Blog

Hey, jubilaris

Al maanden hangen er in de kantine van het distributiecentrum ballonnen en vlaggetjes. Je moet ’s ochtends door een ereboog van rode en witte ballonnen naar je locker. Er hangen posters met een prijsvraag; cryptische omschrijvingen van Nederlandse artiesten. Wat is er aan de hand?

Al een eeuw lang is de winkelketen HEMA een vast onderdeel van ons straatbeeld én van het dagelijks leven van miljoenen mensen. Van schoolspullen tot rookworsten, van babyrompertjes tot fotoboeken: bijna iedereen heeft wel een herinnering aan de winkels.

100 jaar

Op 4 november 1926 opent H.E.M.A. (Hollandsche Eenheidsprijzen Maatschappij Amsterdam) de eerste winkel aan de Kalverstraat. Het idee achter de winkel is in die tijd vernieuwend: goede en praktische producten verkopen tegen betaalbare prijzen. Dat uitgangspunt blijkt een enorm succes. Al snel groeit HEMA uit tot een winkel waar gezinnen terechtkunnen voor vrijwel alles in het dagelijks leven.

Wie jarig is trakteert! In dit geval met een spetterend feest in de Ziggo Dome. ‘Een feest dat voor eeuwig in de boeken zal gaan.’ Alle medewerkers verzamelen zich op deze eerste Pinksterdag om half drie bij het distributiecentrum. Vandaar vertrekken we met bussen naar Amsterdam. De stemming is opperbest.

Waar andere winkels voortdurend veranderen of trends najagen, blijft HEMA herkenbaar. Dichtbij gewone mensen. Natuurlijk gaat het assortiment mee met de tijd, maar de sfeer blijft vertrouwd.

In de afgelopen honderd jaar heeft HEMA veel meegemaakt. De winkel overleeft economische crises, oorlogsjaren, veranderende winkelstraten en de opkomst van online winkelen. Er zijn ook moeilijke periodes waarin het bedrijf financieel onder druk staat en verschillende eigenaren elkaar opvolgen. Toch blijft HEMA overeind. Maar goed ook, want de winkelketen hoort bij Nederland, net als fietsen in de regen of koffiedrinken met een tompouce erbij. Het is een stukje cultureel erfgoed.

Ziggo Dome

Rondom de Ziggo Dome staat een file van bussen uit alle windstreken. Een kleurrijke massa wurmt zich een weg langs de foodtrucks waar we een drankje en een hapje kunnen nemen. Dj’s draaien een heftige beat. De zon schijnt volop. Tussen de geur van hamburgers en friet schuifelen we verder. Achter de schermen maken Flemming, Child of Destiny, André Hazes Jr. en andere artiesten – die nu nog geheim zijn – zich klaar voor hun optreden. Ik zit in Vak 109. Op zich wel lekker want dan hoef ik niet de hele avond te staan. Aan de andere kant ben je beperkt in je bewegingen.

De jubilaris stelt de ‘liefde voor het dagelijks leven’ centraal. Het bedrijf kijkt niet alleen terug op de geschiedenis, maar wil vooral vieren hoe belangrijk kleine dagelijkse momenten zijn. Daarom zijn er dit jaar speciale acties, jubileumproducten en campagnes opgezet. Ook is er een speciaal jubileumlied van Guus Meeuwis met de titel ‘We Leven Nu’. https://youtu.be/RGh32dpJVkU

Edsilia en Willeke

De optredens zijn onderverdeeld in de vier seizoenen en gelardeerd met bekende HEMA-producten. Tot mijn verrassing treden ook Edsilia Rombley en Willeke Alberti op. Ik zeg ‘HE’. Jij zegt ‘MA’. Hazes wordt op een platte kar door de zaal gereden. En natuurlijk sluit Guus Meeuwis met zijn band de avond af.

Het feest is een waardering voor alle medewerkers. Want wat velen niet weten, is hoeveel mensen dagelijks achter iedere gevulde winkel, achter iedere broodafdeling en achter iedere zorgvuldig ingepakte bestelling staan. Juist daarom is het mooi dat wij als collega’s dit jubileum samen vieren. En zonder uit de school te klappen: het is nog lang onrustig rond de Ziggo Dome…

 

Kroniek van een aangekondigde dood

Koningsdag, heel vroeg in de ochtend, een bijna lege A1 ter hoogte van Amersfoort. Mijn oog valt op een groot reclamebord, rood met witte letters. ‘Moed is soms durven stoppen met doorgaan’. Het moet een vingerwijzing zijn.

Ik ben op weg naar mijn zus die terminaal ziek is, ze heeft maanden van strijd en moeite achter de rug. Ze is op en kan niet meer. Vandaag wordt de palliatieve sedatie ingezet.

Het nare bericht

Zeven maanden geleden krijgt ze de dood aangezegd. Het nare bericht geeft de mogelijkheid om dingen tegen elkaar te zeggen. Er is tijd om fijne herinneringen te delen en nog nieuwe te maken.

De eerste keer na de onheilstijding spreken we over de dood. En wat er eventueel na komt. Mijn zus is ervan overtuigd dat ze op weg is naar haar hemelse Vader en dat dan de pijn achter de rug is. Dat is een troostrijke gedachte. ‘Maar ik vind het wel lastig om jullie achter te laten,’ geeft ze aan. Ook is ze duidelijk in wat ze wel en niet wil. ‘Je hoeft op mijn begrafenis geen lange speech te houden over mijn leven. Een gedichtje is ook mooi en genoeg.’

Degenen die me kennen weten waarom ze mij dat advies geeft, ik ben een verhalenverteller. Ik knoop het in mijn oren.

Anekdotes

Later die middag volgt de ene na de andere anekdote. Ik sla het op. Eentje zal ik met jullie delen. Ze is op het boerenerf aan het fietsen met haar buurmeisje. Door een rare manoeuvre komt ze met haar rode fietsje in de giersloot terecht. Het is wasdag. Mijn moeder kan alleen maar onbedaarlijk lachen als ze haar dochter volledig onder de drek uit de sloot ziet komen. Mijn oma heeft een betere reactie. ‘Ach meissie, kom maar gauw hier dan zal ik je schoonwassen.’

Nog eentje: we hebben thuis kippen. Elke week zaterdag slacht mijn moeder een kip. Ik heb dat vaak gezien. Als mijn zus met vriendinnen aan het spelen is, kom ik op een idee – wellicht om aandacht te trekken. Ik weet waar het mes ligt waarmee de kippen worden onthoofd. Ik pak het uit de keukenla, loop het hok binnen en probeer met veel moeite een van de kippen te vangen. Als dat me uiteindelijk gelukt, loop ik met kip en mes naar de meiden en jaag ze de stuipen op het lijf met mijn aankondiging dat ik deze kip voor ze ga slachten.

Gelukspoppetje

Op het familieweekend dat meteen geregeld is, krijgen we allemaal een gelukspoppetje dat door haar beste vriendin is gemaakt. Ik doe het poppetje aan de rits van mijn jas. Die heb ik deze afgelopen gure en intense wintermaanden gedragen. Zo is mijn lieve zus de hele tijd bij me. Als ik sta te klungelen om de rits dicht te krijgen, vragen mensen ernaar en dat geeft mij gelegenheid over haar en die vreselijke ziekte te vertellen.

De tijd die we nog samen hebben is kostbaar. Maar het is moeilijk om te zien wat de ziekte met haar doet, dat ondanks de medicatie de pijn er steeds doorheen breekt. Ik vind het dapper hoe ze ermee omgaat. Het is vreselijk moeilijk om los te moeten laten wat haar zo dierbaar is. ‘Ik ga naar een mooie plek,’ zegt ze, ‘maar jullie blijven hier achter.’ We proberen haar te troosten door te zeggen dat we elkaar zullen vasthouden.

Toespraak

Op de dag van haar begrafenis schijnt de zon volop. Het drapeert een warme gloed over een droevige gebeurtenis. In de Witte Kerk naast haar kist zeg ik tegen haar: ‘Je bent volop mijn zus en daar ben ik trots op. Je bent volop de dochter van mijn ouders en ze hebben daar volop van genoten. Je bent volop juf, dat is echt je roeping. Je bent volop een lieve echtgenote. Je mag volop moeder zijn en bovenal volop een trotse oma. Dat is voor mij mooi om te zien en mee te mogen maken. Je bent ook volop vriendin, buurvrouw en kerklid.

Dat doe je allemaal met je kenmerkende lach. Met volle inzet en enthousiasme. Daarom is het ook zo moeilijk om te zien dat door die lach tranen heen breken. Tranen van pijn, tranen van verdriet, tranen van de moeite die het je kost om los te laten, degenen waar je innig van houdt. Je bent nog zo jong en je hebt zo moedig gestreden. Lieve zus, shalom. Ik mis je volop.’

 

 

Alles heeft een ritme

‘Alles heeft een ritme’. Met dat refrein vertegenwoordigen vier jonge meiden Nederland op het Eurovisiesongfestival in het Noorse Bergen. Ze noemen zich Frizzle Sizzle. Het is inmiddels veertig jaar geleden – waar blijft de tijd?

Voor Noorwegen is het een bijzonder moment: voor het eerst mogen ze het festival organiseren. Dat is opvallend, want het land bungelt jarenlang onderaan de ranglijst. Zes keer eindigen de Noren als laatste, waarvan drie keer zelfs met nul punten. Maar dankzij de overwinning van Bobbysocks is die negatieve reeks eindelijk doorbroken.

Frizzle Sizzle

Frizzle Sizzle bestaat uit de zusjes Karin en Laura Vlasblom en hun vriendinnen Mandy Huydts en Marjon Keller. Ze zingen samen in het koor van Kinderen voor Kinderen, wat zo goed bevalt dat ze besluiten een eigen meidengroep te vormen. En dan gaat het snel: binnen enkele maanden staan ze op het Eurovisiepodium.

Wie hun optreden nu terugkijkt, ziet een registratie die weinig dynamiek heeft. Wat stijfjes en voorspelbaar in beeld gebracht. De Noorse regie lijkt het ritme niet echt te pakken te krijgen: totaalshots, afgewisseld met een shot van twee meiden, en daarna de andere twee weer in beeld. Inspiratieloos. Toegegeven: de choreografie van de meiden zelf is ook weinig uitdagend. https://youtu.be/TwdO6F6sRJs

Een groot feest

Achteraf zegt Laura Vlasblom dat ze vooral veel lol hebben gehad. Bergen was één groot feest en daar hebben ze volop van genoten. Het optreden zelf? Dat voelde voor haar minder soepel. Het is nog het tijdperk van het liveorkest, en volgens Laura ging het tempo nét iets te enthousiast. Dirigent Harry van Hoof zou het een tikje hebben opgejaagd. Als je het nummer met de oren van nu terugluistert, denk je: klopt, het mag wel een tandje sneller.

De show staat onder leiding van Åse Kleveland, zelf oud-deelneemster voor Noorwegen en twintig jaar eerder goed voor een derde plaats. Het decor roept de sfeer op van ruige Noorse fjorden. En het publiek zit rustig op hun stoel.

Niet vrij van gedoe

En ja, ook toen was het festival niet vrij van gedoe. Israël wil Oostenrijk eruit hebben vanwege het oorlogsverleden van president Kurt Waldheim. Dat gebeurt natuurlijk niet. Oostenrijk blijft gewoon meedoen en eindigt uiteindelijk zelfs nog boven Israël. Met één punt verschil. In Nederland gebeurt er ook iets opvallends: niet de NOS, maar de nieuwe tv-zender Veronica zendt het festival uit, met Leo van der Goot als commentator.

Voor Frizzle Sizzle loopt het uiteindelijk uit op een teleurstelling: ze eindigen als dertiende van de twintig deelnemers. Hun veertig punten komen vooral uit Duitsland, Israël, Turkije en Portugal. Meer zit er simpelweg niet in.

Sandra Kim

De overwinning gaat naar België, met de piepjonge Sandra Kim en haar ‘J’aime la vie’. Ze loopt al snel uit bij de puntentelling en eigenlijk weet je halverwege al hoe het gaat aflopen. Alle spanning is eruit. Achteraf blijkt dat ze niet vijftien, maar pas dertien jaar oud is. Zwitserland – dat tweede is geworden – dient nog een klacht in, maar de EBU laat de uitslag staan. Men gunt België de overwinning. Wel wordt daarna een minimumleeftijd van zestien jaar ingevoerd.

Puntentelling

Het geven van de punten verloopt soepel, mede dankzij Kleveland. Al is er één opvallend momentje: de Nederlandse jury in Hilversum maakt het haar niet makkelijk door in een hoog tempo de punten te vermelden. Alle Scandinavische landen krijgen eerst punten. Na de vijf voor IJsland, dat trouwens voor het eerst meedoet, verzucht de puntergever – ik denk Pim Jacobs te herkennen – dat Scandinavië nu wel genoeg punten heeft gekregen. Men kan er niet om lachen.

Een klein moment van ontregeling, maar ook een voorbode van latere, meer opvallende Nederlandse juryoptredens. Denk aan Paul de Leeuw en Emma Wortelboer, die het geven van punten later tot een eigen performance zullen verheffen. Zo merkt je: alles heeft een ritme. Zelfs het Eurovisiesongfestival.

Waarom herdenken wij?

Vandaag hangt de vlag halfstok. Het is Dodenherdenking. Morgen vieren we onze vrijheid. Twee dagen die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Ik ben, net als veel anderen, geboren in vredestijd. De Tweede Wereldoorlog ken ik uit verhalen, uit boeken en geschiedenislessen. En daar ben ik dankbaar voor. Blij dat ik geen app op mijn telefoon hoef te hebben die me waarschuwt voor een raket die onderweg is naar mijn woonplaats. Dat ik niet hoef te weten waar de dichtstbijzijnde schuilkelder is.

4 en 5 mei

Juist daarom betekenen 4 en 5 mei veel voor mij. Het zijn dagen van stilstaan bij, van denken aan. Dagen waarop bezinning, herinnering en reflectie centraal staan. Zeker in een wereld waarin oorlog dichterbij is dan lange tijd het geval was, is het belangrijk om stil te staan bij wat vrijheid eigenlijk betekent.

De Tweede Wereldoorlog ligt ver achter ons. Het aantal mensen dat deze periode zelf heeft meegemaakt, wordt steeds kleiner. Dat roept bij sommigen de vraag op: waarom blijven we herdenken?

Voor mij is het antwoord duidelijk. Herdenken blijft belangrijk, omdat vrijheid niet vanzelfsprekend is. Omdat mensen hun leven hebben gegeven voor de wereld waarin wij nu leven. Omdat er nog altijd mensen zijn die, ook vandaag, hun leven riskeren voor vrijheid en democratie.

Vrijheid is kwetsbaar. Het wordt nog elke dag bevochten, ergens in de wereld. Misschien voelt dat ver weg. Misschien is het niet ‘onze’ oorlog. Maar de vrijheid waarin wij leven, is daar wel direct mee verbonden.

Op 4 mei staan we stil bij de slachtoffers van oorlog en geweld. Niet alleen van de Tweede Wereldoorlog, maar ook van conflicten daarna. We doen dat in stilte. Twee waardevolle minuten lang.

Solidariteit

Het is een moment van collectieve reflectie. Maar het is ook een moment van solidariteit. Met mensen die vandaag de dag leven in oorlog, in angst, in ontmenselijking. Herdenken verbindt ons – met het verleden, maar ook met het heden.

Juist nu is het belangrijk dat we de oorlogsverhalen blijven vertellen en doorgeven van generatie op generatie. Want de ooggetuigen worden steeds schaarser. Initiatieven die hun verhalen vastleggen en delen, zijn onmisbaar om die herinneringen levend te houden. Persoonlijk te houden.

Vanavond, tijdens die twee minuten stilte, komt misschien een ongemakkelijke vraag naar boven: wat zou ik zelf hebben gedaan? Maar nog belangrijker is de vraag: wat kan ik nu doen? Want herdenken is niet alleen terugkijken. Het is ook een aansporing. Om alert te blijven. Om op te staan tegen onrecht.

En misschien maakt dat ook het vieren van morgen anders, als de vlag weer in top hangt. Bewuster. Intenser. En vieren we de vrijheid als iets waardevols, als iets om te koesteren. Samen.

 

Muziek als medicijn

Het is nacht, ik kan niet slapen. Voorzichtig kruip ik uit de hoogslaper. Ik probeer mijn huisgenoot niet wakker te maken. De deur van de slaapkamer werkt niet mee. Krakend doe ik hem dicht. Mijn hoofd zit vol, ik kan wel blijven liggen piekeren, maar dat helpt niet. Beter mijn muziek opzetten waarmee ik orde kan scheppen in de chaos. Waarmee ik af kan reageren. Even alles los kan laten.

Simple Minds

In de huiskamer sluit ik mijn koptelefoon aan op de stereo-installatie. In het lichtschijnsel dat door het grote raam valt zoek ik de elpee van de Simple Minds. Ik leg hem op de speler. Hou de naald boven de groef en haal de hendel over om hem langzaam in het zwarte vinyl te laten zakken. Voordat ik de volumeknop omhoog draai, check ik voor de zekerheid of de koptelefoon goed is aangesloten. Je wilt niet dat je huisgenoot plotseling achter je staat.

Al in mijn studententijd ontdek ik dat muziek helend of troostend kan zijn. En ‘Once up on a time’ leent zich daar uitstekend voor. Het liefst zou ik hardop mee willen brullen maar de nachtelijke situatie laat het niet toe.

‘Still I hear you, yes still you speak to me tonight

You say then how come out of love, is all this cruelty arising?’

Prima muziek als je er even doorheen zit. Iedereen heeft wel bepaalde muziek of een speciaal liedje dat je draait als je niet lekker in je vel zit. Als de relatie op scherp staat. Als het op het werk niet goed gaat of je het gevoel hebt dat je opgebrand bent.

Houvast

Je zoekt dan naar muziek die een bepaald houvast geeft waarin je je helemaal mag verliezen. Waarbij de tranen rijkelijk vloeien. Het is beter dat je de emoties niet wegdrukt of wegslikt. In zo’n situatie is het fijn als je muziek luistert waar je helemaal stuk op gaat. Laat het maar even gebeuren. Laat het maar even zo zijn.

‘What you gonna do when things go wrong?

What you gonna do when it all cracks up?’

Deze tekst ligt me na aan het hart, dit beurt me op.

Ik hoor de klik van de platenspeler. Eerst denk ik dat de deur opengaat… Ik draai de plaat om en zet de volumeknop nog een tikje hoger. Met het risico dat er tonen de kamer in lekken.

Afreageren

Je kan niet altijd een blij ei zijn. Je moet soms ongelooflijk afreageren. Ik ben blij dat ik heb ontdekt dat er muziek is die je kracht en hoop geeft. En dat die collectie steeds groeit. Je rijpt eigenlijk met de popmuziek mee. Je hebt je favoriete nummers en artiesten. Hun muziek maakt een belangrijk deel uit van jouw identiteit. Muziek uit je jonge jaren heeft je gevormd. Favoriete muziek bepaalde wie je toen was, en het liefst nog steeds wilt zijn. Muziek van toen verklaart nu nog waarom je dingen doet zoals je ze doet.

Ik zet nogmaals ‘Alive and kicking’ op.

‘Who is gonna come and turn the tide?

What’s it gonna take to make a dream survive?

Who’s got the touch to calm the storm inside?

Don’t say goodbye, don’t say goodbye.

In the final seconds who’s gonna save you?’

https://youtu.be/ljIQo1OHkTI?list=RDljIQo1OHkTI

Ik krijg er een kick van. Ik voel het in mijn lijf. Pijnlijke gedachten verdrijf ik door mee te swingen op de muziek. Mijn blote voeten glijden over de houten vloer.

Soms moet je bij een dipje even op de rem trappen en nadenken wat is er aan de hand? Voel ik me nog wel oké en wat zou ik willen veranderen? Even bewust bij dingen stil gaan staan. Als je je kut voelt kan je hiermee overeind blijven. Bewuster zijn van de zin van het leven en waar je het allemaal uiteindelijk voor doet. Beseffen wat belangrijk is, waar je nu staat.

Ik sluit mijn ogen en luister intens. ‘Someone, somewhere.’

Professionele hulp

Het oké is om muziek in te schakelen als het niet goed gaat. Muziek te gebruiken als medicijn. Ook heb ik geleerd hoe belangrijk het is om erover te praten en als het erg lastig is zelfs de hulp van een psycholoog in te schakelen. Dat je even kunt spiegelen met iemand die daar verstand van heeft, zodat je beter kunt navigeren in het labyrint dat het leven is. Beter om met iemand te praten die buiten je leven staat; vrienden, familie staan soms te dichtbij. Maar een hulpverlener staat los van je leven en diegene kijkt heel anders naar jou en daarom is het erg fijn om met een professional te praten. Als je op een punt komt waarin het even niet goed met jezelf gaat is het goed om je leven, je relatie met jezelf en anderen onder de loep te nemen.

Ik doe de elpee van de Simple Minds weer in de hoes en zet hem terug tussen de andere platen. Ik droog de tranen van mijn gezicht en drink in de keuken nog wat water, voordat ik gelouterd door Jim Kerr en zijn maten voorzichtig weer mijn plekje in de hoogslaper opzoek.

De eeuw van mijn vader

Mijn vader leeft het grootste deel in de vorige eeuw. Nog een decennium van het nieuwe millennium heeft hij meegemaakt. Hij is geboren op 19 april 1926, in het Drentse Bovensmilde, als zoon van een boer. Zijn wereld is klein, overzichtelijk en hard tegelijk: een gezin waarin iedereen moet meewerken. Als jongen leert hij al vroeg wat verantwoordelijkheid betekent. Voor dag en dauw opstaan, koeien melken met de hand, helpen op het land. Kind zijn en werken lopen naadloos in elkaar over.

De oorlog

Het is de tijd tussen de beide wereldoorlogen: het interbellum. Als kind maakt hij de Grote Depressie mee. Het leven is sober, kent weinig luxe. Omdat ze op een boerderij wonen valt het voor hem nog mee, denk ik, omdat ze zelfvoorzienend zijn.

Veertien jaar oud is hij als de Duitsers Nederland binnenvallen, een onzekere tijd. Ook daarbij is de boerderij een zegen en een risico. Er is voedsel, maar er zijn ook vorderingen door de Duitsers, en de voortdurende dreiging van razzia’s. Ik weet dat de varkens verborgen worden gehouden in een hok onder het hooi.

Na de oorlog krijgt hij een oproep voor militaire dienst. Mijn vader behoort tot de lichting die naar Nederlands-Indië moet. Maar daar is hij nooit geweest. Op zolder staat wel zijn dienstkist – erg spannend voor mij als kind – met daarin het lesboekje Maleis. Bij een inenting voor vertrek gaat het mis, een aantal jongens zijn overleden en mijn vader krijgt een hersenvliesontsteking. Daarmee blijft hem het leed van de politionele acties bespaard. Wel wordt hij zeven keer voor herhaling opgeroepen en dient hij in het leger als foerier. Mijn opa is daar niet erg blij mee, want het is altijd in de maanden dat het druk is op het land met het binnenhalen van de oogst.

Wederopbouw

In de tijd van de wederopbouw leert hij mijn moeder kennen op een van de christelijke toogdagen. Volgens mij met Pinksteren in Leeuwarden, dus ver van huis. Ze hebben zeven jaar verkering, want er moet gespaard worden om de boerderij over te kunnen nemen. Mijn moeder zegt over mijn vader nadat hij op zijn fiets wegrijdt, terwijl ze het rode achterlichtje in de verte ziet verdwijnen: ‘Dit is mijn man, die laat ik niet meer gaan.’

Dat is geen verkeerde keus van haar, denk ik. Want daarmee is ze verzekerd van een goede, trouwe vent, die alles voor haar over heeft.

Schuurbrand

Tegenslag is er als de schuur die achter de boerderij staat op een avond in vlammen opgaat. Bij toeval kom ik in de krant nog een advertentie tegen waarin de familie bedankt voor de bewezen hulp tijdens de brand. Het drama is dat de ochtend na de ramp mijn opa tijdens het melken in de handen van mijn vader sterft aan een hartstilstand.

Het huwelijk is gezegend met twee kinderen. Een meisje en later ook nog een jongen. Tussen ons zit een ‘hemelmeisje’. Niet dat daar in onze kindertijd of later over is gesproken.

De eeuw van mijn vader kenmerkt zich door een boerenleven dat snel verandert. Tijdens de maanlanding en de dreiging van een kernoorlog werkt mijn vader (en moeder ook) stug door. Er zijn twee ankers in hun leven: de boerenbedrijf en het geloof.

Mechanisatie

Wat de boerderij betreft krijgt hij te maken met de mechanisatie. Van paard en wagen naar tractor. De landbouw gaat van handmatig naar steeds meer gebruik van machines. Maar mijn vader is zijn hele werkzame leven een paardenboer, dat is zijn lust en zijn leven. Natuurlijk maakt hij in zijn bedrijf wel gebruikt van de moderne middelen, maar hij schaft ze zelf niet aan. Dat soort grote investeringen doet hij niet. Ook gaat hij niet mee in met name de wil van overheid en banken om alsmaar groter te groeien. Als hij eenmaal begrijpt dat ik niet in de wieg ben gelegd als opvolger, denkt hij: ik zing op mijn manier de tijd wel uit zonder dat alle pannen op de boerderij ‘Rabobank, Rabobank’ klapperen.

Wel gaat hij van het melken met de hand over naar een melkmachine. Legt hij in het akkerland drainage aan om de grond droog te krijgen. En gebruikt hij kunstmest en krachtvoer om de productie te vergroten. De laatste jaren schakelt hij volledig over naar een melkveebedrijf en heeft geen aardappelen of bieten meer. Daar komen allerlei regelingen bij die het de boeren niet makkelijker maken: bijhouden van een mestboekhouding en melkquota. Europese regels en bureaucratie gaan een steeds grotere rol spelen.

Boekhouding

Nu is hij met geldzaken erg secuur. Op diezelfde zolder staat zijn volledige boekhouding, waarvoor het openluchtmuseum in Arnhem nog belangstelling heeft gehad, maar hij wil niet dat heel Nederland kan zien hoe hij geboerd heeft. Dus we hebben moeten beloven dat alle papieren na zijn dood in de versnipperraar zullen gaan.

Wat dat betreft heeft hij het allemaal meegemaakt – boeren die de spil van de samenleving zijn tot een sector die steeds meer ter discussie komt te staan. Als boer werkt hij keihard, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat, waar hij niet tegenop ziet, maar uiteindelijk wordt het hem fysiek te zwaar.

Het geloof

Het andere ankerpunt in zijn leven is de gereformeerde opvoeding, de ruggengraat van zijn leven. Godsdienst is in die tijd geen bijzaak, maar de basis van het bestaan, zeker in Drenthe. Het geeft structuur en houvast – bidden, Bijbellezen, kerkgang. Met een vast vertrouwen in God, waaraan door hem weinig woorden vuil worden gemaakt. Hij ervaart gewoon de beschermende hand van God en ziet het ook in zijn dagelijkse werk.

Hartklachten

Voordat de Berlijnse muur valt is mijn vader al gestopt met de boerderij. Hij renteniert dan al twee jaar. Maar het is uit bittere noodzaak en hij kan eerst maar moeilijk ‘loslaten’ wat hij het liefste doet. Op zijn 52ste krijgt hij zijn eerste hartklachten. Men vindt hem met zijn fiets langs de weg als hij last heeft van benauwdheid op de borst. Mijn vader heeft alle moderne ontwikkelingen qua hartchirurgie en medicatie aan den lijve meegemaakt. Van openhartoperatie met allerlei omleidingen tot dottertechnieken met het plaatsen van stens in zijn dichtslibbende aderen.

Hij is er 85 jaar mee geworden, maar dan is het lichaam ook écht op. Aan het einde moet hij steeds behandeld worden om vocht dat zich in zijn lichaam ophoopt af te drijven, en dat is hem fataal geworden.

Rentenieren in de moderne tijd

Maar de periode tussen stoppen met boeren en zijn dood geniet hij volop van het leven. Van het fietsen met zijn vrouw. Van het bezoeken van de kinderen. Van de kleinkinderen, die hem lief zijn. Hij ziet alles snel veranderen, van geen elektriciteit en machines in zijn jeugd, naar een tijd van auto’s, televisie en uiteindelijk zelfs computers. Ook de geldende waarden en normen veranderen, maar hij probeert altijd wel op zijn manier bij te blijven.

In de stromende regen hebben we hem op een julidag in 2011 begraven, maar als zijn kist in de aarde verdwijnt, gloort de zon boven de haag van de begraafplaats.

Stookhok, wastobbe en wringer

Wassen is tegenwoordig een stuk eenvoudiger geworden. Een kind kan bijna de was doen. Je verzamelt het vuile goed, scheidt bont en wit, wol en katoen, en met een druk op de juiste knoppen van de wasmachine gaat de rest vanzelf. Als je een keer iets roods of zwarts – dat afgeeft als de neten – tussen het wasgoed heb gedaan, leer je je lesje wel. Of je moet bewust een tijdje met roze of grauwe T-shirts rond willen lopen.

Wasdag

In mijn jeugd is de was doen voor mijn moeder van een heel andere orde. We spreken over de tijd dat de maandag nog de traditionele wasdag is. Naast de boerderij staat een stookhok. Dit bijgebouwtje is haar domein waarin zij uren doorbrengt met het doen van de was, het wecken van groenten en fruit. Sommigen bakken in het stookhok ook brood, maar dat heb ik mijn moeder nooit zien doen. Met oudjaar bakt ze er wel de oliebollen.

Voor ze met de was begint, zet ze een grote ketel op de gasbrander voor de kookwas. Waarschijnlijk heeft ze de meest smerige kleding al een nacht in de week gezet. Daarna boent ze het wasgoed op een wasbord, boven de wastobben. Misschien gebruikt ze nog groene zeep – ik weet het niet eens zeker. Vervolgens moet al dat natte goed worden uitgewrongen met een wringer: een apparaat met twee rollen die tegen elkaar in draaien. Aan de ene kant staat een tobbe met natte was, aan de andere een tobbe voor het uitgewrongen goed. Je leidt het wasgoed tussen de rollen door om het overvloedige water eruit te persen.

Als ik me, uit verveling, in haar buurt ophoud, mag ik soms de hendel bedienen. Mijn moeder kijkt met argusogen toe of ik het laken wel goed ondersteun om te voorkomen dat het op de vieze, waterige grond terechtkomt waardoor al het wassen voor niks is geweest. Dus vaak zal ik haar niet geholpen hebben.

Waslijn

Bij mooi weer hangt ze alles aan de waslijn langs de schuur – merkwaardig genoeg boven een slootje waarin gier stroomt. Een loslatende knijper of een windvlaag kan rampzalige gevolgen hebben. Om te voorkomen dat de was over gras, grond of gier sleept, wordt de lijn met stokken omhoog gehouden. Het is een vrolijk gezicht: meterslange rijen wapperend wasgoed – blauwe overalls, wit ondergoed, broeken, truien en jurken. In de winter hangt alles op houten rekken rondom de kolenkachel. Het geeft de huiskamer een frisse geur.

Zo’n wasdag is intensief werk. Ik moet er niet aan denken om daar de hele dag mee bezig te zijn, om vervolgens de dag erna alles nog te moeten strijken en opvouwen. Ook dat strijken gebeurt zonder elektriciteit. Op de kachel verwarmt mijn moeder een zwaar strijkijzer. Voor stoom gebruikt ze een natte theedoek. Alleen al bij de gedachte krijg ik het warm. Strijken is sowieso nooit mijn hobby geworden.

Wasmachine

Tegenwoordig is de was geen ambacht meer. Sorteren, inladen, programma kiezen en – na het piepje dat de was klaar is – ophangen aan een rekje over de slaapkamerdeur. In tweeënhalf uur is alles gedaan.

Des te groter is de teleurstelling als mijn wasmachine met een plof de geest geeft. Maar mijn zwager heeft een simpele oplossing: online bestellen bij Coolblue. De volgende dag wordt er een nieuwe gebracht, de oude nemen ze direct mee. Ze draaien zelfs een eerste was en geven een korte uitleg. En die oude machine – nog eentje met zo’n blok beton ter stabilisatie onderin – dragen ze voor je zes trappen naar beneden. Wat een gemak!

Stookhok

Daarom denk ik met bewondering terug aan mijn moeder met die berg wasgoed in dat stookhok. Hoe blij moet ze zijn geweest als ze haar eerste volautomatische wasmachine krijgt, nadat mijn oma naar een bejaardenwoning gaat en wij naar de boerderij verhuizen.

Het stookhok is daarna afgebroken. Maar in mijn herinnering blijft het bestaan. Als kind speel ik vaak in het voorste gedeelte dat van mijn oma is. Er hangt altijd een typische geur, waarschijnlijk van turfrook die in zo’n kleine ruimte blijft hangen. Ik speel er schippertje. Door het raam kijk ik uit over de wijk waaraan wij wonen. In mijn verbeelding verandert het hok in een schip met oma’s deel als stuurhut. Uren kan ik me daar vermaken. Behalve op maandag, want dan is het stookhok strikt verboden terrein.

Tweede Paasdag 1976

Sommige dagen verdwijnen geruisloos uit je geheugen. Andere nestelen zich, zonder dat je het doorhebt, diep vanbinnen. Tweede Paasdag 1976 is zo’n dag. Het begint als een dag vol verplichtingen – mijn vader ziet vandaag Abraham – maar krijgt een wending die ik nooit meer ben vergeten.

Als je in het voorjaar jarig bent, ontkom je er bijna niet aan: ooit valt je verjaardag samen met Pasen. Mijn vader, geboren op 19 april 1926, maakt dat in zijn leven zes keer mee.

Een huis vol

In 1976 ben ik veertien en zit in die onhandige fase waarin verjaardagen hun magie een beetje verliezen. Je weet wat er gaat komen: veel visite, volle kamers en vaste patronen. Mijn ouders komen allebei uit grote gezinnen – vooral aan moeders kant – dus dat betekent een huis vol.

Zoals altijd wordt de woonruimte verbouwd. Meubels verschoven, planten verplaatst. De vrouwen in een kring in de keuken, de mannen in de ‘mooie kamer’. Het hoort erbij, maar eerlijk gezegd: het is niet iets waar ik naar uitkijk.

En het is zo’n stralende lentedag die je naar buiten lokt. Warm, licht, levendig. Absoluut geen dag om binnen te zitten en handen te schudden.

Jongere broertje

De twee beste vriendinnen van mijn oudere zus zijn er ook. Terwijl de dag zich ontvouwt, begint er bij hen iets te borrelen. Het idee ontstaat om eropuit te gaan. Even weg van de drukte, weg van het verplichte verjaardagsritueel.

Ik wil dolgraag mee. Maar ja… je bent het jongere broertje. Je wilt je niet opdringen. Tegelijk hoop je dat iemand zegt: ‘Ga je mee?’ Die innerlijke strijd voelt groot, al gaat het eigenlijk om iets kleins.

Paasbest

Ik ben die dag op mijn paasbest. Een week eerder ben ik met mijn moeder naar Assen geweest voor nieuwe kleren. En het is me gelukt: mijn eerste Levi’s 501. Mijn moeder vindt het maar niets. ‘Dat is toch geen nette broek,’ klaagt ze, maar voor mij betekent deze eerste spijkerbroek alles. Ik voel me onoverwinnelijk. Ik ben zo trots als een pauw. Daarbij draag ik een jeanshemd en… Zweedse klompen. Achteraf gezien: verschrikkelijk. Log, lomp en ze maken me alleen maar slungeliger. Maar goed, het is de tijdgeest.

Giethoorn

Na het middageten vindt er overleg plaats – misschien wat gemopper, misschien visite die zich afvraagt waarom gaan de kinderen weg? En uiteindelijk het verlossende woord: Ik mag mee.

We gaan naar Giethoorn. Voor mij is het de eerste keer. We huren een bootje en varen door de smalle grachten. Onder bruggetjes door, tegenliggers ontwijkend, het open water op. Het voelt als vrijheid. Als avontuur. Als ontsnappen aan alles wat die dag zo vast leek te liggen.

De temperatuur op het water loopt op tot zo’n 19 graden. Als ik ’s avonds mijn jeanshemd uittrek, zie ik precies waar de zon mijn huid heeft geraakt. De opgestroopte mouwen hebben hun sporen achtergelaten.

Herinneringen

De laatste tijd halen we samen vaker herinneringen op aan vroeger. En dit is er zo één die bij mij is blijven hangen. Niet alleen vanwege die onverwachte perfecte dag, maar ook vanwege mijn zus. Zij heeft, misschien zonder het te weten, mijn wereld een stukje groter gemaakt.

Ik wil mezelf in die tijd niet omschrijven als een echte ‘einzelgänger’, maar een oudere zus hebben heeft zo zijn voordelen. Door haar komen er mogelijkheden op mijn pad. Ze laat me zien dat er meer is dan de wereld van de boerderij en middelbare school.

Het oudste kind is vaak een beetje de pionier. De proefversie, zeg maar. Ouders leren al doende, maken fouten, passen aan. Tegen de tijd dat de volgende komt, is er vaak meer ruimte, meer soepelheid. Mijn zus heeft dat pad als het ware voor me geplaveid.

We hebben nooit echt competitie gehad. Onze levens zijn te verschillend. Maar ik kan wel van haar leren. Zonder dat ze ooit een tweede moeder is – gelukkig maar, één is meer dan genoeg.

En nu, terugkijkend, kan ik het gewoon zeggen: Ik ben trots dat zij mijn zus is. Ze heeft bijgedragen aan wie ik ben geworden. En daar ben ik haar dankbaar voor.

Lentestart

Ondanks de stapelweken – hoe meer handdoeken, koffie of ondergoed, hoe goedkoper – is het opvallend rustig op het distributiecentrum. Een zeldzaam voordeel: ik mag uitslapen en hoef pas om tien uur in Utrecht te zijn.

Zangvogels

Vanochtend ben ik gewekt door het dageraadkoor. Nog voor de zon opkomt, beginnen de mannelijke zangvogels al met hun vrolijke concert. Ik ben geen vogelkenner, dus of het merels, mezen of mussen zijn, laat ik in het midden. Ik zou er een app voor kunnen installeren, maar soms is luisteren genoeg. Gewoon even aandacht voor iets wat niets kost en toch waardevol is.

Terwijl ik lig te luisteren, vraag ik me af wat ze elkaar eigenlijk toeroepen. Het heeft natuurlijk alles met voortplanting te maken: laten horen dat je er nog bent, je territorium afbakenen, indruk maken. En de vroege ochtend helpt daarbij – geluid draagt verder, voordat het overstemd wordt door verkeersdrukte en het geroezemoes van de dag.

Roeiers

Het is de eerste lentedag. Alsof de natuur dat ’s nachts heeft afgesproken, lijken de bomen ineens in bloei te staan wanneer ik in de auto stap. De lage ochtendzon schijnt beminnelijk. In het Hilversums Kanaal zijn de roeiers van Tromp al actief. Skiffs snijden door het water, felgekleurde outfits lichten op in geel, groen en roze. Het ziet er moeiteloos uit. De coach in de motorboot moet toch zichtbaar zijn best doen om ze bij te houden.

Even verderop ligt een roeister stil, haar paddels rusten op het water. Even pauze. Misschien vermoeid, misschien genietend van het moment. Sommige roeiers waren waarschijnlijk ook al vroeg op, want die zijn in volle vaart op de terugweg naar het roeihonk, wellicht verlangend naar een sportdrankje of een bakje koffie.

Badgasten

Bij de Loosdrechtse Plassen staan mensen in vrolijke badjassen bij elkaar. De sombere winterkleuren lijken verdwenen. Of de zwemmers net uit het koude water komen of nog moed verzamelen voor een duik, blijft onduidelijk. Het water zal hoe dan ook nog guur zijn.

Het verkeer schiet niet op. Voor me rijdt een vrachtwagen met een grote boot op de oplegger, die bij elk stoplicht moeite heeft om op gang te komen. Zal het motorjacht vandaag te water gaan? Automobilisten worden ongeduldig en zoeken een mogelijkheid om in te halen. Bij de rotonde krijg ik die kans ook.

Overal duiken gele narcissen op in de berm. Elk jaar lijken het er meer. Minder vrolijk is een dode egel op het asfalt. Dit beestje heeft de lente niet gehaald.

In het riet ligt al tijden een roestig casco. Het ‘te koop’-bord is vervangen door een doek met daarop het gezicht van de partijleider van FvD. Omdat het waarschijnlijk een uitdaging is om bij de oude boot te komen, is er nog geen snorretje getekend onder haar neus. De gemeenteraadsverkiezingen zijn voorbij, maar hoe lang het doek blijft hangen, is de vraag.

Printer

Helemaal zen kom ik aan op het distributiecentrum. De intekenlijst voor flexwerkers is ultrakort. Pick & Pack draait vandaag alleen op de vaste krachten. Ik begin met het controleren van lege locaties, maar de start is moeizaam: de printer weigert dienst. Lade vier, meldt het scherm.

Mijn chef duikt er meteen op, op zijn knieën, prutsend aan een vastgelopen vel papier dat er stukje bij beetje uitkomt. Klep dicht en opnieuw proberen, maar weer draait een vel zich in het apparaat vast. Ik houd me op de achtergrond, maar denk: zit er niet gewoon te veel papier in de lade?

Na een paar mislukte pogingen geeft mijn chef het op. Even later komt hij terug met vier geprinte velletjes. ‘Andere printer,’ zegt hij droog. Met wat vertraging kan het werk op deze eerste lentedag eindelijk beginnen.

 

Speuren in de ruimte

Bestaat er buitenaards leven?

De eerste keer dat ik ze zie – tijdens een fietstocht op een rustige zondagmiddag –  maken ze een enorme indruk. De veertien grote ijzeren schotels op een rijtje in het heidelandschap. In de volksmond worden de parabolische antennes op het voormalige terrein van Kamp Westerbork, de ‘radiosterrenwacht’ genoemd. Wat deze radiotelescopen precies doen is voor mij als alfamens moeilijke materie. Maar één gedachte blijft me bezighouden: luisteren ze hier misschien ook naar signalen van buitenaardse beschavingen?

Een telescoop is een instrument waarmee verre objecten kunnen worden waargenomen. Astronomen gebruiken ze om verschijnselen buiten de atmosfeer van de aarde te bestuderen: sterren, sterrenstelsels, planeten, nevels, supernova’s en zelfs zwarte gaten.

Lijstje

Vroeger, als ik me tijdens een lange preek verveel, maak ik in gedachten een lijstje van waar ik woon. Het begint eenvoudig: Grietmanswijk, Bovensmilde, Drenthe, Nederland, de Benelux, Noord-Europa, het westelijk halfrond en de aarde. Daarna wordt het lastig. Het heelal? De kosmos? Het universum? En waar past de Melkweg precies in dat rijtje? Kortom: verder kom ik nooit. Ik verzuip letterlijk in de ruimte.

De radiotelescoop bij Westerbork is het geesteskind van de Leidse astronoom Jan Hendrik Oort. In 1970 zijn de veertien radioschotels, elk met een diameter van 25 meter, officieel in gebruik gesteld. In de jaren zeventig en tachtig komen astronomen van over de hele wereld naar Drenthe om met dit topinstrument baanbrekend onderzoek te doen.

Het heelal bestuderen

Door de signalen van de schotelantennes met elkaar te combineren, kunnen astronomen het heelal zeer nauwkeurig bestuderen. Het nadeel is dat het beeldveld klein blijft. Het is een beetje alsof je je omgeving moet leren kennen terwijl je alleen door een drinkrietje kijkt. Dat werkt prima voor kleine objecten, maar het kost enorm veel tijd als je grote delen van de sterrenhemel in kaart wilt brengen.

Het observatorium van Westerbork is ruim vijftig jaar lang de trots van de Nederlandse radiosterrenkunde. Maar de technologie staat natuurlijk niet stil. Inmiddels zijn er elders in de wereld grotere en modernere observatoria gebouwd. Tegenwoordig staat een groot deel van de telescopen in Westerbork op non-actief. Nog maar twee gemoderniseerde schotels zijn intensief in gebruik.

Buitenaards leven

En dan terug naar mijn vraag van die zondagmiddag. Speuren ze in Westerbork ook naar buitenaards leven? Het antwoord is: ja. Onderzoeksinstituut Astron, de beheerder van de telescopen, neemt deel aan internationale projecten die zoeken naar mogelijke signalen van buitenaardse technologie. Met speciale instrumenten wordt voortdurend geluisterd naar radiosignalen uit de ruimte. Mochten ergens in het universum intelligente wezens – bewust of onbewust – een signaal onze kant op sturen, dan bestaat de kans dat ze dat in Drenthe opvangen. Stel je voor dat zo’n signaal van een andere planeet ooit wordt gevonden. Dat zou toch een ontdekking zijn.