Waarom herdenken wij?

Vandaag hangt de vlag halfstok. Het is Dodenherdenking. Morgen vieren we onze vrijheid. Twee dagen die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Ik ben, net als veel anderen, geboren in vredestijd. De Tweede Wereldoorlog ken ik uit verhalen, uit boeken en geschiedenislessen. En daar ben ik dankbaar voor. Blij dat ik geen app op mijn telefoon hoef te hebben die me waarschuwt voor een raket die onderweg is naar mijn woonplaats. Dat ik niet hoef te weten waar de dichtstbijzijnde schuilkelder is.

4 en 5 mei

Juist daarom betekenen 4 en 5 mei veel voor mij. Het zijn dagen van stilstaan bij, van denken aan. Dagen waarop bezinning, herinnering en reflectie centraal staan. Zeker in een wereld waarin oorlog dichterbij is dan lange tijd het geval was, is het belangrijk om stil te staan bij wat vrijheid eigenlijk betekent.

De Tweede Wereldoorlog ligt ver achter ons. Het aantal mensen dat deze periode zelf heeft meegemaakt, wordt steeds kleiner. Dat roept bij sommigen de vraag op: waarom blijven we herdenken?

Voor mij is het antwoord duidelijk. Herdenken blijft belangrijk, omdat vrijheid niet vanzelfsprekend is. Omdat mensen hun leven hebben gegeven voor de wereld waarin wij nu leven. Omdat er nog altijd mensen zijn die, ook vandaag, hun leven riskeren voor vrijheid en democratie.

Vrijheid is kwetsbaar. Het wordt nog elke dag bevochten, ergens in de wereld. Misschien voelt dat ver weg. Misschien is het niet ‘onze’ oorlog. Maar de vrijheid waarin wij leven, is daar wel direct mee verbonden.

Op 4 mei staan we stil bij de slachtoffers van oorlog en geweld. Niet alleen van de Tweede Wereldoorlog, maar ook van conflicten daarna. We doen dat in stilte. Twee waardevolle minuten lang.

Solidariteit

Het is een moment van collectieve reflectie. Maar het is ook een moment van solidariteit. Met mensen die vandaag de dag leven in oorlog, in angst, in ontmenselijking. Herdenken verbindt ons – met het verleden, maar ook met het heden.

Juist nu is het belangrijk dat we de oorlogsverhalen blijven vertellen en doorgeven van generatie op generatie. Want de ooggetuigen worden steeds schaarser. Initiatieven die hun verhalen vastleggen en delen, zijn onmisbaar om die herinneringen levend te houden. Persoonlijk te houden.

Vanavond, tijdens die twee minuten stilte, komt misschien een ongemakkelijke vraag naar boven: wat zou ik zelf hebben gedaan? Maar nog belangrijker is de vraag: wat kan ik nu doen? Want herdenken is niet alleen terugkijken. Het is ook een aansporing. Om alert te blijven. Om op te staan tegen onrecht.

En misschien maakt dat ook het vieren van morgen anders, als de vlag weer in top hangt. Bewuster. Intenser. En vieren we de vrijheid als iets waardevols, als iets om te koesteren. Samen.

 

Muziek als medicijn

Het is nacht, ik kan niet slapen. Voorzichtig kruip ik uit de hoogslaper. Ik probeer mijn huisgenoot niet wakker te maken. De deur van de slaapkamer werkt niet mee. Krakend doe ik hem dicht. Mijn hoofd zit vol, ik kan wel blijven liggen piekeren, maar dat helpt niet. Beter mijn muziek opzetten waarmee ik orde kan scheppen in de chaos. Waarmee ik af kan reageren. Even alles los kan laten.

Simple Minds

In de huiskamer sluit ik mijn koptelefoon aan op de stereo-installatie. In het lichtschijnsel dat door het grote raam valt zoek ik de elpee van de Simple Minds. Ik leg hem op de speler. Hou de naald boven de groef en haal de hendel over om hem langzaam in het zwarte vinyl te laten zakken. Voordat ik de volumeknop omhoog draai, check ik voor de zekerheid of de koptelefoon goed is aangesloten. Je wilt niet dat je huisgenoot plotseling achter je staat.

Al in mijn studententijd ontdek ik dat muziek helend of troostend kan zijn. En ‘Once up on a time’ leent zich daar uitstekend voor. Het liefst zou ik hardop mee willen brullen maar de nachtelijke situatie laat het niet toe.

‘Still I hear you, yes still you speak to me tonight

You say then how come out of love, is all this cruelty arising?’

Prima muziek als je er even doorheen zit. Iedereen heeft wel bepaalde muziek of een speciaal liedje dat je draait als je niet lekker in je vel zit. Als de relatie op scherp staat. Als het op het werk niet goed gaat of je het gevoel hebt dat je opgebrand bent.

Houvast

Je zoekt dan naar muziek die een bepaald houvast geeft waarin je je helemaal mag verliezen. Waarbij de tranen rijkelijk vloeien. Het is beter dat je de emoties niet wegdrukt of wegslikt. In zo’n situatie is het fijn als je muziek luistert waar je helemaal stuk op gaat. Laat het maar even gebeuren. Laat het maar even zo zijn.

‘What you gonna do when things go wrong?

What you gonna do when it all cracks up?’

Deze tekst ligt me na aan het hart, dit beurt me op.

Ik hoor de klik van de platenspeler. Eerst denk ik dat de deur opengaat… Ik draai de plaat om en zet de volumeknop nog een tikje hoger. Met het risico dat er tonen de kamer in lekken.

Afreageren

Je kan niet altijd een blij ei zijn. Je moet soms ongelooflijk afreageren. Ik ben blij dat ik heb ontdekt dat er muziek is die je kracht en hoop geeft. En dat die collectie steeds groeit. Je rijpt eigenlijk met de popmuziek mee. Je hebt je favoriete nummers en artiesten. Hun muziek maakt een belangrijk deel uit van jouw identiteit. Muziek uit je jonge jaren heeft je gevormd. Favoriete muziek bepaalde wie je toen was, en het liefst nog steeds wilt zijn. Muziek van toen verklaart nu nog waarom je dingen doet zoals je ze doet.

Ik zet nogmaals ‘Alive and kicking’ op.

‘Who is gonna come and turn the tide?

What’s it gonna take to make a dream survive?

Who’s got the touch to calm the storm inside?

Don’t say goodbye, don’t say goodbye.

In the final seconds who’s gonna save you?’

https://youtu.be/ljIQo1OHkTI?list=RDljIQo1OHkTI

Ik krijg er een kick van. Ik voel het in mijn lijf. Pijnlijke gedachten verdrijf ik door mee te swingen op de muziek. Mijn blote voeten glijden over de houten vloer.

Soms moet je bij een dipje even op de rem trappen en nadenken wat is er aan de hand? Voel ik me nog wel oké en wat zou ik willen veranderen? Even bewust bij dingen stil gaan staan. Als je je kut voelt kan je hiermee overeind blijven. Bewuster zijn van de zin van het leven en waar je het allemaal uiteindelijk voor doet. Beseffen wat belangrijk is, waar je nu staat.

Ik sluit mijn ogen en luister intens. ‘Someone, somewhere.’

Professionele hulp

Het oké is om muziek in te schakelen als het niet goed gaat. Muziek te gebruiken als medicijn. Ook heb ik geleerd hoe belangrijk het is om erover te praten en als het erg lastig is zelfs de hulp van een psycholoog in te schakelen. Dat je even kunt spiegelen met iemand die daar verstand van heeft, zodat je beter kunt navigeren in het labyrint dat het leven is. Beter om met iemand te praten die buiten je leven staat; vrienden, familie staan soms te dichtbij. Maar een hulpverlener staat los van je leven en diegene kijkt heel anders naar jou en daarom is het erg fijn om met een professional te praten. Als je op een punt komt waarin het even niet goed met jezelf gaat is het goed om je leven, je relatie met jezelf en anderen onder de loep te nemen.

Ik doe de elpee van de Simple Minds weer in de hoes en zet hem terug tussen de andere platen. Ik droog de tranen van mijn gezicht en drink in de keuken nog wat water, voordat ik gelouterd door Jim Kerr en zijn maten voorzichtig weer mijn plekje in de hoogslaper opzoek.

De eeuw van mijn vader

Mijn vader leeft het grootste deel in de vorige eeuw. Nog een decennium van het nieuwe millennium heeft hij meegemaakt. Hij is geboren op 19 april 1926, in het Drentse Bovensmilde, als zoon van een boer. Zijn wereld is klein, overzichtelijk en hard tegelijk: een gezin waarin iedereen moet meewerken. Als jongen leert hij al vroeg wat verantwoordelijkheid betekent. Voor dag en dauw opstaan, koeien melken met de hand, helpen op het land. Kind zijn en werken lopen naadloos in elkaar over.

De oorlog

Het is de tijd tussen de beide wereldoorlogen: het interbellum. Als kind maakt hij de Grote Depressie mee. Het leven is sober, kent weinig luxe. Omdat ze op een boerderij wonen valt het voor hem nog mee, denk ik, omdat ze zelfvoorzienend zijn.

Veertien jaar oud is hij als de Duitsers Nederland binnenvallen, een onzekere tijd. Ook daarbij is de boerderij een zegen en een risico. Er is voedsel, maar er zijn ook vorderingen door de Duitsers, en de voortdurende dreiging van razzia’s. Ik weet dat de varkens verborgen worden gehouden in een hok onder het hooi.

Na de oorlog krijgt hij een oproep voor militaire dienst. Mijn vader behoort tot de lichting die naar Nederlands-Indië moet. Maar daar is hij nooit geweest. Op zolder staat wel zijn dienstkist – erg spannend voor mij als kind – met daarin het lesboekje Maleis. Bij een inenting voor vertrek gaat het mis, een aantal jongens zijn overleden en mijn vader krijgt een hersenvliesontsteking. Daarmee blijft hem het leed van de politionele acties bespaard. Wel wordt hij zeven keer voor herhaling opgeroepen en dient hij in het leger als foerier. Mijn opa is daar niet erg blij mee, want het is altijd in de maanden dat het druk is op het land met het binnenhalen van de oogst.

Wederopbouw

In de tijd van de wederopbouw leert hij mijn moeder kennen op een van de christelijke toogdagen. Volgens mij met Pinksteren in Leeuwarden, dus ver van huis. Ze hebben zeven jaar verkering, want er moet gespaard worden om de boerderij over te kunnen nemen. Mijn moeder zegt over mijn vader nadat hij op zijn fiets wegrijdt, terwijl ze het rode achterlichtje in de verte ziet verdwijnen: ‘Dit is mijn man, die laat ik niet meer gaan.’

Dat is geen verkeerde keus van haar, denk ik. Want daarmee is ze verzekerd van een goede, trouwe vent, die alles voor haar over heeft.

Schuurbrand

Tegenslag is er als de schuur die achter de boerderij staat op een avond in vlammen opgaat. Bij toeval kom ik in de krant nog een advertentie tegen waarin de familie bedankt voor de bewezen hulp tijdens de brand. Het drama is dat de ochtend na de ramp mijn opa tijdens het melken in de handen van mijn vader sterft aan een hartstilstand.

Het huwelijk is gezegend met twee kinderen. Een meisje en later ook nog een jongen. Tussen ons zit een ‘hemelmeisje’. Niet dat daar in onze kindertijd of later over is gesproken.

De eeuw van mijn vader kenmerkt zich door een boerenleven dat snel verandert. Tijdens de maanlanding en de dreiging van een kernoorlog werkt mijn vader (en moeder ook) stug door. Er zijn twee ankers in hun leven: de boerenbedrijf en het geloof.

Mechanisatie

Wat de boerderij betreft krijgt hij te maken met de mechanisatie. Van paard en wagen naar tractor. De landbouw gaat van handmatig naar steeds meer gebruik van machines. Maar mijn vader is zijn hele werkzame leven een paardenboer, dat is zijn lust en zijn leven. Natuurlijk maakt hij in zijn bedrijf wel gebruikt van de moderne middelen, maar hij schaft ze zelf niet aan. Dat soort grote investeringen doet hij niet. Ook gaat hij niet mee in met name de wil van overheid en banken om alsmaar groter te groeien. Als hij eenmaal begrijpt dat ik niet in de wieg ben gelegd als opvolger, denkt hij: ik zing op mijn manier de tijd wel uit zonder dat alle pannen op de boerderij ‘Rabobank, Rabobank’ klapperen.

Wel gaat hij van het melken met de hand over naar een melkmachine. Legt hij in het akkerland drainage aan om de grond droog te krijgen. En gebruikt hij kunstmest en krachtvoer om de productie te vergroten. De laatste jaren schakelt hij volledig over naar een melkveebedrijf en heeft geen aardappelen of bieten meer. Daar komen allerlei regelingen bij die het de boeren niet makkelijker maken: bijhouden van een mestboekhouding en melkquota. Europese regels en bureaucratie gaan een steeds grotere rol spelen.

Boekhouding

Nu is hij met geldzaken erg secuur. Op diezelfde zolder staat zijn volledige boekhouding, waarvoor het openluchtmuseum in Arnhem nog belangstelling heeft gehad, maar hij wil niet dat heel Nederland kan zien hoe hij geboerd heeft. Dus we hebben moeten beloven dat alle papieren na zijn dood in de versnipperraar zullen gaan.

Wat dat betreft heeft hij het allemaal meegemaakt – boeren die de spil van de samenleving zijn tot een sector die steeds meer ter discussie komt te staan. Als boer werkt hij keihard, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat, waar hij niet tegenop ziet, maar uiteindelijk wordt het hem fysiek te zwaar.

Het geloof

Het andere ankerpunt in zijn leven is de gereformeerde opvoeding, de ruggengraat van zijn leven. Godsdienst is in die tijd geen bijzaak, maar de basis van het bestaan, zeker in Drenthe. Het geeft structuur en houvast – bidden, Bijbellezen, kerkgang. Met een vast vertrouwen in God, waaraan door hem weinig woorden vuil worden gemaakt. Hij ervaart gewoon de beschermende hand van God en ziet het ook in zijn dagelijkse werk.

Hartklachten

Voordat de Berlijnse muur valt is mijn vader al gestopt met de boerderij. Hij renteniert dan al twee jaar. Maar het is uit bittere noodzaak en hij kan eerst maar moeilijk ‘loslaten’ wat hij het liefste doet. Op zijn 52ste krijgt hij zijn eerste hartklachten. Men vindt hem met zijn fiets langs de weg als hij last heeft van benauwdheid op de borst. Mijn vader heeft alle moderne ontwikkelingen qua hartchirurgie en medicatie aan den lijve meegemaakt. Van openhartoperatie met allerlei omleidingen tot dottertechnieken met het plaatsen van stens in zijn dichtslibbende aderen.

Hij is er 85 jaar mee geworden, maar dan is het lichaam ook écht op. Aan het einde moet hij steeds behandeld worden om vocht dat zich in zijn lichaam ophoopt af te drijven, en dat is hem fataal geworden.

Rentenieren in de moderne tijd

Maar de periode tussen stoppen met boeren en zijn dood geniet hij volop van het leven. Van het fietsen met zijn vrouw. Van het bezoeken van de kinderen. Van de kleinkinderen, die hem lief zijn. Hij ziet alles snel veranderen, van geen elektriciteit en machines in zijn jeugd, naar een tijd van auto’s, televisie en uiteindelijk zelfs computers. Ook de geldende waarden en normen veranderen, maar hij probeert altijd wel op zijn manier bij te blijven.

In de stromende regen hebben we hem op een julidag in 2011 begraven, maar als zijn kist in de aarde verdwijnt, gloort de zon boven de haag van de begraafplaats.

Stookhok, wastobbe en wringer

Wassen is tegenwoordig een stuk eenvoudiger geworden. Een kind kan bijna de was doen. Je verzamelt het vuile goed, scheidt bont en wit, wol en katoen, en met een druk op de juiste knoppen van de wasmachine gaat de rest vanzelf. Als je een keer iets roods of zwarts – dat afgeeft als de neten – tussen het wasgoed heb gedaan, leer je je lesje wel. Of je moet bewust een tijdje met roze of grauwe T-shirts rond willen lopen.

Wasdag

In mijn jeugd is de was doen voor mijn moeder van een heel andere orde. We spreken over de tijd dat de maandag nog de traditionele wasdag is. Naast de boerderij staat een stookhok. Dit bijgebouwtje is haar domein waarin zij uren doorbrengt met het doen van de was, het wecken van groenten en fruit. Sommigen bakken in het stookhok ook brood, maar dat heb ik mijn moeder nooit zien doen. Met oudjaar bakt ze er wel de oliebollen.

Voor ze met de was begint, zet ze een grote ketel op de gasbrander voor de kookwas. Waarschijnlijk heeft ze de meest smerige kleding al een nacht in de week gezet. Daarna boent ze het wasgoed op een wasbord, boven de wastobben. Misschien gebruikt ze nog groene zeep – ik weet het niet eens zeker. Vervolgens moet al dat natte goed worden uitgewrongen met een wringer: een apparaat met twee rollen die tegen elkaar in draaien. Aan de ene kant staat een tobbe met natte was, aan de andere een tobbe voor het uitgewrongen goed. Je leidt het wasgoed tussen de rollen door om het overvloedige water eruit te persen.

Als ik me, uit verveling, in haar buurt ophoud, mag ik soms de hendel bedienen. Mijn moeder kijkt met argusogen toe of ik het laken wel goed ondersteun om te voorkomen dat het op de vieze, waterige grond terechtkomt waardoor al het wassen voor niks is geweest. Dus vaak zal ik haar niet geholpen hebben.

Waslijn

Bij mooi weer hangt ze alles aan de waslijn langs de schuur – merkwaardig genoeg boven een slootje waarin gier stroomt. Een loslatende knijper of een windvlaag kan rampzalige gevolgen hebben. Om te voorkomen dat de was over gras, grond of gier sleept, wordt de lijn met stokken omhoog gehouden. Het is een vrolijk gezicht: meterslange rijen wapperend wasgoed – blauwe overalls, wit ondergoed, broeken, truien en jurken. In de winter hangt alles op houten rekken rondom de kolenkachel. Het geeft de huiskamer een frisse geur.

Zo’n wasdag is intensief werk. Ik moet er niet aan denken om daar de hele dag mee bezig te zijn, om vervolgens de dag erna alles nog te moeten strijken en opvouwen. Ook dat strijken gebeurt zonder elektriciteit. Op de kachel verwarmt mijn moeder een zwaar strijkijzer. Voor stoom gebruikt ze een natte theedoek. Alleen al bij de gedachte krijg ik het warm. Strijken is sowieso nooit mijn hobby geworden.

Wasmachine

Tegenwoordig is de was geen ambacht meer. Sorteren, inladen, programma kiezen en – na het piepje dat de was klaar is – ophangen aan een rekje over de slaapkamerdeur. In tweeënhalf uur is alles gedaan.

Des te groter is de teleurstelling als mijn wasmachine met een plof de geest geeft. Maar mijn zwager heeft een simpele oplossing: online bestellen bij Coolblue. De volgende dag wordt er een nieuwe gebracht, de oude nemen ze direct mee. Ze draaien zelfs een eerste was en geven een korte uitleg. En die oude machine – nog eentje met zo’n blok beton ter stabilisatie onderin – dragen ze voor je zes trappen naar beneden. Wat een gemak!

Stookhok

Daarom denk ik met bewondering terug aan mijn moeder met die berg wasgoed in dat stookhok. Hoe blij moet ze zijn geweest als ze haar eerste volautomatische wasmachine krijgt, nadat mijn oma naar een bejaardenwoning gaat en wij naar de boerderij verhuizen.

Het stookhok is daarna afgebroken. Maar in mijn herinnering blijft het bestaan. Als kind speel ik vaak in het voorste gedeelte dat van mijn oma is. Er hangt altijd een typische geur, waarschijnlijk van turfrook die in zo’n kleine ruimte blijft hangen. Ik speel er schippertje. Door het raam kijk ik uit over de wijk waaraan wij wonen. In mijn verbeelding verandert het hok in een schip met oma’s deel als stuurhut. Uren kan ik me daar vermaken. Behalve op maandag, want dan is het stookhok strikt verboden terrein.

Tweede Paasdag 1976

Sommige dagen verdwijnen geruisloos uit je geheugen. Andere nestelen zich, zonder dat je het doorhebt, diep vanbinnen. Tweede Paasdag 1976 is zo’n dag. Het begint als een dag vol verplichtingen – mijn vader ziet vandaag Abraham – maar krijgt een wending die ik nooit meer ben vergeten.

Als je in het voorjaar jarig bent, ontkom je er bijna niet aan: ooit valt je verjaardag samen met Pasen. Mijn vader, geboren op 19 april 1926, maakt dat in zijn leven zes keer mee.

Een huis vol

In 1976 ben ik veertien en zit in die onhandige fase waarin verjaardagen hun magie een beetje verliezen. Je weet wat er gaat komen: veel visite, volle kamers en vaste patronen. Mijn ouders komen allebei uit grote gezinnen – vooral aan moeders kant – dus dat betekent een huis vol.

Zoals altijd wordt de woonruimte verbouwd. Meubels verschoven, planten verplaatst. De vrouwen in een kring in de keuken, de mannen in de ‘mooie kamer’. Het hoort erbij, maar eerlijk gezegd: het is niet iets waar ik naar uitkijk.

En het is zo’n stralende lentedag die je naar buiten lokt. Warm, licht, levendig. Absoluut geen dag om binnen te zitten en handen te schudden.

Jongere broertje

De twee beste vriendinnen van mijn oudere zus zijn er ook. Terwijl de dag zich ontvouwt, begint er bij hen iets te borrelen. Het idee ontstaat om eropuit te gaan. Even weg van de drukte, weg van het verplichte verjaardagsritueel.

Ik wil dolgraag mee. Maar ja… je bent het jongere broertje. Je wilt je niet opdringen. Tegelijk hoop je dat iemand zegt: ‘Ga je mee?’ Die innerlijke strijd voelt groot, al gaat het eigenlijk om iets kleins.

Paasbest

Ik ben die dag op mijn paasbest. Een week eerder ben ik met mijn moeder naar Assen geweest voor nieuwe kleren. En het is me gelukt: mijn eerste Levi’s 501. Mijn moeder vindt het maar niets. ‘Dat is toch geen nette broek,’ klaagt ze, maar voor mij betekent deze eerste spijkerbroek alles. Ik voel me onoverwinnelijk. Ik ben zo trots als een pauw. Daarbij draag ik een jeanshemd en… Zweedse klompen. Achteraf gezien: verschrikkelijk. Log, lomp en ze maken me alleen maar slungeliger. Maar goed, het is de tijdgeest.

Giethoorn

Na het middageten vindt er overleg plaats – misschien wat gemopper, misschien visite die zich afvraagt waarom gaan de kinderen weg? En uiteindelijk het verlossende woord: Ik mag mee.

We gaan naar Giethoorn. Voor mij is het de eerste keer. We huren een bootje en varen door de smalle grachten. Onder bruggetjes door, tegenliggers ontwijkend, het open water op. Het voelt als vrijheid. Als avontuur. Als ontsnappen aan alles wat die dag zo vast leek te liggen.

De temperatuur op het water loopt op tot zo’n 19 graden. Als ik ’s avonds mijn jeanshemd uittrek, zie ik precies waar de zon mijn huid heeft geraakt. De opgestroopte mouwen hebben hun sporen achtergelaten.

Herinneringen

De laatste tijd halen we samen vaker herinneringen op aan vroeger. En dit is er zo één die bij mij is blijven hangen. Niet alleen vanwege die onverwachte perfecte dag, maar ook vanwege mijn zus. Zij heeft, misschien zonder het te weten, mijn wereld een stukje groter gemaakt.

Ik wil mezelf in die tijd niet omschrijven als een echte ‘einzelgänger’, maar een oudere zus hebben heeft zo zijn voordelen. Door haar komen er mogelijkheden op mijn pad. Ze laat me zien dat er meer is dan de wereld van de boerderij en middelbare school.

Het oudste kind is vaak een beetje de pionier. De proefversie, zeg maar. Ouders leren al doende, maken fouten, passen aan. Tegen de tijd dat de volgende komt, is er vaak meer ruimte, meer soepelheid. Mijn zus heeft dat pad als het ware voor me geplaveid.

We hebben nooit echt competitie gehad. Onze levens zijn te verschillend. Maar ik kan wel van haar leren. Zonder dat ze ooit een tweede moeder is – gelukkig maar, één is meer dan genoeg.

En nu, terugkijkend, kan ik het gewoon zeggen: Ik ben trots dat zij mijn zus is. Ze heeft bijgedragen aan wie ik ben geworden. En daar ben ik haar dankbaar voor.

Lentestart

Ondanks de stapelweken – hoe meer handdoeken, koffie of ondergoed, hoe goedkoper – is het opvallend rustig op het distributiecentrum. Een zeldzaam voordeel: ik mag uitslapen en hoef pas om tien uur in Utrecht te zijn.

Zangvogels

Vanochtend ben ik gewekt door het dageraadkoor. Nog voor de zon opkomt, beginnen de mannelijke zangvogels al met hun vrolijke concert. Ik ben geen vogelkenner, dus of het merels, mezen of mussen zijn, laat ik in het midden. Ik zou er een app voor kunnen installeren, maar soms is luisteren genoeg. Gewoon even aandacht voor iets wat niets kost en toch waardevol is.

Terwijl ik lig te luisteren, vraag ik me af wat ze elkaar eigenlijk toeroepen. Het heeft natuurlijk alles met voortplanting te maken: laten horen dat je er nog bent, je territorium afbakenen, indruk maken. En de vroege ochtend helpt daarbij – geluid draagt verder, voordat het overstemd wordt door verkeersdrukte en het geroezemoes van de dag.

Roeiers

Het is de eerste lentedag. Alsof de natuur dat ’s nachts heeft afgesproken, lijken de bomen ineens in bloei te staan wanneer ik in de auto stap. De lage ochtendzon schijnt beminnelijk. In het Hilversums Kanaal zijn de roeiers van Tromp al actief. Skiffs snijden door het water, felgekleurde outfits lichten op in geel, groen en roze. Het ziet er moeiteloos uit. De coach in de motorboot moet toch zichtbaar zijn best doen om ze bij te houden.

Even verderop ligt een roeister stil, haar paddels rusten op het water. Even pauze. Misschien vermoeid, misschien genietend van het moment. Sommige roeiers waren waarschijnlijk ook al vroeg op, want die zijn in volle vaart op de terugweg naar het roeihonk, wellicht verlangend naar een sportdrankje of een bakje koffie.

Badgasten

Bij de Loosdrechtse Plassen staan mensen in vrolijke badjassen bij elkaar. De sombere winterkleuren lijken verdwenen. Of de zwemmers net uit het koude water komen of nog moed verzamelen voor een duik, blijft onduidelijk. Het water zal hoe dan ook nog guur zijn.

Het verkeer schiet niet op. Voor me rijdt een vrachtwagen met een grote boot op de oplegger, die bij elk stoplicht moeite heeft om op gang te komen. Zal het motorjacht vandaag te water gaan? Automobilisten worden ongeduldig en zoeken een mogelijkheid om in te halen. Bij de rotonde krijg ik die kans ook.

Overal duiken gele narcissen op in de berm. Elk jaar lijken het er meer. Minder vrolijk is een dode egel op het asfalt. Dit beestje heeft de lente niet gehaald.

In het riet ligt al tijden een roestig casco. Het ‘te koop’-bord is vervangen door een doek met daarop het gezicht van de partijleider van FvD. Omdat het waarschijnlijk een uitdaging is om bij de oude boot te komen, is er nog geen snorretje getekend onder haar neus. De gemeenteraadsverkiezingen zijn voorbij, maar hoe lang het doek blijft hangen, is de vraag.

Printer

Helemaal zen kom ik aan op het distributiecentrum. De intekenlijst voor flexwerkers is ultrakort. Pick & Pack draait vandaag alleen op de vaste krachten. Ik begin met het controleren van lege locaties, maar de start is moeizaam: de printer weigert dienst. Lade vier, meldt het scherm.

Mijn chef duikt er meteen op, op zijn knieën, prutsend aan een vastgelopen vel papier dat er stukje bij beetje uitkomt. Klep dicht en opnieuw proberen, maar weer draait een vel zich in het apparaat vast. Ik houd me op de achtergrond, maar denk: zit er niet gewoon te veel papier in de lade?

Na een paar mislukte pogingen geeft mijn chef het op. Even later komt hij terug met vier geprinte velletjes. ‘Andere printer,’ zegt hij droog. Met wat vertraging kan het werk op deze eerste lentedag eindelijk beginnen.

 

Speuren in de ruimte

Bestaat er buitenaards leven?

De eerste keer dat ik ze zie – tijdens een fietstocht op een rustige zondagmiddag –  maken ze een enorme indruk. De veertien grote ijzeren schotels op een rijtje in het heidelandschap. In de volksmond worden de parabolische antennes op het voormalige terrein van Kamp Westerbork, de ‘radiosterrenwacht’ genoemd. Wat deze radiotelescopen precies doen is voor mij als alfamens moeilijke materie. Maar één gedachte blijft me bezighouden: luisteren ze hier misschien ook naar signalen van buitenaardse beschavingen?

Een telescoop is een instrument waarmee verre objecten kunnen worden waargenomen. Astronomen gebruiken ze om verschijnselen buiten de atmosfeer van de aarde te bestuderen: sterren, sterrenstelsels, planeten, nevels, supernova’s en zelfs zwarte gaten.

Lijstje

Vroeger, als ik me tijdens een lange preek verveel, maak ik in gedachten een lijstje van waar ik woon. Het begint eenvoudig: Grietmanswijk, Bovensmilde, Drenthe, Nederland, de Benelux, Noord-Europa, het westelijk halfrond en de aarde. Daarna wordt het lastig. Het heelal? De kosmos? Het universum? En waar past de Melkweg precies in dat rijtje? Kortom: verder kom ik nooit. Ik verzuip letterlijk in de ruimte.

De radiotelescoop bij Westerbork is het geesteskind van de Leidse astronoom Jan Hendrik Oort. In 1970 zijn de veertien radioschotels, elk met een diameter van 25 meter, officieel in gebruik gesteld. In de jaren zeventig en tachtig komen astronomen van over de hele wereld naar Drenthe om met dit topinstrument baanbrekend onderzoek te doen.

Het heelal bestuderen

Door de signalen van de schotelantennes met elkaar te combineren, kunnen astronomen het heelal zeer nauwkeurig bestuderen. Het nadeel is dat het beeldveld klein blijft. Het is een beetje alsof je je omgeving moet leren kennen terwijl je alleen door een drinkrietje kijkt. Dat werkt prima voor kleine objecten, maar het kost enorm veel tijd als je grote delen van de sterrenhemel in kaart wilt brengen.

Het observatorium van Westerbork is ruim vijftig jaar lang de trots van de Nederlandse radiosterrenkunde. Maar de technologie staat natuurlijk niet stil. Inmiddels zijn er elders in de wereld grotere en modernere observatoria gebouwd. Tegenwoordig staat een groot deel van de telescopen in Westerbork op non-actief. Nog maar twee gemoderniseerde schotels zijn intensief in gebruik.

Buitenaards leven

En dan terug naar mijn vraag van die zondagmiddag. Speuren ze in Westerbork ook naar buitenaards leven? Het antwoord is: ja. Onderzoeksinstituut Astron, de beheerder van de telescopen, neemt deel aan internationale projecten die zoeken naar mogelijke signalen van buitenaardse technologie. Met speciale instrumenten wordt voortdurend geluisterd naar radiosignalen uit de ruimte. Mochten ergens in het universum intelligente wezens – bewust of onbewust – een signaal onze kant op sturen, dan bestaat de kans dat ze dat in Drenthe opvangen. Stel je voor dat zo’n signaal van een andere planeet ooit wordt gevonden. Dat zou toch een ontdekking zijn.

 

Servicebeurt met bliepjes

Als ze bellen schrik je toch. Is er alweer een jaar voorbij? ‘Hyundai Wittenberg, we willen graag een afspraak maken voor groot onderhoud van uw auto. Het is druk, wat ons betreft kan het over anderhalve maand.’ We prikken een datum. ‘Hebt u een leenauto nodig?’ ‘Nee, ik werk dan thuis.’

Raming

Ik rij de auto op de afgesproken dag naar de garage. Ze hebben al een raming gemaakt van de kosten en wat er moet gebeuren: vervangen van pollen- en interieurfilter, remvloeistof, motorolie, ruitensproeiervloeistof, etc. Waarschijnlijk 426 euro. Of ik even wil tekenen onderaan bij het kruisje. ‘Als er iets is dan bellen we u. Ik pak even uw elektrische fiets.’ ‘Oh, heb je ook een gewone, dat vind ik fijner.’

Terwijl ik op een leenfiets naar huis rij, moet ik aan de vorige servicebeurt denken, toen ging het bedrag drie keer over de kop, omdat onder andere de banden vervangen moesten worden. Nu blijft het de hele dag rustig.

Leenauto

Om vier uur bellen ze. Ik denk: mooi mijn auto is klaar. Maar nee, hij staat nog op de brug. ‘We zien dat de achterrem is verkleurd en vastzit. We krijgen hem niet klaar. Mag de auto hier tot morgen blijven staan?’ ‘Nee, want ik heb hem morgenvroeg nodig om op tijd op mijn werk te zijn.’ ‘Als u de fiets terugbrengt, zet ik een leenauto voor u klaar.’ ‘Zijn daar extra kosten aan verbonden?’ ‘Nee, het is onze fout dat de planning verkeerd loopt.’

Ik ruil het ene vervoersmiddel voor het andere om. ‘We bellen u morgen over de bijkomende kosten.’ Ik geef aan dat ik moeilijk bereikbaar ben, omdat we op het werk geen telefoon mee mogen nemen op de vloer. ‘Spreek maar in en ik bel jullie terug in de pauze.’

Continu bliepjes

In een gloednieuwe Hyundai i10 – net duizend kilometer op de teller – ga ik de volgende dag naar Utrecht. Er zit nog geen krasje op en dat wil ik graag zo houden. Een luxe uitvoerig, met allerlei technische snufjes. Volledig digitaal dashboard, ziet er fancy uit.

Maar ik ben nog geen minuut onderweg en wat denk je? Bliepjes! De godganse tijd! Blijf midden op de weg! Nieuwe snelheidszone! Je mag hier geen 54! Ogen op de weg! Handen aan het stuur! Het lijkt de highcareafdeling van een ziekenhuis wel. Hoe irritant! Als ik van rijbaan verander zonder mijn knipperlicht te gebruiken, voel ik een ruk aan het stuur. Pardon, een interventie?! Kan dat ook uit? Mijn eigen auto piept alleen als ik de gordel niet om heb of als het vriest. Is dit echt veiliger? Ik word continu afgeleid, kijk steeds op het scherm wat de aard van de melding is. Ik gun mezelf geen tijd om uit te zoeken of ik die alarmen ook kan uitzetten.

In de eerste pauze zie ik dat ik al ben gebeld. ‘Sorry, we hebben nog iets gevonden. Uw koppeling is versleten en lekt olie. We moeten de bak helemaal openhalen. Daar zijn we wel even mee bezig. Misschien een vervolgafspraak?’ Ik bel de servicedesk terug. Ze geven opnieuw een raming van de extra kosten. Of je een emmer leeggooit. Ik zeg dat ik er even over na wil denken. ‘Dat is prima, want we kunnen dat toch niet vandaag repareren, maar u moet niet te lang wachten.’

Superauto

’s Avonds rij ik terug in de superauto vol met camera’s, radartoepassingen en lasers. Is dit de voorloper van de zelfrijdende auto? Ik moet er erg aan wennen. Alsof mij alle controle uit handen is genomen. Door de vele bliepjes verliest zo’n waarschuwing zijn urgentie. Ik probeer netjes binnen de lijnen te blijven, niet te hard te rijden, en afstand te houden van mijn voorliggers. De irritante piepjes probeer ik niet als kritiek of als urgente waarschuwing te beschouwen, maar als hulp.

Om kwart over vijf lever ik de nieuwe auto weer in. ‘Je hebt me natuurlijk wel lekker gemaakt met zo’n spiksplinternieuwe i10, maar oh al die bliepjes, gek word je ervan!’ Ik reken de eerste schade af en beloof zo snel mogelijk uitsluitsel over de koppeling te geven. ‘Als u stilstaat langs de weg…’ probeert de deskmedewerker nog. Ik knik en toets de pincode in.

‘Bent u tevreden over de service?’ vraagt hij terwijl hij mij de rekening geeft. O ja, die vreselijke klanttevredenheidsenquête. ‘Ik weet de dril, graag een tien geven. Zal ik doen, want ik wil niet dat jullie billenkoek krijgen van het hoofdkantoor.’ Hij moet lachen. Ik stap in mijn oudje en denk wat heeft zo’n peiling voor zin als je niet echt je mening mag geven? Gisteren hoorde ik terecht een vrouw zeggen: “Ik geef nooit hoger dan een acht, dus ik bepaal zelf wel wat het me waard is.”

Zonder hinderlijke bliepjes rij ik naar huis.

 

Geen goed idee

Onverwachts een dag vrij. Een ongekende luxe. Ik probeer langer te blijven liggen, maar wie eenmaal in het vroege ritme zit, krijgt zijn lichaam niet meer overtuigd. Dus toch maar op tijd aan het ontbijt. Krantje, archief bijwerken, wasje draaien. Dat soort huisvlijt.

Jan Toorop

Ik lees over de tentoonstelling van Jan Toorop in Laren. Misschien een mooi uitje voor vandaag. Op de website van het museum kijk ik naar tijdsloten. Pas om 15.00 uur zijn er nog kaarten beschikbaar. Dat had een signaal kunnen zijn. Toch reserveer ik.

Ruim op tijd rijd ik richting Laren. Ik wil ook nog langs die leuke kleine boekhandel. Na het viaduct van de A1 moet ik mezelf tot de orde roepen: maximumsnelheid. Daar staat een flitspaal die eerder al aan mijn portemonnee heeft gerammeld.

Op de Brink linksaf bij het stoplicht. Dat duurt altijd lang. Net de bocht om staat er een vuilniswagen pontificaal midden op straat. Blauwe-bakken-dag. De chauffeur dirigeert vriendelijk het verkeer zodat ik erlangs kan. Ik steek mijn hand op.

Parkeren

Bij Singer staan de auto’s in de rij voor de parkeerplaats. Toch sluit ik aan; het is nu eenmaal de handigste locatie. Ik beland in een soort carrousel die eindigt zonder prijs: geen plek vrij.

Dan maar de kleine straatjes in. Laren is een doolhof van heggen en eenrichtingsverkeer. Voor me een zee van rode achterlichten. Wat nu weer? De vuilniswagen is óók deze straat ingereden. Hier kan niemand passeren. Dus wachten.

Ik zoek op mijn telefoon naar alternatieve parkeerplekken. Verwijzing naar een zorginstelling van Amaris. Uiteraard hebben meer mensen dat idee gehad. Weer zo’n fuik waar je nauwelijks uitkomt. Geen enkele parkeerruimte meer beschikbaar. Fijn dat ik zo vroeg van huis ben vertrokken.

Misschien dan toch de Brink zelf? Als iedereen die vermijdt, is daar vast ruimte. Niet dus. Inmiddels tikt de klok richting mijn tijdslot en zit ik nog steeds in de auto. Het begint zachtjes te regenen. Natuurlijk.

Ik sla rechtsaf om de volgende stoplichtfile te vermijden. Weer een straatje. Kruip-door-sluip-door. Zie ik daar een plekje? Een bordje waarschuwt dat (brom)fietsers moeten afstappen, maar het is echt een parkeerplaats. Parkeerschijf op twee uur. Al vrees ik dat ik inmiddels buiten de blauwe zone zit.

Uitstappen. Bril? Portemonnee? Ja. Doorstappen. Ik denk een slimme route te nemen, hopend niet in een doodlopende straat te eindigen. Uiteindelijk kom ik weer uit op de Naarderstraat en loop richting Singer. Het regent zachtjes.

Aanhoudende jongen

Bij de ingang staat een jongen in een té blauwe jas. ‘Is het gelukt met parkeren, meneer?’ Ik heb niet meteen door dat hij mij bedoelt. Waarschijnlijk heeft hij me meerdere keren voorbij zien rijden. ‘Moeizaam, maar ik heb een plek gevonden.’

‘Welkom! We hebben een nieuwe tentoonstelling en ik heb een geweldige aanbieding voor u.’ Hij klapt een donkerblauwe map open. Ik herken het logo van de VriendenLoterij. ‘Heeft u een museumjaarkaart?’ ‘Ja.’ ‘Maar deze VIP-kaart is voor het hele gezin, dan kunnen ze de volgende keer gezellig mee.’

Ik kijk hem aan. Vlassig snorretje. Spitse neus. Vriendelijke ogen. ‘Dat maakt in mijn geval niet uit. Het hele gezin staat hier voor je neus.’ Hij mist de grap. ‘Ik weet wat je me gaat aanbieden, maar ik heb geen interesse.’ ‘Toch ga ik u even vertellen wat u dan mist.’ De verkoopcursus is grondig geland. Nog zo’n innemende lach. ‘Meneer, dit kunt u echt niet laten lopen.’

Mijn blaas herinnert me intussen dringend aan andere prioriteiten. ‘Nee, dank je, ik ga naar binnen.’ ‘Maar u weet niet wat u mist.’ Hij loopt met me mee. ‘Ik ben niet geïnteresseerd.’ ‘Maar meneer, ik ga het u toch vertellen.’

En dan ontsnapt me een vergelijking die ik niet had zien aankomen: ‘Ik ben blij dat ik niet met je in één bed lig, want je negeert al mijn afwijzingen. Nee is voor jou blijkbaar niet voldoende. Weleens van consent gehoord?’ Waarom begin ik over vrijen tegen deze jongen? Hij schrikt zichtbaar. ‘Sorry, zo had ik het niet bedoeld. Ik zal u niet langer lastigvallen. Prettige middag.’ ‘Dank je.’

Krokusvakantie

Binnen zoek ik eerst het toilet op. Daarna mijn toegangsbewijs in de mailbox. Het is ontzettend druk. Dan valt het kwartje: krokusvakantie. In iedere zaal kun je over de hoofden lopen, ondanks het tijdslotbeleid. Twintig minuten houd ik het vol. Ik heb geen rust om de kunstwerken tot me te nemen. Overal mensen – veel grijs haar, rollators, wandelstokken. Ik ben continu bang iemand omver te lopen.

Dit was geen goed idee.

Buiten staat de jongen van de VriendenLoterij alweer een postcode te noteren. ‘Dat is snel!’ roept hij terwijl hij zijn hand opsteekt. ‘Het is mijn dag niet. Jan Toorop moet nog maar even wachten. Ik kom wel terug.’ In de auto besef ik: Shit, helemaal het boekwinkeltje vergeten.

Muziekdrones

De Nederlandse televisie bestaat 75 jaar. Een jubileum waar ik dit jaar ongetwijfeld vaker bij stil zal staan, want ik heb er zelf een flink deel van meegemaakt. Mijn televisieleven begon als vrijwilliger bij de lokale omroep in Dronten (1984–1999), gevolgd door jaren als professional bij de landelijke televisie van 1992 tot 2010, en zelfs een herintrede in de periode 2022–2025.

Cruciale rol van muziek

Wie televisieprogramma’s maakt, weet hoe belangrijk muziek is. In programma’s als Ambulance, Medische Missers, De Wegen van het Water en Vergeten Inzet vervult muziek een cruciale rol. Het geeft beelden kracht, voegt emotie toe en kan spanning opbouwen of juist wegnemen. Muziek is geen bijzaak, maar een serieuze business. De juiste keuze versterkt het verhaal, de verkeerde doet er onherroepelijk afbreuk aan.

Je zou natuurlijk populaire hits onder een item kunnen zetten, maar dan moet de portemonnee wijd open voor muziekrechten. Bovendien wil een artiest niet altijd geassocieerd worden met een onderwerp of persoon. Een bekend voorbeeld: Ronald Reagan wilde in 1984 Born in the USA gebruiken voor zijn verkiezingscampagne, maar Bruce Springsteen stak daar resoluut een stokje voor.

Muziekbibliotheek

Daarom werk je als programmamaker vaak met muziekbibliotheken, de zogenoemde library’s. Muzikanten en componisten maken hiervoor speciale stockmuziek die rechtenvrij gebruikt kan worden. Het aanbod is enorm: van klassiek en pop tot jazz, soul, grunge en minimal music. Ook is muziek vaak geografisch ingedeeld, zoals Ierse of Aziatische stijlen. De meeste nummers zijn instrumentaal, zodat er ruimte blijft voor interviews en voice-overs.

Vertegenwoordigers van deze library’s komen letterlijk met koffers vol cd’s langs bij redacties en producenten. Ze vragen aan welk programma je werkt, wat voor sfeer je zoekt, en geven gericht advies. Vervolgens laten ze een paar doosjes met stock-cd’s achter om uit te proberen.

Selecteren van de juiste muziek

Het selecteren van de juiste muziek is leuk werk, maar ook tijdrovend. Wil je het goed doen, dan kost het uren. Ik luister de cd’s vooraf af, geholpen door nauwkeurige beschrijvingen als adventure, melancholy, romantic, news of leisure, op de hoesjes. Titels als Secret Agent, Everyday Sunshine of World of Tennis helpen bij het zoeken. Met post-its markeer ik mogelijke kanshebbers.

Als er eenmaal een voormontage is, neem ik die vaak op VHS mee naar huis. ’s Avonds laat ik verschillende muziekstukken onder de beelden lopen om te voelen of het werkt. Soms weet je precies wat je zoekt, maar kan je het juiste fragment maar niet vinden. Dan ben je eindeloos bezig. Maar er zijn ook momenten waarop alles direct op zijn plek valt.

Daarom is voorbereiding essentieel. Als je vóór de echte montage al weet welke muziek je wilt gebruiken, scheelt dat enorm veel tijd – en dus geld. Soms geef ik de editor zelfs exacte tijden door als ik slechts een deel van een nummer nodig heb.

Het is echt puzzelwerk. Ik streef altijd naar het beste resultaat en neem daar de tijd voor. Achtergrondmuziek mag nooit irriteren. Anders haakt de kijker af of krijg je klachten dat de muziek te hard stond en de tekst niet te verstaan was. En dan heb je je doel volledig gemist.

Drones

In de loop der jaren bouw je een band op met de mensen van de muziekbibliotheken. Zij zijn blij als hun muziek wordt gebruikt. Zo werk ik samen met een jonge ondernemer uit Diemen die zich heeft gespecialiseerd in het componeren van drones: minimalistische muziekbedjes met aangehouden tonen en subtiele harmonische verschuivingen. Lange composities, weinig opsmuk, maar enorm effectief onder beeld. https://youtu.be/7CFsGX9008E

Ik kan hem bellen of mailen met een gerichte vraag. Heeft hij nieuwe drones, dan komt hij langs met demo’s. Voor hem is het extra interessant als hij de leader van een programma mag componeren. Zo’n herkenningstune wordt immers wekelijks uitgezonden en levert elke keer weer inkomsten op. Als programmamaker vul je namelijk nauwkeurig muziekgegevens in voor Buma/Stemra, die vervolgens zorgen voor de afdracht aan de makers.

Moderne techniek

In mijn inmiddels ‘opgeruimde kelder’ staan nog altijd dozen vol drones en stock-cd’s. Tegenwoordig gaat dat natuurlijk heel anders. Muziek zoeken doe je online, via gespecialiseerde platforms, en het gewenste nummer download je met één klik. DJ Music – “Hold Me Back” by dotjot – 4K Drone Fly Video Geen gehannes meer met twee apparaten en het exact tegelijk starten van een VHS-speler en een cd-speler.

Maar hoe modern de techniek ook is geworden, de essentie is hetzelfde gebleven: muziek is de onzichtbare kracht die een televisie-item tot leven brengt. En als het goed is gedaan, merkt de kijker het nauwelijks – maar voelt hij het des te meer.