik anders naar die dingen in de lucht.  Maar alsof dat nog niet genoeg is, krijgt de lokale omroep waar ik werk een ballonvaart cadeau. Een kans om mooie beelden te maken, de drie dorpen van bovenaf gezien in het zachte avondlicht.

Totdat je weer naar beneden moet. De landing begint netjes. Te netjes misschien. Alsof de natuur even meewerkt om daarna alsnog haar punt te maken. Een windvlaag, uit het niets, krijgt vat op de luchtballon. Wat een zachte aankomst had moeten zijn, verandert in een ongecontroleerde glijpartij. De mand sleurt over de grond, kantelt, mensen verliezen hun evenwicht. En de camera – onze gloednieuwe studiocamera – wordt meegesleurd, tientallen meters door het veld. Niemand gewond. Dat is het belangrijkste. Maar de camera total loss.

Dus als ze weer langsdrijven, zoals gisteravond, kijk ik ernaar. Even. Ik volg ze tot ze kleiner worden, tot ze oplossen in de lucht. En ik denk: mooi is het zeker. Maar geef mij de grond maar.

 

Boekenclub

Boekenclubs, bestaan die eigenlijk nog? En dan bedoel ik niet een groep mensen die samen een boek leest en bespreekt, maar zo’n organisatie waarvan je lid bent en waarbij je ieder kwartaal verplicht minimaal één boek afneemt. In de jaren zeventig en tachtig is dat heel gewoon. Je krijgt een glimmende catalogus thuisgestuurd, maakt je keuze en een paar dagen later ligt het boek op de mat.

Boekenplank

Als ik in augustus 1980 op kamers ga in Kampen, word ik lid van de ECI. Ik ben altijd al een boekengek geweest, maar de boekenplank uit mijn kinderkamer op de boerderij laat ik achter. Een eenvoudige plank, gemaakt door leerlingen van de technische school in Bovensmilde, gevuld met De Kameleon, Pietje Bell en Inspecteur Arglistig. En natuurlijk de boekjes die je met Kerst in de kerk kreeg en die mijn moeder dan voorlas. Zo ontdek ik als kind dat de Tweede Wereldoorlog zich niet alleen in Europa afspeelde, maar ook in Azië, waar de Japanners Nederlands-Indië zijn binnengevallen.

Drie gratis boeken

Wie lid wordt van de ECI mag een paar boeken gratis uitzoeken. Ik herinner me er nog drie. Het dikke rode Kookboek van Wannée – onmisbaar als je ineens zelf moet koken en niet telkens op de recepten van je moeder wilt terugvallen. Verzameld werk van Franz Kafka, bepaald geen lichte kost. En Alle verhalen van Maarten ’t Hart. Forse boeken, die naast de Biblia Hebraica en mijn Griekse en Latijnse woordenboeken komen staan op de bovenste plank van de eerste stellingkast die ik aanschaf. De eerste van vele stellingen die in de jaren erna volgen.

Elk kwartaal valt de nieuwe catalogus op de mat. Als lid krijg je korting, maar je moet niet vergeten op tijd een keuze door te geven. Anders stuurt de ECI automatisch het zogeheten kroonboek op. Meestal niet bepaald een titel waar je zelf warm voor loopt. Zo krijg ik ooit Mandingo van Kyle Onstott in huis, een roman over het leven op een slavenplantage in Alabama. Niet mijn eerste keus, maar achteraf toch een boek waar ik iets van opsteek.

Hardcovers

Het aanbod is enorm, al bestaat een groot deel uit wat je tegenwoordig bij BoekenVoordeel zou verwachten. Wie op zoek is naar literaire romans heeft minder te kiezen. De boeken in de rubriek ‘Romans’ halen zelden de literaire bijlagen van de krant. Wel zijn het prachtige hardcovers met glanzende omslagen: een aantrekkelijke vrouw voor een brandende boerderij, een verliefd stel leunend tegen een rode sportwagen of een jonkvrouw op een middeleeuws hemelbed, terwijl een gladgeschoren ridder voor haar knielt.

Van de aanschaf van mijn ECI-boek maak ik vaak een uitje. Op de fiets of met de trein naar hun boekwinkel in Zwolle. Dat scheelt verzendkosten, houd ik mezelf voor. Al is dat natuurlijk een drogreden, want een treinkaartje kost meer dan de porto. Maar het gaat ook helemaal niet om de besparing. Het is een goede aanleiding om tussen de boeken rond te dwalen en meestal met meer boeken thuis te komen dan ik van plan was.

Jarenlang vul ik zo mijn boekenkasten. Tot ik op een dag besluit dat het mooi is geweest. Ik zeg mijn lidmaatschap op; de plaatselijke boekhandel biedt meer keuze en ik wil niet langer ieder kwartaal aan die verplichte aankoop vastzitten.

Verdwenen

En hoe zit het nu met de ECI? Die bestaat niet meer. Op het hoogtepunt telt de boekenclub meer dan een miljoen leden. Maar met de komst van internet verandert de boekenwereld ingrijpend. Webwinkels als Bol.com en Amazon nemen een steeds groter deel van de markt over. Na verschillende overnames blijft uiteindelijk BookSpot over, tegenwoordig onderdeel van Bruna. Het idee van een boekenclub, met een verplichte aankoop en een papieren catalogus, verdwijnt daarmee geruisloos.

Toch denk ik er met enige weemoed aan terug. Niet omdat het systeem zo ideaal is, maar omdat elke nieuwe catalogus de belofte in zich draagt van een volgend boek. En voor een boekenliefhebber is dat misschien wel het mooiste vooruitzicht dat er bestaat.

 

 

Kurkdroog

De geur van droog stof, verschroeid gras en gesmolten asfalt. De extreme droogte en hitte van deze zomer brengt me terug naar 1976. Die zomer was namelijk de droogste van de vorige eeuw. Voor mens en natuur een zware beproeving.

Regen lijkt maandenlang van de aardbodem verdwenen. In Drenthe valt tussen maart en eind augustus slechts 54 procent van de normale hoeveelheid neerslag. Omdat grote delen van Europa met dezelfde droogte kampen, voeren ook de Rijn en de Maas veel minder water aan. De grond verandert langzaam in een dorre, gebarsten vlakte. Alles is kurkdroog.

Hittegolf

En alsof dat nog niet genoeg is, krijgt Nederland ook te maken met een uitzonderlijke hittegolf. Vanaf eind juni loopt de temperatuur zeventien dagen achter elkaar op tot zomerse waarden, waarvan tien dagen boven de dertig graden. Op de akkers liggen de voederbieten slap tegen de grond. De maïs wil nauwelijks groeien en blijft de helft kleiner dan normaal. Graslanden kleuren van frisgroen naar geelbruin. Beregeningsinstallaties, die tegenwoordig op grote schaal worden ingezet, zijn nog een zeldzaamheid. Gewassen verpieteren en sommige percelen doen eerder denken aan een stoffige savanne dan aan vruchtbare landbouwgrond.

Zorgen om het vee

Niet alleen de mensen hebben last van de hitte, ook het vee lijdt onder de droogte. Mijn vader maakt zich grote zorgen. Dagelijks rijdt hij met melkbussen vol water naar zijn koeien. Normaal drinken ze met een pomp uit de sloot, maar de waterstand is zo laag dat er geen water meer in staat. Volgens mij is dit het jaar waarin hij besluit op verschillende plekken diepe waterputten te laten slaan. De zomer daarvoor is immers ook al uitzonderlijk warm geweest.

Het gras heeft nauwelijks nog voedingswaarde. Met tegenzin moet hij al vroeg zijn wintervoorraad hooi aanspreken om de koeien bij te voeren. Soms breken de dieren zelfs uit hun weiland, om te zien of het gras bij de buren groener is. Ik vermoed dat mijn vader zijn dagelijkse tafelgebed die zomer meer dan eens aanvult met een extra verzoek: of het alsjeblieft snel mag gaan regenen.

In de natuur eist de droogte ook zijn tol. Er woeden verschillende bos- en natuurbranden. Op een middag zijn er rookwolken te zien boven het Fochteloërveen, vlakbij waar we wonen. Een paar hectares bos en hei gaan verloren.

Hooischudden

Zelf kan ik slecht tegen de hitte. Tijdens werkzaamheden op het land – hooischudden – loop ik een flinke zonnesteek op. Ondanks zonnebrandcrème met factor vijftig en het werk zoveel mogelijk naar de namiddag verplaatsen, verbrand ik ernstig. Dagenlang ben ik er goed ziek van.

Ook binnenshuis is de warmte nauwelijks te verdragen. Mijn moeder houdt overdag alle gordijnen gesloten en hangt lakens voor de ramen om de zon buiten te houden. Zodra de avond valt, gaan deuren en ramen tegen elkaar open in de hoop een zuchtje wind binnen te laten. Dat lukt soms, maar het geeft ook de muggen vrij spel. De enige plek waar het nog enigszins koel blijft, is de grote kelder onder het woonhuis van de boerderij. Maar ja daar ga je niet de hele dag zitten.

Drinkwaterbedrijven spreken van een ongekende vraag naar drinkwater. Hoewel zij verzekeren dat de voorraden niet direct in gevaar zijn, roepen ze mensen wel op zuinig met water om te springen. Frisdrank en bier zijn nauwelijks aan te slepen. Flessen verdwijnen net zo snel uit de winkels als ze worden aangevoerd.

Verkoeling in de zandafgraving

Verkoeling zoek ik door te zwemmen in de zandafgraving bij ons op de wijk. Een buurman heeft een gedeelte afgezet waar je nog kunt staan. Voor de durfals en goede zwemmers ligt daarachter het diepe water. Er is zelfs een eenvoudige duikplank gebouwd. Op warme dagen lijkt het wel alsof het hele dorp daar samenkomt. Terwijl ik op het land het hooi schud, hoor ik boven het geratel van de machine het gelach, geschreeuw en gespetter van de zwemmers.

Wanneer regen?

Maar naarmate de zomer voortduurt, slaat het plezier langzaam om in vermoeidheid. De hitte houdt maar niet op. Iedereen stelt dezelfde vraag: wanneer gaat het eindelijk regenen? Wanneer kunnen we weer eens een nacht doorslapen zonder aan de lakens vast te plakken?

Pas eind augustus komt de langverwachte omslag. De temperatuur zakt en eindelijk vallen de eerste regenbuien. De geur van natte aarde is bijna onwerkelijk na maanden van droogte.

Zadelpijn

Ik heb me voorgenomen om zo veel mogelijk de fiets te gebruiken. Goed voor de conditie én, met de huidige benzineprijzen, een stuk vriendelijker voor de portemonnee.

Er is alleen één probleem: mijn zadel. Al een hele tijd geleden is een van de twee veren afgebroken. Je kúnt er nog wel op fietsen, maar comfortabel is anders. Het zadel hangt scheef, piept bij iedere hobbel en de punt steekt net iets te enthousiast omhoog. Vooral mijn schaamstreek laat me onderweg regelmatig weten dat dit niet fijn fietsen is. Toch stel ik het bezoek aan de fietsenmaker steeds uit.

Genoeg geweest

Na een avondje filmtheater besluit ik onderweg naar huis: nú is het genoeg geweest. Morgen ga ik eindelijk een nieuw zadel kopen. Je hoeft jezelf niet altijd alles te ontzeggen; een beetje comfort mag is ook wat waard.

De volgende dag ben ik druk met van alles en nog wat. Pas als ik ’s avonds opnieuw op de fiets stap en het zadel weer protesterend onder me kraakt, herinner ik me mijn goede voornemen. Morgen. Echt. Die ochtend houd ik woord. Meteen na het ontbijt en het krantje ga ik naar de fietsenmaker. Niet dat ik er vaak kom, maar hij zit op loopafstand. Handig als de fiets ooit moet blijven staan.

Is de winkel wel open?

Onderweg schiet me ineens te binnen dat ik misschien eerst even had moeten kijken hoe laat de winkel opengaat. Te laat. Ik ben er al bijna. De winkel oogt verlaten. Alleen achter in de werkplaats brandt licht. Door het raam zie ik een silhouet bewegen. Op de deur lees ik: geopend vanaf 09.30 uur.

Tien minuten te vroeg. Even overweeg ik alvast boodschappen te doen bij de Hoogvliet, maar uiteindelijk installeer ik me in het bushokje tegenover de winkel en check mijn mail. Om 09.31 uur komt een wit busje van Fietsvoordeel.nl het terrein op rijden. Tijd. Drie mannen in korte broek en bedrijfsshirt zijn druk bezig de nieuwe fietsen buiten te zetten. Ik groet vriendelijk en wacht geduldig tot ze klaar zijn met hun ochtendritueel.

Nieuw zadel

Dan richt een tanige man met een open gezicht zich tot mij. ‘Wat kan ik voor u doen?’ ‘Mijn zadel is overleden,’ zeg ik. ‘Een veer is gebroken. Ik zoek een nieuwe. En als u hem meteen wilt monteren, heel graag.’ ‘Wat voor zadel zoekt u?’ ‘Geen idee. Misschien is het makkelijker als ik de fiets laat zien.’

We lopen naar buiten. ‘Is het dan zo’n bijzondere fiets?’ ‘Nee hoor, gewoon een oude stadsfiets.’ Maar zodra hij hem ziet, verandert zijn blik. ‘Zo… dat is een oudje.’ Hij zegt het niet spottend, maar bewonderend. Zijn ogen beginnen te glimmen. ‘En hij ziet er nog prachtig uit.’ Dat hoor ik natuurlijk graag.

Hij hurkt neer en bekijkt het zadel aandachtig. ‘Kijk eens aan… dit is een bijzonder model. Toevallig hebben we deze week nóg zo’n oud zadel vervangen. Die veren kun je tegenwoordig niet meer repareren; daar hebben we het gereedschap niet eens meer voor. Je zou het binnenwerk van dat andere zadel mogen hebben.’ ‘Dat is vriendelijk, maar met mijn twee linkerhanden wordt dat gegarandeerd geen succes.’

Binnen laat hij me verschillende zadels zien. ‘Deze zou mooi passen. Moderne zadels zijn anders gevormd, maar deze staat denk ik prima op zo’n vintage fiets.’ Hij houdt een slank zwart zadel omhoog. ‘Doen.’

Bijzonder model

Terwijl hij de fiets in de werkplaats zet, roept hij enthousiast naar zijn collega’s. ‘Moet je deze eens zien! Die is zeker veertig jaar oud.’ ‘Dat zou best kunnen,’ zeg ik. ‘Hij stond jarenlang in de garage van mijn ouders. Iedere keer als ik daar was, gebruikte ik hem.’

Het oude zadel gaat eraf. Binnenin blijkt een ingenieus systeem van veren en staal verborgen te zitten. Op dat moment komt een collega aanlopen met het zadel waar hij het eerder over had. De bekleding is verdwenen, maar het binnenwerk is exact hetzelfde. ‘Toeval bestaat toch,’ zegt hij lachend. ‘Twee van deze zadels in één week.’

Voordat het nieuwe zadel erop gaat, pakt hij nog snel een onderdeel. ‘O, wacht even… nog een strop.’ Dat klinkt eerder als iets uit een western dan uit een fietsenzaak. Hij ziet mijn vragende blik. ‘Een zadelstrop. Daarmee klem je het zadel vast aan de zadelpen.’ Weer wat geleerd.

In een paar minuten zit alles perfect op zijn plek. ‘Kijk,’ zegt hij tevreden. ‘In één keer recht.’ ‘En dat zo vroeg op de ochtend.’ Hij schiet in de lach.

Dynamo

Nu ik er toch ben, waag ik nog een vraag. ‘Mijn dynamo doet het eigenlijk prima, maar hij slipt steeds. Vroeger had je van die rubber dopjes waardoor hij beter grip kreeg op de band.’ Hij begint instemmend te hummen. ‘Jazeker… die ken ik nog.’ Zijn jonge collega kijkt nieuwsgierig op.

‘Dat waren van die rubber kapjes die je over de dynamo schoof.’ De verkoper trekt een paar laden open, maar vindt niets. Daarna zoekt hij op de computer. ‘Ze zijn nog gewoon te bestellen… alleen…’ Hij draait het scherm mijn kant op. ‘Ze worden verkocht per twintig stuks.’ Hij grinnikt. ‘En eerlijk gezegd verwacht ik niet dat we de andere negentien ooit nog kwijtraken. Ik zou gewoon eens bij een paar andere fietsenmakers vragen. Grote kans dat er ergens nog eentje in een stoffig laatje ligt.’

Dat klinkt als een uitstekend advies.

Ondertussen blijft de jonge monteur mijn fiets bewonderen. Hij laat zijn hand over het frame glijden. ‘Mooi hoe ze vroeger die rand in het staal maakten. En die handvatten… dat moet heerlijk fietsen.’ Ik vermoed dat mijn oude fiets nog wel even onderwerp van gesprek blijft zodra ik vertrokken ben.

Rekening

Bij het afrekenen valt de rekening me alles mee. ‘Zadel… stroppie,’ mompelt de verkoper terwijl hij de bon maakt. ‘Klinkt niet vriendelijk, maar zo heet het nou eenmaal.’ Hij rekent geen montagekosten. ‘Dertig euro.’

Voor dat bedrag heb ik in één klap afscheid genomen van maandenlang ongemak. Ik wens de mannen een fijne werkdag, stap op en fiets naar huis. Wat een verschil. Geen gepiep. Geen doorzakken. Geen opstandig zadel dat me onderweg probeert te mishandelen. Soms vraag je je af waarom je iets zo lang uitstelt. Dit had ik maanden eerder moeten doen.

WorldPride: op de barricade

Ik ben niet iemand van de barricaden. Je zult mij niet snel zien meelopen in een protestmars. Een petitie ondertekenen? Prima. Maar demonstreren of staken? Dat is nooit echt mijn stijl geweest. Misschien heeft dat iets te maken met mijn gereformeerde achtergrond. Of misschien zit het gewoon niet in mijn karakter. Terwijl het doel van een actie natuurlijk heel terecht kan zijn.

Studentenprotest

Tijdens mijn studententijd in de jaren tachtig zijn er in Kampen protesten voor meer inspraak en onderwijsvernieuwing. Colleges worden geboycot en actiecomités opgericht. De bezetting van het Maagdenhuis ligt al jaren achter ons, maar als theologiestudenten lijken we die revolutie alsnog een beetje in te halen. Ik kijk er vooral naar vanaf de zijlijn.

Dat is eigenlijk nooit veranderd. Ook tijdens Roze Zaterdag zul je mij niet snel uitbundig verkleed zien meelopen. Zelfs niet nu er elk jaar een PrideWalk door het Gooi trekt. Op zaterdagmiddag loopt de stoet door de winkelstraat. Vrienden van mij lopen mee, maar ik duik dan eerder even een winkel binnen.

En toch…

Viering en protest

De komende twee weken staat Amsterdam in het teken van WorldPride. Het thema is Unity: eenheid, liefde, verbondenheid en tolerantie (WorldPride Amsterdam 2026 | Pride Amsterdam). Er zijn kleurrijke optochten, kunstprojecten, ontmoetingen en gesprekken over vrijheid, gelijkwaardigheid en mensenrechten. Het is een feest, maar ook een moment van bezinning. Een herinnering aan de strijd tegen uitsluiting en discriminatie – en aan de strijd die nog altijd niet voorbij is.

Dat brengt me terug naar de Gay Games van 1998. In die weken voelt Amsterdam anders. Alsof homoseksualiteit niet de uitzondering was, maar heel even de norm. Alsof de stad ademt: je hoort erbij. Helaas beleef ik die periode met een gebroken hart; mijn relatie is net stukgelopen. Daardoor geniet ik minder van het evenement dan ik zou willen. Toch is de sfeer me altijd bijgebleven: warm, open en solidair. Ik hoop dat WorldPride diezelfde energie opnieuw laat voelen.

WorldPride is bovendien veel meer dan een evenement voor de queergemeenschap. Ook familieleden, vrienden, bondgenoten en nieuwsgierige voorbijgangers zijn welkom. Juist daarin schuilt de kracht: mensen die elkaar ontmoeten, verschillen niet wegpoetsen maar omarmen, en samen bouwen aan een samenleving waarin respect belangrijker is dan angst.

Gidsland

Nederland zag zichzelf jarenlang als gidsland op het gebied van homorechten. Maar die voorsprong is niet meer zo vanzelfsprekend. Steden als Berlijn en Barcelona hebben ons op sommige terreinen ingehaald. Dit jaar vieren we bovendien 25 jaar huwelijksgelijkheid. Misschien zijn we daardoor iets te comfortabel geworden. Alsof de strijd gestreden is.

Maar zo voelt het niet. Ik weet eerlijk gezegd niet of ik met een eventuele partner overal onbekommerd hand in hand over straat zou lopen. Dat zegt iets. Naar mijn gevoel is Nederland de afgelopen jaren minder tolerant geworden. Juist daarom blijft Pride meer dan een feest. Het is ook een protest. Een herinnering dat rechten die ooit zijn bevochten, ook weer onder druk kunnen komen te staan.

Over de grens

Wie over de grens kijkt, ziet hoe kwetsbaar die rechten zijn. In verschillende Afrikaanse landen zijn anti-homowetten de afgelopen jaren aangescherpt. In Ghana dreigen gevangenisstraffen voor mensen die openlijk lhbti’er zijn of zich als bondgenoot uitspreken. Er zijn zelfs voorstellen geweest die burgers verplichten om vermeende overtredingen te melden bij de autoriteiten.

En Ghana staat niet alleen. In meer dan dertig Afrikaanse landen is homoseksualiteit strafbaar. Wereldwijd zijn er nog altijd tientallen landen waar homoseksualiteit wordt gecriminaliseerd, en in sommige landen kan daar zelfs de doodstraf op staan.

Voorstanders van zulke wetten beroepen zich vaak op traditionele familiewaarden en culturele identiteit. Opvallend genoeg ontvangen sommige van deze bewegingen financiële en ideologische steun van conservatieve religieuze organisaties uit het Westen – ook uit Nederland.

Veilig jezelf kunnen zijn

Dat maakt voor mij duidelijk waarom WorldPride nodig is. Niet alleen om te vieren hoe ver we gekomen zijn, maar vooral om zichtbaar te blijven. Om solidair te zijn met mensen die nergens veilig zichzelf kunnen zijn. Om te laten zien dat verschillen geen bedreiging vormen, maar onderdeel zijn van een vrije samenleving.

Misschien ben ik nog steeds niet iemand die vanzelf op de barricaden klimt. Maar soms zijn er momenten waarop zelfs een toeschouwer beseft dat langs de kant blijven staan geen optie meer is.

 

Overhemdcrush

Iedere keer als ik het kledingstuk in de blauwe bak zie liggen, denk ik aan je. De eerste keer dat ik het overhemd opmerk, blijf ik abrupt staan. Alsof iemand even aan de tijd trekt. Een flits, recht terug naar toen. Dit shirt – precies in deze kleurcombinatie – heb ik in geen vijf decennia meer gezien. En toch herken ik het meteen. Het dessin staat in mijn geheugen gegrift. Vooral dat ene, smalle gele streepje.

Ruw katoen. Blokken in blauw, donkergroen en wit. Lange mouwen, twee borstzakken, een knoopsluiting. Een werkoverhemd, eigenlijk. Niets bijzonders. behalve dat jij het draagt. Hoe vaak heb ik je er niet in zien lopen. Of beter gezegd: hoe vaak heb ik je niet stiekem bekeken.

Fotograaf

Je draagt het op de dag dat de fotograaf naar school komt. Die foto – van jouw klasgenoot, de jongen die in de krant staat vanwege de Vietnamese bootvluchtelingen – wordt voor mij iets heel anders. Want jij staat erop. Op de achtergrond, een beetje schuin, maar onmiskenbaar jij. In dat overhemd.

Ik heb het artikel zorgvuldig uitgeknipt. Bewaard. Verstopt bijna. Eindelijk heb ik iets van je dat blijft. Als het goed is, ligt het nog ergens. Vergeeld misschien, maar nog steeds met dezelfde lading. Dat zegt genoeg.

Spanning

Als ik nu met mijn vingers over de stof strijk, terwijl ik de overhemden in de bak tel, gebeurt er iets. Een glimlach sluipt over mijn gezicht. En ergens, diep vanbinnen, gloeit iets dat ik nooit helemaal ben kwijtgeraakt.

Dat gele streepje… het trekt nog steeds mijn aandacht. Eigenlijk is het geen mooie combinatie. Ik zou het zelf nooit kiezen. Maar omdat jij het draagt, is het onweerstaanbaar. Draag je het met tegenzin? Heeft je moeder het voor je gekocht, zonder dat je er iets over te zeggen hebt? Misschien. Maar op jouw lijf krijgt het iets magisch. Iets verleidelijks.

Je draagt een S’je. De strakke jeans eronder zit je als gegoten. Ik durf nauwelijks te kijken en tegelijkertijd kan ik het niet laten. Je bewegingen hebben iets vanzelfsprekends, iets lichts waardoor mijn blik steeds blijft hangen. De lijnen van je lichaam, de spanning onder de stof… het is nieuw voor me. Intens. Verwarrend. Opwindend. Ik ben hopeloos verliefd.

Op de fiets

We fietsen elke dag dezelfde route. Langs de Drentse Hoofdvaart, in een groep die groeit en weer uitdunt. Vaak rij ik net achter je. Dicht genoeg om alles te zien, ver genoeg om niets te hoeven zeggen.

Bij mooi weer draag je het overhemd open, met een T-shirt eronder. Het katoen beweegt met je mee, strijkt langs je lichaam bij elke trap die je maakt. Mijn blik volgt, bijna automatisch. Alsof ik geen keuze heb.

Soms rijden we naast elkaar. Zeldzaam. Bijna toevallig. Eén keer – ik weet het nog –kijk je me aan. ‘Doe het nou,’ zeg je. Of heb ik dat alleen maar gedacht? Wat moet ik zeggen? Dat ik je meer dan leuk vind? Dat ik je wil aanraken, dichtbij je wil zijn, wil voelen of je echt zo warm en zacht bent als ik me voorstel?

Ik zeg niets.

Verdwenen

En dan, ineens, ben je weg. Een andere school. Een andere route. Alsof je nooit echt hebt bestaan – alleen even langs mijn leven bent gefladderd.

Toch zie ik je nog af en toe. Op een schuurfeestje bij mij thuis. Of later, zakelijk bijna, als je melkmonsters komt nemen. Maar elke keer gebeurt hetzelfde: ik raak mijn woorden kwijt. Mijn rust. Mijn zinnen.

En nu lig je hier weer. Of iets van je. In de vorm van een overhemd. Het ligt nu al een tijdje in de bak. Te uitgesproken, blijkbaar. Niet populair. Bijna zielig. Alsof niemand ziet wat ik zie. Misschien wordt het straks afgeprijsd. Verplaatst. Uiteindelijk weggestuurd met een outlet.

En toch… iedere keer als ik het aanraak, is het alsof jij heel even terugkomt.

Bliksem, donder en hagelstenen

Tijdens mijn jeugd, diep in de nacht. In de verte hoor je het onweer donderen. Even later bereikt het onze boerderij. Door het donkere slaapkamerraam zie ik hoe de bliksem de hemel opensplijt. De donder is machtig. Mijn moeder roept dat we naar beneden moeten komen. We zitten met z’n vieren rond de keukentafel, ik heb mijn pyjama nog aan. Op de tafel staat een geldkist, meen ik, met daarin de verzekeringspapieren. Bij een heftige onweersbui is dit een vaste gewoonte.

Rond de keukentafel

Een nieuwe felle schicht doet iedereen aan tafel opschrikken. We tellen hoelang het duurt voordat de donder klinkt. Elke seconde staat voor driehonderd meter afstand. We komen tot vijf. ‘Misschien beter om wat kleren aan te doen en schoenen,’ adviseert mijn vader. Ik pak een broek en T-shirt en veter mijn schoenen. Onze jassen hangen klaar aan de kapstok, zo kunnen we ze meteen pakken en naar buiten rennen als de bliksem inslaat.

Opnieuw zet een bliksemschicht alles buiten in het licht. Drie tellen later volgt de donder. Het onweer komt steeds dichterbij.

Soms zitten we zo best lang aan die tafel. Het onweer lijkt dan boven de boerderij te blijven hangen. Mijn vader zegt dat de onweersbui tegen het Fochteloërveen aanhikt en niet over de hoge bomen heen kan komen.

Een fel licht en meteen een helse knal. Oei, die is dichtbij. Een rilling gaat over mijn rug. Ik zit het liefst zo ver mogelijk van het raam vandaan. Buiten dendert een donderorkest. Het huis van de buren baadt in een zee van elektrische ontladingen. Ik hoop dat het snel voorbij is.

Bevrijdende regen

Eindelijk begint het te regenen. Steeds harder. ‘Het teken dat we het ergste onweer gehad hebben,’ zegt mijn vader geruststellend. De stortregen valt loodrecht en in dikke, zware druppels. Mijn vader gaat voor het raam staan en kijkt hoe het water uit de dakgoot klettert, het tegelpad overspoelt en de sloot voor de boerderij vult. ‘Dat wordt morgen niet op het land werken, alles is kletsnat,’ constateert hij droog.

Opstaan voor het onweer is echt iets uit mijn jeugd. Alleenstaande boerderijen zijn in het vlakke land natuurlijk het hoogste punt en trekken de bliksem aan. Net als hoge bomen, daarom moet je bij een onweersbui ook nooit onder een boom gaan schuilen, heb ik geleerd.

We kennen het gevaar van onweer en hebben er ontzag voor. Tweemaal vliegen de vuurballen rond de boerderij als de bliksem inslaat op de elektrische afrastering van de weilanden. Behoorlijk intens en super eng.

Onheilspellend

Tegenwoordig ga ik niet meer mijn bed uit tijdens een onweer. Zelfs niet als het vreselijk te keer gaat en klap op klap volgt. Ik tel nog wel steeds en zorg ervoor dat alle ramen en deuren dicht zijn.

Ook hier in de stad kan het flink onweren. Ik herinner me nog een doordeweekse dag. Ik werk thuis. De lucht betrekt, je ziet aan de hemel dat er noodweer opkomst is. Een onheilspellende rollende grijze wolk alsof de hemel in een zee is veranderd en de branding elk moment op mijn flat kan stukslaan – een zogenaamde shelf cloud. Ineens is daar die enorme klap. De radio valt uit. Buiten hoor ik het kraken van hout. Eén van de grote hoge bomen in de binnentuin tussen de flats aan de overkant is door de bliksem letterlijk doormidden gespleten. Rumoer op straat, geschrokken buurvrouwen die naar buiten komen om te zien wat er aan de hand is. Vanuit mijn hoge positie kan ik het allemaal goed overzien. Ik wijs naar de getroffen boom.

Dikke hagelstenen

Bij de tropische temperaturen afgelopen juni is het in Hilversum opnieuw raak met zware onweersbuien. Toch een bewijs dat de klimaatverandering een verontrustende slag sneller gaat. De afgelopen tien zomers zijn warmer en droger dan de scenario’s van de wetenschappers voorzien. Met onverwachte harde stortregens. In de nacht van zaterdag op zondag breekt er een heftig onweer los met zware windstoten. Hagelstenen van wel vijf centimeter dikte bekogelen de lichtkoepel van ons trappenhuis. Het is een oorverdovend kabaal. De schade is enorm. Gaten in de koepels van alle portieken. De auto’s in de straat zitten onder de butsen en deuken. Het lijken wel grote poffertjespannen. Bij een buurvrouw is er zelfs een forse hagelsteen door de voorruit gegaan.

Geen leuke ervaring, want deze uitschieters in hitte en felle onweersbuien zullen blijven komen. Zeker als je weet dat de politiek qua klimaatbeleid hopeloos achter de feiten aansukkelt. Tijd voor een betere aanpak.

 

Sciencefiction of niet?

Waarom fascineert de mogelijkheid van buitenaards leven ons toch zo? Misschien omdat het een van de grootste vragen is die we onszelf kunnen stellen: zijn we alleen in het universum?

Afgelopen weekend vond in Hilversum een internationaal UFO-festival plaats. Een van de publiekstrekkers was de nieuwe film van Steven Spielberg, een regisseur die zijn naam heeft gevestigd met enkele van de meest iconische sciencefictionfilms ooit gemaakt. Wie heeft E.T. niet in zijn hart gesloten?

Met zijn nieuwste film Disclosure Day lijkt Spielberg echter een stap verder te gaan dan ooit tevoren. Waar zijn eerdere films vooral speelden met de vraag óf buitenaards leven bestaat, stelt hij nu een andere vraag: wát als ze er al zijn?

De trailer suggereert precies dat. https://youtu.be/SCYT8vb2siQ Spielberg stond jarenlang bekend als een soort ‘alien-agnost’: hij achtte buitenaards leven waarschijnlijk, maar twijfelde eraan of intelligente wezens de aarde daadwerkelijk zouden bezoeken. In Disclosure Day lijkt die twijfel verdwenen.

Het verhaal draait om Margaret (Emily Blunt), een weervrouw uit Kansas City die tijdens een live-uitzending plotseling begint te spreken in een vreemde, klikachtige taal. Ze lijkt in trance. Tot ieders verbazing begrijpt cyberexpert Daniel (Josh O’Connor) haar woord voor woord. Wat verbindt deze twee mensen? En waarom probeert de mysterieuze organisatie Wardex, geleid door een sinistere directeur (Colin Firth), koste wat kost te voorkomen dat de waarheid naar buiten komt?

‘De mensheid is niet klaar voor wat wij weten,’ klinkt het dreigend. Dat belooft tweeënhalf uur spektakel.

Meer dan alleen fantasie?

Volgens Spielberg bevat Disclosure Day ‘meer waarheid dan fictie’. Dat geeft de film direct een andere lading dan zijn eerdere werk. In zijn verbeelding hebben de buitenaardse bezoekers de bekende kenmerken die we uit talloze UFO-verhalen kennen: lange, dunne vingers, geribbelde huid en grote, schotelvormige ogen.

Opmerkelijk genoeg sluit de film aan bij de groeiende publieke belangstelling voor vrijgegeven UFO-documenten van het Amerikaanse ministerie van Defensie. In de afgelopen jaren zijn tientallen foto’s, video’s en meer dan 160 documenten openbaar gemaakt waarin ongeïdentificeerde vliegende objecten worden besproken. Volgens UFO-onderzoekers bevatten veel van die documenten weinig nieuws, omdat ze eerder al waren uitgelekt. Het verschil is echter dat de authenticiteit ervan inmiddels officieel is bevestigd.

Dat roept vragen op. Als overheden UFO-meldingen serieus nemen, waarom blijft er dan zoveel onduidelijk? Mogelijk speelt nationale veiligheid een belangrijke rol. Defensieorganisaties zullen niet snel onthullen welke geavanceerde detectie- en observatietechnieken zij gebruiken.

Wat als het echt gebeurt?

Stel dat wetenschappers daadwerkelijk een signaal van buitenaards leven opvangen. Wat doe je dan? Maak je dat onmiddellijk wereldkundig? Of wacht je eerst totdat alle mogelijke verklaringen zijn uitgesloten?

In een tijdperk waarin nepnieuws zich razendsnel verspreidt, is uiterste zorgvuldigheid noodzakelijk. Daarom bestaan er internationale protocollen voor de mogelijke ontdekking van buitenaards leven. Een vreemd radiosignaal of een onverklaarbaar object aan de hemel is niet voldoende. Eerst volgt uitgebreid wetenschappelijk onderzoek: controleren, verifiëren en opnieuw controleren. Zeker in een wereld waarin hackers, desinformatie en complottheorieën een grote rol spelen.

Een opvallende aanbeveling in die protocollen is bovendien dat er niet direct geantwoord moet worden op een mogelijk buitenaards bericht. Eerst moet overleg plaatsvinden met internationale instanties, zoals de Verenigde Naties. Want hoe verstandig is het eigenlijk om onze aanwezigheid kenbaar te maken? Wie zegt dat een buitenaardse beschaving vriendelijke bedoelingen heeft?

De waarheid als bedreiging

In Disclosure Day is de waarheid zo schokkend dat machthebbers vrezen voor wereldwijde chaos. De onthulling zou zelfs kunnen leiden tot een nieuwe wereldoorlog. Het klassieke dilemma dus: heeft de mensheid recht op de waarheid, of zijn er feiten die beter verborgen kunnen blijven?

Zoals zo vaak bij Spielberg draait het uiteindelijk niet om de aliens zelf, maar om de menselijke reactie op het onbekende. Verwondering, angst, ontwrichting en de behoefte om betekenis te geven aan wat we niet begrijpen.

Misschien is dat wel de reden waarom het onderwerp ons blijft fascineren. Niet omdat we zeker weten dat er buitenaards leven bestaat, maar omdat de mogelijkheid alleen al onze verbeelding prikkelt.

Opmerkelijk genoeg noemt Spielberg dit zijn eerste film die door het publiek als sciencefiction zal worden gezien, terwijl hijzelf vindt dat het eigenlijk géén sciencefiction is. ‘Hoe geweldig zou het zijn als dit allemaal waar was?’ zegt hij in een interview. Ik weet niet of ik dat met hem eens ben. Maar vermakelijk is het zonder twijfel.

 

Grote koele gast

Er staat water op het zeil in de keuken – en dat is niet de eerste keer. De koelkast heeft weer geplast. Eigenlijk kan hij niets aan die incontinentie doen; het is een oud beestje. Hij hoorde bij de inboedel toen ik hier zevenentwintig jaar geleden kwam wonen. Dus ja, hij mag wat kuren hebben. Maar ik vrees dat het oude baasje me nu echt in de steek laat. Hij gromde de laatste tijd al narrig. Vanochtend was de kaas ook wat slapjes, nu ik erover nadenk.

Ik pak een teil en een absorberende doek. Haal de artikelen uit de koelkast. Alles is nat, inclusief de groentela waarin een sixpack bier ronddrijft. Ik dweil alles droog. Het water ruikt muf en is een beetje troebel. Geen leuke klus, maar het moet gedaan worden.

Koelkast kopen

Tegen wil en dank zal ik op zoek moeten naar een nieuwe koelkast. Maar deze Bauknecht is zo’n handig modelletje en mijn magnetron kan er mooi op ooghoogte bovenop staan.

Ik open Google en typ: ‘koelkast kopen’. Binnen enkele minuten ben ik verdwenen in een maalstroom van online marketing. Waar scoor ik de beste deal voor de beste prijs? Ik laat de algoritmes hun werk doen en surf van MediaMarkt naar Coolblue, via Expert naar Bol.com. Wit is uit de mode, kom ik achter. De modellen zijn hoger geworden, met drie vrieslades in plaats van één. De prijs – zeker als je voor energielabel A gaat – is ook niet mals.

Ik krab me achter de oren. Ook de bezorgservice telt mee bij de keuze. Niet elke aanbieder zet de koelkast drie hoog op zijn plek en zorgt dat de deur de juiste kant opendraait. Of neemt het oude exemplaar gratis mee.

RVS uitvoering

Na anderhalf uur ben ik het zat. Een Inventum vries-koelcombinatie, C-model, in RVS-uitvoering verdwijnt in het winkelmandje. Ik wil best een energiezuinig exemplaar, maar duizend euro of meer ga ik er echt niet voor neertellen. Die veertig euro die ik per jaar bespaar? Daar kan deze kast twaalf en een half jaar voor koelen. Morgenmiddag komen ze hem bezorgen. Ik hoef alleen het oude model, schoon en droog, bij de voordeur te zetten.

Werk aan de winkel. In het vriesgedeelte zit een hardnekkige brok ijs – al een tijdje niet meer ontdooid. De raketjes die erin liggen zijn letterlijk waterijsjes: gekleurd water in plastic, zonder enige vorm. Die kunnen rechtstreeks in de prullenbak. Maar waar laat ik de andere spullen die nog min of meer ingevroren zijn? De vrieskist in de kelder zit vol. Dus moet ik beslissen wat ik vandaag kan consumeren en wat noodgedwongen even bij een van de buren moet logeren.

De volgende ochtend verwijder ik het laatste stuk ijs, dat vastgevroren zit aan het rooster. Ik haal het apparaat van de muur en vind spullen die er ooit onder zijn verdwenen, waaronder een deel van een gebroken bord. De vloer is behoorlijk vies; even flink poetsen om het zeil weer geel te krijgen.

Track & trace

Via track & trace weet ik wanneer ze langskomen: tussen 16.30 en 17.30 uur. Ik werk thuis, dus dat is geen probleem. De bel gaat. Het duurt even voordat beide mannen met de nieuwe koelkast de derde verdieping hebben bereikt. Ik hoor ze puffen en steunen en kan niet onderscheiden welke taal ze spreken. De enorme doos (184 x 60 x 68,4 cm) schuurt over het beton van de trap. Ik wil helpen, maar loop alleen maar in de weg. Ze moeten deze klus echt zelf klaren.

Moeizaam manoeuvreren ze de nieuwe Inventum de keuken in. De verpakking gaat eraf en het apparaat wordt waterpas op zijn plek gezet. Ze vouwen het karton en het piepschuim op. Eén van de mannen spreekt Nederlands en zegt dat ik de koelkast pas mag aansluiten nadat het apparaat acht tot tien uur heeft gerust. Ik beloof plechtig dat ik dat zal doen. Met de oude koelkast verdwijnen ze weer de trap af. Oude knecht eruit, nieuwe vent erin, schiet door me heen.

Grote makker

Oeps. Wat is deze roestvrijstalen makker groot! Ik heb wel rekening gehouden met de hoogte, maar niet met de diepte. Bij het inruimen merk ik dat de deur niet helemaal open kan. De vrieslades stoten tegen het aanrecht. Het kost me moeite om de glasplaten op de juiste hoogte te krijgen, omdat ze er niet recht uit kunnen. Door ze schuin te houden lukt het uiteindelijk.

De vreugde over de nieuwe koele gast taant. Niet goed over nagedacht. Misschien had ik toch langer moeten zoeken naar een model dat minder ruimte inneemt. Of een tafelmodel zonder vriesgedeelte moeten kopen. Ach, het zal een kwestie van wennen zijn. De magnetron zet ik dwars op de koelkast. Erg handig is het niet, maar met een beetje rekken moet het lukken.

Ik heb geen boodschappen gedaan. Als alles is ingeruimd en overbodige stickers van de koelkast zijn verwijderd, trakteer ik mezelf op friet met een halve kip.

Droom

’s Nachts droom ik dat een vreemde man luidruchtig mijn flat binnendringt. Ik sla wild om me heen en probeer die ongewenste gast met veel moeite naar buiten te schoppen. Toch te veel met die nieuwe koelkast bezig geweest, vrees ik. Met een vreemd gevoel word ik wakker. Ik loop naar de keuken en steek de stekker in het stopcontact. De Inventum begint zacht te ruizen…