Blog

Terug in Berlijn

In de IC 143 naar Berlijn. Terwijl het Nederlandse landschap langzaam overgaat in Duitsland, groeit onderweg het gevoel dat ik niet zomaar naar een stad reis, maar terugkeer naar een stuk verleden. Zesenhalf uur later zit ik op het terras van Gottlob in Schöneberg, tegenover de imposante Apostel-Paulus-Kirche, met een koud witbier voor mijn neus. Het is zomer 2011 – broeierig heet – en voor het eerst sinds de val van de Muur ben ik weer in Berlijn.

Vertrouwd en toch anders

De stad voelt tegelijk vertrouwd en totaal anders. Al in de tram naar mijn logeeradres schieten de veranderingen voorbij: de glazen koepel op de Reichstag, de Brandenburger Tor waar je nu achteloos onderdoor wandelt, het indrukwekkende Holocaustmonument. Berlijn heeft zichzelf zichtbaar opnieuw uitgevonden sinds het weer de politieke hoofdstad van Duitsland is geworden. Maar onder dat nieuwe Berlijn ligt voor mij nog steeds de stad van de Koude Oorlog verborgen.

In de jaren tachtig liftte ik meerdere keren met een vriend naar West-Berlijn. We sliepen in een kraakpand in Kreuzberg en smokkelden verboden christelijke lectuur naar vrienden in Oost-Berlijn. Spannend werk. Elke grenscontrole voelde als Russisch roulette. We waren jonge vrije vogels, precies zoals in ‘Over de Muur’ van Klein Orkest – het lied dat de bizarre tegenstelling tussen Oost en West zo trefzeker vangt: neonreclames tegenover rode vlaggen, vrijheid tegenover controle. https://youtu.be/9LsqfgPx_Rw Waar vroeger wachttorens, hekken en grensposten stonden, lopen nu toeristen met smartphones en kartonnen koffiebekers langs glazen kantoorgebouwen en hippe cafés.

Kurfürstendamm

Ik bezoek opnieuw de Kurfürstendamm, ooit het kapitalistische hart van West-Berlijn. Bij de Gedächtniskirche blijkt de hele boulevard opengebroken. De legendarische Zoo Palast – het mekka van het filmfestival van Berlijn – wordt gesloopt, winkelpanden staan leeg en stoffig achter schuttingen. Alleen de gigantische Mercedes-ster boven op het Europa-Center draait nog onverstoorbaar rond alsof er niets veranderd is.

Van Oost-Berlijn herinner ik me vooral de Fernsehturm en de troosteloze DDR-flatgebouwen rond Alexanderplatz. In de jaren tachtig hing daar een bijna tastbare grauwheid. Nu is die verdwenen, maar mooier is het er niet per se op geworden. De socialistische leegte heeft plaatsgemaakt voor fastfoodketens, dönerzaken en schreeuwerige winkels. Alsof het oude kapitalistische Westen simpelweg is verhuisd naar het voormalige Oosten.

Berlin Alexanderplatz

Op Alexanderplatz wisselde mijn vriend vroeger illegaal West-Duitse marken voor Ostmarken. Dat was riskant, maar minstens zo lastig was het om de verplichte 25 Ostmark per dag daadwerkelijk op te maken. Om problemen bij Checkpoint Charlie te voorkomen moesten we voor vertrek soms noodgedwongen dure cocktails drinken in de bar boven in de Fernsehturm. Licht aangeschoten en ruikend naar alcohol haastten we ons dan vlak voor sluitingstijd terug naar West-Berlijn.

Nu is Checkpoint Charlie een toeristische attractie geworden. In het museum vertellen voormalige grenswachters bijna smakelijk over spectaculaire ontsnappingspogingen: verborgen compartimenten in auto’s, zelfgemaakte luchtballonnen, tunnels onder de Muur. Schoolklassen luisteren ademloos toe terwijl buiten toeristen selfies maken.

Bij de East Side Gallery loop ik langs bijna een kilometer originele Berlijnse Muur. Het grijze beton is veranderd in een kleurrijke openluchtgalerie vol graffiti en politieke kunst. Natuurlijk maak ik een foto van de beroemdste muurschildering: Brezjnev die Honecker op de mond kust. Een beeld dat tegelijk absurd en historisch is.

Tropische hitte

Alsof de duvel ermee speelt heb ik precies een tropische hittegolf uitgekozen voor mijn stedentrip. Berlijn kreunt onder temperaturen boven de dertig graden. Gelukkig weet de stad hoe je moet ontsnappen aan de hitte. In Kreuzberg duik ik het Prinzenbad in, een enorm openluchtzwembad vol zonnebaders en schreeuwende kinderen in ellenlange glijbanen. Nog beter is het Badeschiff: een zwembad midden in de Spree, omringd door loungemuziek en strandstoelen.

Aan het Oststrand beland ik bij YAAM, een alternatieve strandbar waar reggae en Afrikaanse muziek uit de speakers knallen. Met mijn voeten in het zand en uitzicht op de rivier voelt Berlijn even meer Afrika dan Duitsland.

Toch zijn er plekken waar de geschiedenis zich onvermijdelijk opdringt. Bij het Holocaustmonument wordt het stil. Het enorme veld van donkere betonblokken lijkt van een afstand overzichtelijk, maar eenmaal binnen verandert het in een beklemmend doolhof. De stenen worden hoger, de paden smaller. Geluiden verdwijnen. Ik voel me klein, verloren, opgeslokt door de ruimte. Het monument maakt diepe indruk.

Brandenburger Tor

Van daaruit loop ik met de stroom toeristen richting de Brandenburger Tor. Het blijft een vreemd idee dat je nu vrij onder deze poort kunt doorlopen. Ooit stond ik hier op een uitkijkplatform aan het einde van de Straße des 17. Juni, turend over de Muur naar Oost-Berlijn. Hier sprak Kennedy zijn legendarische woorden: ‘Ich bin ein Berliner.’

Nu poseren toeristen met nep-Russische soldaten voor vijf euro per foto en rijden fietstaxi’s en paardenkoetsen af en aan. De geschiedenis is hier bijna een decorstuk geworden.

Ironisch genoeg bevindt het creatieve, vrije Berlijn zich tegenwoordig juist in de voormalige Oost-Berlijnse wijken. Verlaten DDR-panden en fabrieken veranderden in de jaren negentig in technoclubs, ateliers en alternatieve broedplaatsen. Wijken als Friedrichshain en Prenzlauer Berg bruisen van kunst, cafés en nachtleven. En dat maakt Berlijn zo fascinerend.

Het is een moderne, internationale hoofdstad geworden, vol architectuur, cultuur en energie. Maar tegelijk blijven de littekens van het verleden overal zichtbaar. Onder het hippe Berlijn van 2011 ligt nog steeds de verdeelde stad uit ‘Over de Muur’ verscholen. Die stad bestaat misschien niet meer fysiek, maar emotioneel voel ik haar nog altijd.

In een homokroeg beloof ik de barman dat ik deze keer geen twintig jaar zal wachten voordat ik terugkom. Inmiddels begint die belofte gevaarlijk oud te worden.

Oranjegevoel

Is jouw wereld al oranje? Zit je in je WK-kamerjas of juichpak gekluisterd aan de buis? Hier in de straat is er nog weinig te merken van het wereldkampioenschap voetbal dat inmiddels is losgebarsten. Of het moet de oranje Dixie zijn die op het trottoir staat te walmen. Zelfs op het distributiecentrum blijven de oranje shirtjes en broekjes onaangeroerd in de blauwe bakken liggen. Die van de Rode Duivels trouwens ook.

De enige die echt losgaat op dit toernooi is de commercie. Logisch ook. Je kunt geen krant openslaan, website bezoeken of tv-programma kijken zonder een voetbalreclame om je oren te krijgen. Alsof de marketeers in hun eentje de WK-koorts op peil moeten houden. We ondergaan het gelaten; het hoort er inmiddels bij.

Herinneringen aan vorige toernooien

Dit is het veertiende WK dat ik bewust meemaak. Van sommige toernooien staan de herinneringen nog glashelder op mijn netvlies, andere zijn vervaagd tot een paar losse flarden. De ene editie verliep nu eenmaal beter voor Oranje dan de andere. Soms deden we zelfs helemaal niet mee.

Als kind werd ik verwend met de glorieuze lichtingen van 1974 en 1978. Twee keer de finale, twee keer nét niet. Daarna volgden jaren van wisselend succes. Het WK van 2002 staat me nog goed bij. Nederland ontbrak, terwijl ik ergens op de Noordzee verbleef aan boord van een marineschip. In verloren uurtjes keken we tussen de mannen in het blauw naar de verrassend sterke Zuid-Koreanen van bondscoach Guus Hiddink.

Jaren later laaide het oranje vuur weer op in Zuid-Afrika. Dat waren onvergetelijke avonden: vrienden in de tuin, de barbecue aan en het gevoel dat het eindelijk zou gebeuren. Maar daar waren die gehandschoende vingertoppen van de Spaanse doelman Iker Casillas. Eén redding verwijderd van eeuwige roem.

Ook Brazilië 2014 leverde iconische momenten op. Eerst de sensationele 5-1 revanche op Spanje. Wat een avond. Vervolgens de onverwachte keeperswissel tegen Costa Rica. Louis van Gaal trok een konijn uit de hoge hoed en kreeg heel Nederland op de banken. Wat een stunt was dat.

Weinig vertrouwen

Dit keer ontbreekt het vertrouwen. Niet alleen in Oranje, maar ook in de organisatie van het toernooi. Niet in Amerika, een van de gastlanden, en al helemaal niet in de FIFA. De wereldvoetbalbond lijkt steeds vaker de hofleverancier van autocraten, machthebbers en opportunisten. Misstanden worden weggewuifd, ongemakkelijke vragen genegeerd. Bonden, trainers, spelers en scheidsrechters kijken liever de andere kant op. Het blijft een beschamend schouwspel. En dan moeten Trump en FIFA-president Gianni Infantino de komende weken nog hun opwachting maken. Dat belooft.

Na de dramatische uitzwaaiwedstrijd van vorige week is het enthousiasme verder weggezakt. Wij Nederlanders houden van Oranje, maar vooral als er iets te vieren valt. De eerste wedstrijd tegen Japan verliep bovendien precies zoals ik had gevreesd: stroperig, inspiratieloos en uiteindelijk eindigend in een teleurstellend gelijkspel.

Koeman

Bondscoach Ronald Koeman heeft gekozen voor een degelijk en veilig elftal. Deels noodgedwongen, want de blessurelijst is indrukwekkend: Jurriën Timber, Xavi Simons, Stefan de Vrij, Jerdy Schouten en Jeremie Frimpong ontbreken allemaal.  Koeman straalt zelf ook niet bepaald het vertrouwen uit dat de wereldtitel binnen handbereik ligt.

‘Er zijn vooral aanvallend gezien een aantal landen die meer kunnen brengen dan wij. Dus we zullen andere dingen moeten verzinnen. Maar we hebben bewezen dat we dat kunnen. Ik sta er niet zo negatief in, maar ik besef me wel dat alles mee moet zitten, willen we heel ver komen.’

Niet bepaald een speech die je op een tegel wilt laten drukken.

Tenue

Overigens: wat zijn die trainingstenues verschrikkelijk. Goud, zwart en oranje, met leeuwen, verwelkte bloemen en Surinaamse alakondre-schakelkettingen als motief. Het lijkt eerder een carnavalsoutfit dan een voetbalshirt. Aan de andere kant: de laatste keer dat Oranje met een vergelijkbaar wanproduct rondliep, werden we wel Europees kampioen. Misschien schuilt daar nog een sprankje hoop.

De bal rolt inmiddels, maar ik houd er een zwaar hoofd in. Toch blijft er iets magisch aan een WK. Met een groep vrienden op de vreemdste tijdstippen wedstrijden kijken, gezamenlijk mopperen op het spel en vanaf de bank tactische aanwijzingen schreeuwen die nooit zullen worden opgevolgd. ‘Vooruit met die bal!’ ‘Tempo maken, jongens!’ Onder het genot van bier, snacks en een hardnekkig geloof dat het misschien toch nog goed komt.

Tierlantijnen

Hou je van die eindeloze zomeravonden waarop de lucht maar niet donker wil worden? Dan moet je richting de Baltische staten. Vergeet even het dure Scandinavië: in Riga krijg je dezelfde lange lichte nachten, maar dan met bierprijzen waar je nog vrolijk van wordt.

De Letse hoofdstad laat zich bovendien heerlijk te voet verkennen. Dat moet ook wel, want de oude binnenstad is grotendeels autovrij. Geen ronkende motoren of haastige taxi’s, alleen kinderkopjes, kerktorens en straatmuzikanten die ergens tussen melancholie en wodka lijken te zweven. En het mooiste? Vanuit het centrum wandel je in nog geen twintig minuten zo een compleet andere wereld binnen: de beroemde Jugendstilwijk van Riga.

Jugendstil

Daar gebeurt iets geks met je nekspieren, want je loopt voortdurend omhoog te kijken. Nergens ter wereld staan zoveel Jugendstilgebouwen bij elkaar als hier. Het is alsof de stad besloten heeft om van architectuur een wedstrijd in overdaad te maken. Een openluchtmuseum vol tierelantijnen, drama en decadentie.

Jugendstil – of art nouveau, zoals de Fransen het chic noemen – waait eind negentiende eeuw vanuit België en Duitsland Europa binnen. Net op het moment dat Riga een intensieve bevolkingsgroei doormaakt. Nieuwe rijken willen huizen die niet alleen indruk maken, maar pure status schreeuwen. Dus verrijzen complete straten vol architectonische pronkstukken. En dat allemaal in amper een paar decennia, tot de Eerste Wereldoorlog abrupt op de rem trapt.

Alle toeristen worden steevast naar Alberta iela en Elizabetes iela gestuurd. Begrijpelijk ook: daar zak je bijna door je knieën van verbazing. Gevels vol kronkelende vrouwenfiguren, brullende maskers, adelaars, draken en mythologische types die je aankijken alsof ze vannacht nog uit hun stenen cocon zijn gekropen. Het zijn kleurrijke huizen met een voorkeur voor pastel.

Net even verder…

Maar het is de moeite waard om juist buiten die bekende straten deze wijk te verkennen. Daar staan dezelfde kapitale huizen, alleen met afgebladderde verf, scheuren in de muren en een vermoeide grandeur. Alsof de wijk nog niet helemaal wakker is geworden uit de Sovjettijd.

Veel panden raken tijdens de Tweede Wereldoorlog beschadigd en zijn daarna jarenlang uitgewoond onder het Sovjetregime. Sommige huizen schitteren inmiddels weer alsof de champagne gisteren nog ontkurkt is; andere dragen hun littekens openlijk. Juist dat contrast maakt deze wijk zo fascinerend.

Volgens de regels van de Jugendstil mag alles met een functie vooral ook overdreven mooi zijn. Symmetrie? Saai. Eenvoud? Verboden. Dus leven kunstenaars zich uit alsof iemand heeft geroepen dat meer altijd beter is. Bloemen slingeren over gevels, vrouwenhoofden staren dromerig voor zich uit, monsters bewaken balkons en absurde ornamenten sieren de ramen. Geen centimeter blijft onversierd. Het voelt alsof de architecten elkaar willen overtroeven in een wedstrijd: wie bouwt het meest buitensporige huis van de stad?

Alberta iela

In Alberta iela staan een paar van de spectaculairste gebouwen, ontworpen door Michail Eisenstein, de vader van de beroemde Russische filmmaker Sergei Eisenstein. Zijn absolute pronkstuk is huis nummer 13: een gigantisch hoekpand vol enorme gezichten, theatrale details en nimfen met ontblote borsten die onverstoorbaar over de straat uitkijken. Tegenwoordig huist er doodleuk de rechtenfaculteit. Waarschijnlijk de mooiste plek ter wereld om een tentamen strafrecht te maken.

Mijn wandeling begint onder een grauwe hemel, waardoor de wijk eerst iets sombers heeft. Maar precies op het moment dat ik denk: jammer van het licht, breekt de zon door. Alsof iemand een dimmer boven de stad opendraait. De pastelkleuren beginnen te gloeien, gouden details lichten op en ineens lijken de gevels nóg uitbundiger. Riga geeft zichzelf dan pas echt bloot.

Toilet

Ik plof neer bij het Art Nouveau Café voor koffie. Niet omdat ik zo nodig een hip koffietentje wil testen, maar omdat ik dringend moet plassen. Voor een klein kopje betaal ik een prijs waar een Let waarschijnlijk van achterover slaat, maar de nood is hoog. De verrassing volgt beneden: zelfs het toilet is volledig uitgevoerd in Jugendstil. Alsof je in een wc van een decadente barones bent beland.

Wanneer ik later de stad uitrijd richting Estland, laat Riga nog één keer haar dubbele gezicht zien. Eerst die straten vol sierlijke gevels, kleuren, krullen en verleidelijke pracht. En even later: eindeloze rijen grauwe Sovjetflats, kaal en streng, alsof alle fantasie daar ooit verboden werd.

Misschien maakt juist dat contrast Riga zo onvergetelijk. Een stad die voortdurend balanceert tussen schoonheid en verval en daar stiekem alleen maar interessanter van wordt.

 

Ons zwembad

Mensen op het droge vinden de adoratie voor een betegelde betonnen bak gevuld met chloorwater maar vreemd of ziekelijk. Wat is de lol van eindeloos heen en weer pendelen? Zij wijzen op de gevaren van eczeem, volgelopen oren, oogontstekingen en wateroverdraagbare infecties. En dan hebben ze het nog niet over wat er mogelijk in het water kan zitten. Ik geef toe: zelf moet ik ook niet denken aan mensen die om wat voor reden dan ook in het zwembad urineren.

Maar voor ons – Zandzeeërs – is zwemmen een passie, een zelfgekozen verslaving, een moment van rust en ontspanning. Het verlaagt de bloeddruk, vertraagt het verouderingsproces, verbetert het uithoudingsvermogen, de longinhoud en het geheugen.

Wij Zandzeeërs

Ons zwembad ligt naast de hei, het heeft genoeg daglicht met zicht op blauwe wolken, bomen en ander groen. Meestal lukt het ons om alle zorgen en klachten achter ons te laten. We hebben last van een zwakke rug, een gebroken hart, uiteengespatte dromen, angstgevoelens, zwaarmoedigheid of de gebruikelijke kwaaltjes.

Maar de mislukte schilder wordt een elegante crawler, de wegbezuinigde redacteur snijdt adembenemend als een haai door het water. De pas gescheiden personeelsmanager pakt een vaalblauw piepschuimen plankje en schopt er straffeloos oplos. De obese juf met twee nieuwe knieën drijft als een otter op haar rug. Piekeraars houden op met tobben en diepbedroefde weduwen rouwen even niet. Voor een beperkte tijd voelen we ons thuis in deze waterwereld. Rotbuien vervliegen, migraines lossen op, nare herinneringen schieten voorbij, langzaam verstomt het rumoer van het droge, terwijl we slag na slag, baan na baan, zwemmen. We houden de zwarte streep op de bodem van het bad strak in de gaten.

In het zwembad gelden ongeschreven regels. Uitsluitend rondzwemmen tegen de klok in en altijd rechts houden. Als je per ongeluk tegen iemand aanbotst, bied je je excuses aan en vraag je die andere zwemmer of het goed gaat.

Drie soorten zwemmers

Er zijn drie soorten zwemmers. De alfavrouwen en -mannen in de snelle baan. Ze zien er geweldig uit in hun badkleding. Uit de zelfverzekerde slag blijkt hun feeling met het water. Bij elke slag kolkt en bruist het water. Qua lichaamsbouw zijn het doorgaans mesomorfen: brede schouders en een lang bovenlichaam. Het zijn geboren atleten met een perfect keerpunt.

De zwemmers in de middenbanen zijn zichtbaar relaxter. De ooit gekoesterde wens om in de snelle baan te bewegen hebben ze opgegeven. Soms doen ze nog even een poging maar de benen worden snel moe, de slagen korter, de longen beginnen pijn te doen en na twee baantjes keren ze terug naar hun normale tempo.

De mensen in de langzame baan – waaronder ikzelf – zijn vaak de ouderen, de waterwandelaars en aquajoggers, mensen die de rand van het bad in de buurt willen houden. Of gewoon gezellig (of juist irritant) met elkaar kletsend hun rondjes willen maken.

Baantjes trekken

Sommigen moeten elke dag zwemmen, honderd baantjes trekken of juist veertig (is een kilometer) of precies een uur. We weten wanneer we er weer uitmoeten. Soms door de badmeester gedwongen omdat de zwemlessen beginnen of omdat het nu recreatief zwemmen is vanwege een schoolvakantie. Of het veeleisende werk wacht. Of de overspannen partner. Of ons huisdier moet ook nog eten hebben.

Als we onze baantjes hebben getrokken, hijsen we ons elegant of met moeite het bad uit en staan druppend aan de kant. Na een verfrissende douche zijn we weer klaar voor een dag op het droge: ontspannen en kalm.

Zwembad dicht

Maar hoe moet dat nou? Tijdens het zwemmen realiseer ik me dat dit de laatste keer is. Ons bad gaat dicht, tenminste tien weken, wegens groot onderhoud. En we weten allemaal dat verduurzamingsprojecten altijd uitlopen. De installatie gaat vervangen worden door energiezuinige apparaten die op zelfopgewekte zonnestroom kunnen draaien. Maar de timing is wel erg ongelegen. Zo vlak voor en in het zomerseizoen. En waar moeten we nu op tropische dagen, zoals afgelopen week, onze verkoeling zoeken? Want de weide naast het bad is natuurlijk ook niet bereikbaar. Het maakt ons Zandzeeërs erg ongelukkig, mij tenminste wel…

 

Hey, jubilaris

Al maanden hangen er in de kantine van het distributiecentrum ballonnen en vlaggetjes. Je moet ’s ochtends door een ereboog van rode en witte ballonnen naar je locker. Er hangen posters met een prijsvraag; cryptische omschrijvingen van Nederlandse artiesten. Wat is er aan de hand?

Al een eeuw lang is de winkelketen HEMA een vast onderdeel van ons straatbeeld én van het dagelijks leven van miljoenen mensen. Van schoolspullen tot rookworsten, van babyrompertjes tot fotoboeken: bijna iedereen heeft wel een herinnering aan de winkels.

100 jaar

Op 4 november 1926 opent H.E.M.A. (Hollandsche Eenheidsprijzen Maatschappij Amsterdam) de eerste winkel aan de Kalverstraat. Het idee achter de winkel is in die tijd vernieuwend: goede en praktische producten verkopen tegen betaalbare prijzen. Dat uitgangspunt blijkt een enorm succes. Al snel groeit HEMA uit tot een winkel waar gezinnen terechtkunnen voor vrijwel alles in het dagelijks leven.

Wie jarig is trakteert! In dit geval met een spetterend feest in de Ziggo Dome. ‘Een feest dat voor eeuwig in de boeken zal gaan.’ Alle medewerkers verzamelen zich op deze eerste Pinksterdag om half drie bij het distributiecentrum. Vandaar vertrekken we met bussen naar Amsterdam. De stemming is opperbest.

Waar andere winkels voortdurend veranderen of trends najagen, blijft HEMA herkenbaar. Dichtbij gewone mensen. Natuurlijk gaat het assortiment mee met de tijd, maar de sfeer blijft vertrouwd.

In de afgelopen honderd jaar heeft HEMA veel meegemaakt. De winkel overleeft economische crises, oorlogsjaren, veranderende winkelstraten en de opkomst van online winkelen. Er zijn ook moeilijke periodes waarin het bedrijf financieel onder druk staat en verschillende eigenaren elkaar opvolgen. Toch blijft HEMA overeind. Maar goed ook, want de winkelketen hoort bij Nederland, net als fietsen in de regen of koffiedrinken met een tompouce erbij. Het is een stukje cultureel erfgoed.

Ziggo Dome

Rondom de Ziggo Dome staat een file van bussen uit alle windstreken. Een kleurrijke massa wurmt zich een weg langs de foodtrucks waar we een drankje en een hapje kunnen nemen. Dj’s draaien een heftige beat. De zon schijnt volop. Tussen de geur van hamburgers en friet schuifelen we verder. Achter de schermen maken Flemming, Child of Destiny, André Hazes Jr. en andere artiesten – die nu nog geheim zijn – zich klaar voor hun optreden. Ik zit in Vak 109. Op zich wel lekker want dan hoef ik niet de hele avond te staan. Aan de andere kant ben je beperkt in je bewegingen.

De jubilaris stelt de ‘liefde voor het dagelijks leven’ centraal. Het bedrijf kijkt niet alleen terug op de geschiedenis, maar wil vooral vieren hoe belangrijk kleine dagelijkse momenten zijn. Daarom zijn er dit jaar speciale acties, jubileumproducten en campagnes opgezet. Ook is er een speciaal jubileumlied van Guus Meeuwis met de titel ‘We Leven Nu’. https://youtu.be/RGh32dpJVkU

Edsilia en Willeke

De optredens zijn onderverdeeld in de vier seizoenen en gelardeerd met bekende HEMA-producten. Tot mijn verrassing treden ook Edsilia Rombley en Willeke Alberti op. Ik zeg ‘HE’. Jij zegt ‘MA’. Hazes wordt op een platte kar door de zaal gereden. En natuurlijk sluit Guus Meeuwis met zijn band de avond af.

Het feest is een waardering voor alle medewerkers. Want wat velen niet weten, is hoeveel mensen dagelijks achter iedere gevulde winkel, achter iedere broodafdeling en achter iedere zorgvuldig ingepakte bestelling staan. Juist daarom is het mooi dat wij als collega’s dit jubileum samen vieren. En zonder uit de school te klappen: het is nog lang onrustig rond de Ziggo Dome…

 

Kroniek van een aangekondigde dood

Koningsdag, heel vroeg in de ochtend, een bijna lege A1 ter hoogte van Amersfoort. Mijn oog valt op een groot reclamebord, rood met witte letters. ‘Moed is soms durven stoppen met doorgaan’. Het moet een vingerwijzing zijn.

Ik ben op weg naar mijn zus die terminaal ziek is, ze heeft maanden van strijd en moeite achter de rug. Ze is op en kan niet meer. Vandaag wordt de palliatieve sedatie ingezet.

Het nare bericht

Zeven maanden geleden krijgt ze de dood aangezegd. Het nare bericht geeft de mogelijkheid om dingen tegen elkaar te zeggen. Er is tijd om fijne herinneringen te delen en nog nieuwe te maken.

De eerste keer na de onheilstijding spreken we over de dood. En wat er eventueel na komt. Mijn zus is ervan overtuigd dat ze op weg is naar haar hemelse Vader en dat dan de pijn achter de rug is. Dat is een troostrijke gedachte. ‘Maar ik vind het wel lastig om jullie achter te laten,’ geeft ze aan. Ook is ze duidelijk in wat ze wel en niet wil. ‘Je hoeft op mijn begrafenis geen lange speech te houden over mijn leven. Een gedichtje is ook mooi en genoeg.’

Degenen die me kennen weten waarom ze mij dat advies geeft, ik ben een verhalenverteller. Ik knoop het in mijn oren.

Anekdotes

Later die middag volgt de ene na de andere anekdote. Ik sla het op. Eentje zal ik met jullie delen. Ze is op het boerenerf aan het fietsen met haar buurmeisje. Door een rare manoeuvre komt ze met haar rode fietsje in de giersloot terecht. Het is wasdag. Mijn moeder kan alleen maar onbedaarlijk lachen als ze haar dochter volledig onder de drek uit de sloot ziet komen. Mijn oma heeft een betere reactie. ‘Ach meissie, kom maar gauw hier dan zal ik je schoonwassen.’

Nog eentje: we hebben thuis kippen. Elke week zaterdag slacht mijn moeder een kip. Ik heb dat vaak gezien. Als mijn zus met vriendinnen aan het spelen is, kom ik op een idee – wellicht om aandacht te trekken. Ik weet waar het mes ligt waarmee de kippen worden onthoofd. Ik pak het uit de keukenla, loop het hok binnen en probeer met veel moeite een van de kippen te vangen. Als dat me uiteindelijk gelukt, loop ik met kip en mes naar de meiden en jaag ze de stuipen op het lijf met mijn aankondiging dat ik deze kip voor ze ga slachten.

Gelukspoppetje

Op het familieweekend dat meteen geregeld is, krijgen we allemaal een gelukspoppetje dat door haar beste vriendin is gemaakt. Ik doe het poppetje aan de rits van mijn jas. Die heb ik deze afgelopen gure en intense wintermaanden gedragen. Zo is mijn lieve zus de hele tijd bij me. Als ik sta te klungelen om de rits dicht te krijgen, vragen mensen ernaar en dat geeft mij gelegenheid over haar en die vreselijke ziekte te vertellen.

De tijd die we nog samen hebben is kostbaar. Maar het is moeilijk om te zien wat de ziekte met haar doet, dat ondanks de medicatie de pijn er steeds doorheen breekt. Ik vind het dapper hoe ze ermee omgaat. Het is vreselijk moeilijk om los te moeten laten wat haar zo dierbaar is. ‘Ik ga naar een mooie plek,’ zegt ze, ‘maar jullie blijven hier achter.’ We proberen haar te troosten door te zeggen dat we elkaar zullen vasthouden.

Toespraak

Op de dag van haar begrafenis schijnt de zon volop. Het drapeert een warme gloed over een droevige gebeurtenis. In de Witte Kerk naast haar kist zeg ik tegen haar: ‘Je bent volop mijn zus en daar ben ik trots op. Je bent volop de dochter van mijn ouders en ze hebben daar volop van genoten. Je bent volop juf, dat is echt je roeping. Je bent volop een lieve echtgenote. Je mag volop moeder zijn en bovenal volop een trotse oma. Dat is voor mij mooi om te zien en mee te mogen maken. Je bent ook volop vriendin, buurvrouw en kerklid.

Dat doe je allemaal met je kenmerkende lach. Met volle inzet en enthousiasme. Daarom is het ook zo moeilijk om te zien dat door die lach tranen heen breken. Tranen van pijn, tranen van verdriet, tranen van de moeite die het je kost om los te laten, degenen waar je innig van houdt. Je bent nog zo jong en je hebt zo moedig gestreden. Lieve zus, shalom. Ik mis je volop.’

 

 

Alles heeft een ritme

‘Alles heeft een ritme’. Met dat refrein vertegenwoordigen vier jonge meiden Nederland op het Eurovisiesongfestival in het Noorse Bergen. Ze noemen zich Frizzle Sizzle. Het is inmiddels veertig jaar geleden – waar blijft de tijd?

Voor Noorwegen is het een bijzonder moment: voor het eerst mogen ze het festival organiseren. Dat is opvallend, want het land bungelt jarenlang onderaan de ranglijst. Zes keer eindigen de Noren als laatste, waarvan drie keer zelfs met nul punten. Maar dankzij de overwinning van Bobbysocks is die negatieve reeks eindelijk doorbroken.

Frizzle Sizzle

Frizzle Sizzle bestaat uit de zusjes Karin en Laura Vlasblom en hun vriendinnen Mandy Huydts en Marjon Keller. Ze zingen samen in het koor van Kinderen voor Kinderen, wat zo goed bevalt dat ze besluiten een eigen meidengroep te vormen. En dan gaat het snel: binnen enkele maanden staan ze op het Eurovisiepodium.

Wie hun optreden nu terugkijkt, ziet een registratie die weinig dynamiek heeft. Wat stijfjes en voorspelbaar in beeld gebracht. De Noorse regie lijkt het ritme niet echt te pakken te krijgen: totaalshots, afgewisseld met een shot van twee meiden, en daarna de andere twee weer in beeld. Inspiratieloos. Toegegeven: de choreografie van de meiden zelf is ook weinig uitdagend. https://youtu.be/TwdO6F6sRJs

Een groot feest

Achteraf zegt Laura Vlasblom dat ze vooral veel lol hebben gehad. Bergen was één groot feest en daar hebben ze volop van genoten. Het optreden zelf? Dat voelde voor haar minder soepel. Het is nog het tijdperk van het liveorkest, en volgens Laura ging het tempo nét iets te enthousiast. Dirigent Harry van Hoof zou het een tikje hebben opgejaagd. Als je het nummer met de oren van nu terugluistert, denk je: klopt, het mag wel een tandje sneller.

De show staat onder leiding van Åse Kleveland, zelf oud-deelneemster voor Noorwegen en twintig jaar eerder goed voor een derde plaats. Het decor roept de sfeer op van ruige Noorse fjorden. En het publiek zit rustig op hun stoel.

Niet vrij van gedoe

En ja, ook toen was het festival niet vrij van gedoe. Israël wil Oostenrijk eruit hebben vanwege het oorlogsverleden van president Kurt Waldheim. Dat gebeurt natuurlijk niet. Oostenrijk blijft gewoon meedoen en eindigt uiteindelijk zelfs nog boven Israël. Met één punt verschil. In Nederland gebeurt er ook iets opvallends: niet de NOS, maar de nieuwe tv-zender Veronica zendt het festival uit, met Leo van der Goot als commentator.

Voor Frizzle Sizzle loopt het uiteindelijk uit op een teleurstelling: ze eindigen als dertiende van de twintig deelnemers. Hun veertig punten komen vooral uit Duitsland, Israël, Turkije en Portugal. Meer zit er simpelweg niet in.

Sandra Kim

De overwinning gaat naar België, met de piepjonge Sandra Kim en haar ‘J’aime la vie’. Ze loopt al snel uit bij de puntentelling en eigenlijk weet je halverwege al hoe het gaat aflopen. Alle spanning is eruit. Achteraf blijkt dat ze niet vijftien, maar pas dertien jaar oud is. Zwitserland – dat tweede is geworden – dient nog een klacht in, maar de EBU laat de uitslag staan. Men gunt België de overwinning. Wel wordt daarna een minimumleeftijd van zestien jaar ingevoerd.

Puntentelling

Het geven van de punten verloopt soepel, mede dankzij Kleveland. Al is er één opvallend momentje: de Nederlandse jury in Hilversum maakt het haar niet makkelijk door in een hoog tempo de punten te vermelden. Alle Scandinavische landen krijgen eerst punten. Na de vijf voor IJsland, dat trouwens voor het eerst meedoet, verzucht de puntergever – ik denk Pim Jacobs te herkennen – dat Scandinavië nu wel genoeg punten heeft gekregen. Men kan er niet om lachen.

Een klein moment van ontregeling, maar ook een voorbode van latere, meer opvallende Nederlandse juryoptredens. Denk aan Paul de Leeuw en Emma Wortelboer, die het geven van punten later tot een eigen performance zullen verheffen. Zo merkt je: alles heeft een ritme. Zelfs het Eurovisiesongfestival.

Waarom herdenken wij?

Vandaag hangt de vlag halfstok. Het is Dodenherdenking. Morgen vieren we onze vrijheid. Twee dagen die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Ik ben, net als veel anderen, geboren in vredestijd. De Tweede Wereldoorlog ken ik uit verhalen, uit boeken en geschiedenislessen. En daar ben ik dankbaar voor. Blij dat ik geen app op mijn telefoon hoef te hebben die me waarschuwt voor een raket die onderweg is naar mijn woonplaats. Dat ik niet hoef te weten waar de dichtstbijzijnde schuilkelder is.

4 en 5 mei

Juist daarom betekenen 4 en 5 mei veel voor mij. Het zijn dagen van stilstaan bij, van denken aan. Dagen waarop bezinning, herinnering en reflectie centraal staan. Zeker in een wereld waarin oorlog dichterbij is dan lange tijd het geval was, is het belangrijk om stil te staan bij wat vrijheid eigenlijk betekent.

De Tweede Wereldoorlog ligt ver achter ons. Het aantal mensen dat deze periode zelf heeft meegemaakt, wordt steeds kleiner. Dat roept bij sommigen de vraag op: waarom blijven we herdenken?

Voor mij is het antwoord duidelijk. Herdenken blijft belangrijk, omdat vrijheid niet vanzelfsprekend is. Omdat mensen hun leven hebben gegeven voor de wereld waarin wij nu leven. Omdat er nog altijd mensen zijn die, ook vandaag, hun leven riskeren voor vrijheid en democratie.

Vrijheid is kwetsbaar. Het wordt nog elke dag bevochten, ergens in de wereld. Misschien voelt dat ver weg. Misschien is het niet ‘onze’ oorlog. Maar de vrijheid waarin wij leven, is daar wel direct mee verbonden.

Op 4 mei staan we stil bij de slachtoffers van oorlog en geweld. Niet alleen van de Tweede Wereldoorlog, maar ook van conflicten daarna. We doen dat in stilte. Twee waardevolle minuten lang.

Solidariteit

Het is een moment van collectieve reflectie. Maar het is ook een moment van solidariteit. Met mensen die vandaag de dag leven in oorlog, in angst, in ontmenselijking. Herdenken verbindt ons – met het verleden, maar ook met het heden.

Juist nu is het belangrijk dat we de oorlogsverhalen blijven vertellen en doorgeven van generatie op generatie. Want de ooggetuigen worden steeds schaarser. Initiatieven die hun verhalen vastleggen en delen, zijn onmisbaar om die herinneringen levend te houden. Persoonlijk te houden.

Vanavond, tijdens die twee minuten stilte, komt misschien een ongemakkelijke vraag naar boven: wat zou ik zelf hebben gedaan? Maar nog belangrijker is de vraag: wat kan ik nu doen? Want herdenken is niet alleen terugkijken. Het is ook een aansporing. Om alert te blijven. Om op te staan tegen onrecht.

En misschien maakt dat ook het vieren van morgen anders, als de vlag weer in top hangt. Bewuster. Intenser. En vieren we de vrijheid als iets waardevols, als iets om te koesteren. Samen.

 

Muziek als medicijn

Het is nacht, ik kan niet slapen. Voorzichtig kruip ik uit de hoogslaper. Ik probeer mijn huisgenoot niet wakker te maken. De deur van de slaapkamer werkt niet mee. Krakend doe ik hem dicht. Mijn hoofd zit vol, ik kan wel blijven liggen piekeren, maar dat helpt niet. Beter mijn muziek opzetten waarmee ik orde kan scheppen in de chaos. Waarmee ik af kan reageren. Even alles los kan laten.

Simple Minds

In de huiskamer sluit ik mijn koptelefoon aan op de stereo-installatie. In het lichtschijnsel dat door het grote raam valt zoek ik de elpee van de Simple Minds. Ik leg hem op de speler. Hou de naald boven de groef en haal de hendel over om hem langzaam in het zwarte vinyl te laten zakken. Voordat ik de volumeknop omhoog draai, check ik voor de zekerheid of de koptelefoon goed is aangesloten. Je wilt niet dat je huisgenoot plotseling achter je staat.

Al in mijn studententijd ontdek ik dat muziek helend of troostend kan zijn. En ‘Once up on a time’ leent zich daar uitstekend voor. Het liefst zou ik hardop mee willen brullen maar de nachtelijke situatie laat het niet toe.

‘Still I hear you, yes still you speak to me tonight

You say then how come out of love, is all this cruelty arising?’

Prima muziek als je er even doorheen zit. Iedereen heeft wel bepaalde muziek of een speciaal liedje dat je draait als je niet lekker in je vel zit. Als de relatie op scherp staat. Als het op het werk niet goed gaat of je het gevoel hebt dat je opgebrand bent.

Houvast

Je zoekt dan naar muziek die een bepaald houvast geeft waarin je je helemaal mag verliezen. Waarbij de tranen rijkelijk vloeien. Het is beter dat je de emoties niet wegdrukt of wegslikt. In zo’n situatie is het fijn als je muziek luistert waar je helemaal stuk op gaat. Laat het maar even gebeuren. Laat het maar even zo zijn.

‘What you gonna do when things go wrong?

What you gonna do when it all cracks up?’

Deze tekst ligt me na aan het hart, dit beurt me op.

Ik hoor de klik van de platenspeler. Eerst denk ik dat de deur opengaat… Ik draai de plaat om en zet de volumeknop nog een tikje hoger. Met het risico dat er tonen de kamer in lekken.

Afreageren

Je kan niet altijd een blij ei zijn. Je moet soms ongelooflijk afreageren. Ik ben blij dat ik heb ontdekt dat er muziek is die je kracht en hoop geeft. En dat die collectie steeds groeit. Je rijpt eigenlijk met de popmuziek mee. Je hebt je favoriete nummers en artiesten. Hun muziek maakt een belangrijk deel uit van jouw identiteit. Muziek uit je jonge jaren heeft je gevormd. Favoriete muziek bepaalde wie je toen was, en het liefst nog steeds wilt zijn. Muziek van toen verklaart nu nog waarom je dingen doet zoals je ze doet.

Ik zet nogmaals ‘Alive and kicking’ op.

‘Who is gonna come and turn the tide?

What’s it gonna take to make a dream survive?

Who’s got the touch to calm the storm inside?

Don’t say goodbye, don’t say goodbye.

In the final seconds who’s gonna save you?’

https://youtu.be/ljIQo1OHkTI?list=RDljIQo1OHkTI

Ik krijg er een kick van. Ik voel het in mijn lijf. Pijnlijke gedachten verdrijf ik door mee te swingen op de muziek. Mijn blote voeten glijden over de houten vloer.

Soms moet je bij een dipje even op de rem trappen en nadenken wat is er aan de hand? Voel ik me nog wel oké en wat zou ik willen veranderen? Even bewust bij dingen stil gaan staan. Als je je kut voelt kan je hiermee overeind blijven. Bewuster zijn van de zin van het leven en waar je het allemaal uiteindelijk voor doet. Beseffen wat belangrijk is, waar je nu staat.

Ik sluit mijn ogen en luister intens. ‘Someone, somewhere.’

Professionele hulp

Het oké is om muziek in te schakelen als het niet goed gaat. Muziek te gebruiken als medicijn. Ook heb ik geleerd hoe belangrijk het is om erover te praten en als het erg lastig is zelfs de hulp van een psycholoog in te schakelen. Dat je even kunt spiegelen met iemand die daar verstand van heeft, zodat je beter kunt navigeren in het labyrint dat het leven is. Beter om met iemand te praten die buiten je leven staat; vrienden, familie staan soms te dichtbij. Maar een hulpverlener staat los van je leven en diegene kijkt heel anders naar jou en daarom is het erg fijn om met een professional te praten. Als je op een punt komt waarin het even niet goed met jezelf gaat is het goed om je leven, je relatie met jezelf en anderen onder de loep te nemen.

Ik doe de elpee van de Simple Minds weer in de hoes en zet hem terug tussen de andere platen. Ik droog de tranen van mijn gezicht en drink in de keuken nog wat water, voordat ik gelouterd door Jim Kerr en zijn maten voorzichtig weer mijn plekje in de hoogslaper opzoek.

De eeuw van mijn vader

Mijn vader leeft het grootste deel in de vorige eeuw. Nog een decennium van het nieuwe millennium heeft hij meegemaakt. Hij is geboren op 19 april 1926, in het Drentse Bovensmilde, als zoon van een boer. Zijn wereld is klein, overzichtelijk en hard tegelijk: een gezin waarin iedereen moet meewerken. Als jongen leert hij al vroeg wat verantwoordelijkheid betekent. Voor dag en dauw opstaan, koeien melken met de hand, helpen op het land. Kind zijn en werken lopen naadloos in elkaar over.

De oorlog

Het is de tijd tussen de beide wereldoorlogen: het interbellum. Als kind maakt hij de Grote Depressie mee. Het leven is sober, kent weinig luxe. Omdat ze op een boerderij wonen valt het voor hem nog mee, denk ik, omdat ze zelfvoorzienend zijn.

Veertien jaar oud is hij als de Duitsers Nederland binnenvallen, een onzekere tijd. Ook daarbij is de boerderij een zegen en een risico. Er is voedsel, maar er zijn ook vorderingen door de Duitsers, en de voortdurende dreiging van razzia’s. Ik weet dat de varkens verborgen worden gehouden in een hok onder het hooi.

Na de oorlog krijgt hij een oproep voor militaire dienst. Mijn vader behoort tot de lichting die naar Nederlands-Indië moet. Maar daar is hij nooit geweest. Op zolder staat wel zijn dienstkist – erg spannend voor mij als kind – met daarin het lesboekje Maleis. Bij een inenting voor vertrek gaat het mis, een aantal jongens zijn overleden en mijn vader krijgt een hersenvliesontsteking. Daarmee blijft hem het leed van de politionele acties bespaard. Wel wordt hij zeven keer voor herhaling opgeroepen en dient hij in het leger als foerier. Mijn opa is daar niet erg blij mee, want het is altijd in de maanden dat het druk is op het land met het binnenhalen van de oogst.

Wederopbouw

In de tijd van de wederopbouw leert hij mijn moeder kennen op een van de christelijke toogdagen. Volgens mij met Pinksteren in Leeuwarden, dus ver van huis. Ze hebben zeven jaar verkering, want er moet gespaard worden om de boerderij over te kunnen nemen. Mijn moeder zegt over mijn vader nadat hij op zijn fiets wegrijdt, terwijl ze het rode achterlichtje in de verte ziet verdwijnen: ‘Dit is mijn man, die laat ik niet meer gaan.’

Dat is geen verkeerde keus van haar, denk ik. Want daarmee is ze verzekerd van een goede, trouwe vent, die alles voor haar over heeft.

Schuurbrand

Tegenslag is er als de schuur die achter de boerderij staat op een avond in vlammen opgaat. Bij toeval kom ik in de krant nog een advertentie tegen waarin de familie bedankt voor de bewezen hulp tijdens de brand. Het drama is dat de ochtend na de ramp mijn opa tijdens het melken in de handen van mijn vader sterft aan een hartstilstand.

Het huwelijk is gezegend met twee kinderen. Een meisje en later ook nog een jongen. Tussen ons zit een ‘hemelmeisje’. Niet dat daar in onze kindertijd of later over is gesproken.

De eeuw van mijn vader kenmerkt zich door een boerenleven dat snel verandert. Tijdens de maanlanding en de dreiging van een kernoorlog werkt mijn vader (en moeder ook) stug door. Er zijn twee ankers in hun leven: de boerenbedrijf en het geloof.

Mechanisatie

Wat de boerderij betreft krijgt hij te maken met de mechanisatie. Van paard en wagen naar tractor. De landbouw gaat van handmatig naar steeds meer gebruik van machines. Maar mijn vader is zijn hele werkzame leven een paardenboer, dat is zijn lust en zijn leven. Natuurlijk maakt hij in zijn bedrijf wel gebruikt van de moderne middelen, maar hij schaft ze zelf niet aan. Dat soort grote investeringen doet hij niet. Ook gaat hij niet mee in met name de wil van overheid en banken om alsmaar groter te groeien. Als hij eenmaal begrijpt dat ik niet in de wieg ben gelegd als opvolger, denkt hij: ik zing op mijn manier de tijd wel uit zonder dat alle pannen op de boerderij ‘Rabobank, Rabobank’ klapperen.

Wel gaat hij van het melken met de hand over naar een melkmachine. Legt hij in het akkerland drainage aan om de grond droog te krijgen. En gebruikt hij kunstmest en krachtvoer om de productie te vergroten. De laatste jaren schakelt hij volledig over naar een melkveebedrijf en heeft geen aardappelen of bieten meer. Daar komen allerlei regelingen bij die het de boeren niet makkelijker maken: bijhouden van een mestboekhouding en melkquota. Europese regels en bureaucratie gaan een steeds grotere rol spelen.

Boekhouding

Nu is hij met geldzaken erg secuur. Op diezelfde zolder staat zijn volledige boekhouding, waarvoor het openluchtmuseum in Arnhem nog belangstelling heeft gehad, maar hij wil niet dat heel Nederland kan zien hoe hij geboerd heeft. Dus we hebben moeten beloven dat alle papieren na zijn dood in de versnipperraar zullen gaan.

Wat dat betreft heeft hij het allemaal meegemaakt – boeren die de spil van de samenleving zijn tot een sector die steeds meer ter discussie komt te staan. Als boer werkt hij keihard, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat, waar hij niet tegenop ziet, maar uiteindelijk wordt het hem fysiek te zwaar.

Het geloof

Het andere ankerpunt in zijn leven is de gereformeerde opvoeding, de ruggengraat van zijn leven. Godsdienst is in die tijd geen bijzaak, maar de basis van het bestaan, zeker in Drenthe. Het geeft structuur en houvast – bidden, Bijbellezen, kerkgang. Met een vast vertrouwen in God, waaraan door hem weinig woorden vuil worden gemaakt. Hij ervaart gewoon de beschermende hand van God en ziet het ook in zijn dagelijkse werk.

Hartklachten

Voordat de Berlijnse muur valt is mijn vader al gestopt met de boerderij. Hij renteniert dan al twee jaar. Maar het is uit bittere noodzaak en hij kan eerst maar moeilijk ‘loslaten’ wat hij het liefste doet. Op zijn 52ste krijgt hij zijn eerste hartklachten. Men vindt hem met zijn fiets langs de weg als hij last heeft van benauwdheid op de borst. Mijn vader heeft alle moderne ontwikkelingen qua hartchirurgie en medicatie aan den lijve meegemaakt. Van openhartoperatie met allerlei omleidingen tot dottertechnieken met het plaatsen van stens in zijn dichtslibbende aderen.

Hij is er 85 jaar mee geworden, maar dan is het lichaam ook écht op. Aan het einde moet hij steeds behandeld worden om vocht dat zich in zijn lichaam ophoopt af te drijven, en dat is hem fataal geworden.

Rentenieren in de moderne tijd

Maar de periode tussen stoppen met boeren en zijn dood geniet hij volop van het leven. Van het fietsen met zijn vrouw. Van het bezoeken van de kinderen. Van de kleinkinderen, die hem lief zijn. Hij ziet alles snel veranderen, van geen elektriciteit en machines in zijn jeugd, naar een tijd van auto’s, televisie en uiteindelijk zelfs computers. Ook de geldende waarden en normen veranderen, maar hij probeert altijd wel op zijn manier bij te blijven.

In de stromende regen hebben we hem op een julidag in 2011 begraven, maar als zijn kist in de aarde verdwijnt, gloort de zon boven de haag van de begraafplaats.