Zomergeuren

Vandaag in het zwembad haal ik twee pratende dames in. Een bekende geur dringt mijn neus binnen. Eerst kan ik niet thuisbrengen wat het is. Bij het keerpunt weet ik het: Nivea. Zo’n oude geur die ik associeer met zonnebrand en wondjes op je knie. Met witte zalf uit een blauw blikje.

Geur is heel persoonlijk. Alhoewel er luchtjes zijn die iedereen vies vindt. Deze geuren moeten ons beschermen om dingen niet te eten: odeur van rotte eieren of ander bedorven voedsel. Daarnaast klaagt bijna niemand over de frisse geur van wasgoed aan de lijn. Zo zijn er allerlei geuren die je in een klap terugbrengen in de tijd. De 4711 die je oma gebruikte.

Hooilucht roept herinneringen op en meteen zie ik een scene voor me uit een ver verleden. Mijn huid gaat tintelen. Het is hoogzomer. Het gras is gemaaid en verkleurd onder de brandende zon tot hooi. Er is onweer voorspeld en mijn vader wil het voer voor zijn koeien graag droog binnen halen. Alle hens aan dek. De loonwerker komt om het hooi in balen te persen. Mijn oom en een zoon zijn er met de trekker, dat gaat sneller dan met paard en wagen. Een andere oom is er ook. Een buurjongen steekt een handje toe. We laden de ene wagen na de andere. Het kan zo maar om achthonderd balen gaan. De hitte stijgt op van het land. Boven het Fochtelooërveen kleurt de lucht donker. In de verte dondert het al. Nog een keer snel laden en lossen. Bliksemschichten scheren langs de hemel. Als de laatste balen op de hooizolder zijn opgeslagen, barst de onweersbui los. Terwijl de regen tegen de ruiten kletst drinken we moe maar voldaan samen een drankje. Mijn eerste biertje heb ik volgens mijn vader wel verdiend. http://taalmens.nl/?s=hooischudden

Iedere keer als ik geur van vers asfalt ruik ben ik in een klap terug op de plek waar we woonden. De wijk wordt gedempt en er komt een asfaltweg voor in de plaats. Als ik nu ’s nachts langs wegwerkzaamheden rij doe ik wel eens het raampje open en dan zit ik weer midden in mijn jeugd. Mijn hart gaat iets sneller kloppen en ik speel in het gele zand en er doemen onmogelijk grote machines op voor mijn geestesoog. Zie hierover de volgende anekdote: http://taalmens.nl/?s=grietmanswijk

Zintuiglijke flashbacks: dat kan een gebeurtenis zijn, maar ook een stemming, een gevoel uit je jeugd.

Hetzelfde met de geur van cement die herinnert me aan de bouw van het nieuwe gedeelte achter het woonhuis of de nieuwe pinkenstal waaronder een gierput komt. De jonge bouwvakkers die een geintje met de zoon van de boer uithalen door hem boven de put in aanbouw te hangen. Gelukkig zijn het jongens met ijzersterke handen, die me niet laten vallen en na een tijdje weer met beide benen op de grond zetten.

Waarom is geur zo sterk gelinkt aan herinneringen? Dit komt omdat onze reukzin in directe verbinding staat met de delen van ons brein waar onze emoties en onze herinneringen worden gevormd (hippocampus en amygdala). Daarom zijn de emoties die je voelt op het moment dat je iets voor de eerste keer ruikt voor altijd onlosmakelijk met die geur verbonden.

Op vakantie maak je wel foto’s en filmpjes maar waarom sla je de geur van belangrijke levensmomenten niet op? Bijvoorbeeld een potje volstoppen met Grieks zand of Finse dennen om je herinnering levendig te houden. Die onvergetelijke nacht op het strand van Zakynthos of de wens om tussen de naaldbomen aan een Fins meer te wonen.

Een geur kan je zo plotseling overvallen. Zoals de Nivea van de dames in het zwembad. Ik mag ze wel dankbaar zijn, ze brengen me ook indirect op het idee om dit stukje te schrijven.

Fitty

Sinds het begin van de coronacrisis zijn Hilversummers vaker gaan klagen over kapotte straatlantaarns, losse stoeptegels, zwerfvuil en andere overlast op straat. Als je erop gaat letten zie je overal afgedankte mondkapjes liggen. Nu we veel thuis moeten blijven kunnen de gemoederen onderling ook oplopen. Dat merk ik ook in mijn eigen omgeving. Met z’n zessen wonen we in ons trappenhuis en al enkele maanden is er iets raars aan de hand. Sommige bewoners hebben de neiging om de gemeenschappelijke ruimte, waaronder ook de trap valt te gaan gebruiken als extra leefruimte. Zo verschenen er schoenen voor de deur. Dat kan als het een keer flink regent, of je hebt door de modder gebaggerd en wilt ze even buiten laten drogen. Maar deze schoenen van jong tot oud staan er altijd. Je kan natuurlijk denken waar maak je je druk om stap er overheen of loopt erlangs. Maar bij sommigen ligt dat gevoelig. Bij mij riep het plannen op om voor Sinterklaas te gaan spelen door er ‘s nachts een surprise in te leggen, een chocoladekikker of iets dergelijks. Als een stille hint. Maar gelukkig heb ik dat ludieke idee niet uitgevoerd en me zo buiten de gevarenzone gehouden.

Op een ochtend zijn alle schoenen verdwenen. Probleem opgelost zou je denken, maar verre van dat. Een boze bewoner heeft ze overal ‘verstopt’. ’s Middags staat de eigenaar van de schoenen voor mijn deur. Of ik aan de schoenen heb gezeten?

‘Nee.’

‘Oké dan weet ik genoeg.’

Later hoor ik – als de dader thuiskomt – een felle discussie in het trappenhuis. Het gaat er hard aan toe.

De volgende ochtend staan alle schoenen weer op een rijtje voor de deur.

Maar daarmee is het probleem nog niet opgelost. Een andere bewoner vindt in de schoenen een bevestiging om alles wat eigenlijk in een prullenbak hoort, buiten de deur op het matje te zetten. De ene dag twee wijnflessen, de andere dag een afgedankte stoel of de verpakking van een internetbestelling. Soms denk ik wel wat zal er in de doos hebben gezeten? Ik maak er maar een raadsel van. Als je je eraan gaat ergeren heb je er in dit geval alleen jezelf maar mee. Maar hoe moeilijk is het om je spullen binnen je eigen muren te houden? Het zal wel bij ons trappenhuis horen. Kortom elke dag staat er wel iets voor een deur.

Voor de schoenenverstopper deze week aanleiding om weer het ongenoegen te uiten en de deur van de vuilnisbuitenzetter te barricaderen met het eigen afval, zodat je er bij het openen onder bedolven wordt. Als ik het zie krijg ik een glimlach op mijn gezicht en denk daar gaan we weer.

Gisteravond laat hoor ik allerlei gestommel in het trappenhuis. Vanochtend bij het halen van de krant zie ik dat alle dozen een verdieping zijn verplaatst en de deur van de dader volledig blokkeren.

Misschien moeten we eens met z’n allen om de tafel gaan zitten om de sfeer niet verder te verzieken. Leven en laten leven, maar dat is blijkbaar moeilijk.

Summer of love

Te vroeg juichen. De wielrenner die denkt dat hij wint en zijn handen triomfantelijk omhoog doet, terwijl de concurrent blijft doorsprinten en wint. Het Nederlands elftal dat na het winnen van een paar wedstrijden tegen middelmatige tegenstanders denkt dat we Europees kampioen gaan worden, maar met de staart tussen de benen het toernooi moet verlaten als het er echt op aan komt.

Zo juichte het demissionaire kabinet ook te vroeg in de strijd tegen corona. Het aantal besmettingen omlaag, vaccinatiecampagne op stoom, zelfs onder jongeren. Mondkapjes af, open die boel, feesten in de discotheek, lekker dicht opeen in elkaars oren staan te schreeuwen. Op vakantie naar het buitenland. Eindelijk mogen we weer. Handjes in de lucht. En dan verbaasd zijn dat de superbesmettelijke deltavariant ons inhaalt. Men heeft blijkbaar weinig geleerd van de vorige zomer.

De persconferenties van Mark Rutte en Hugo de Jonge zijn niet spannend. Alles wat ze gaan zeggen lekt op de dag zelf al uit. Dat wat open was moet de deur weer vroeger sluiten tot half augustus. Geen evenementen en festivals, in ieder geval niet ongeplaceerd. Beperkt testen voor toegang. Dat we gas terug moeten nemen en dat we dat uiteraard samen moeten doen.

Een dikke streep door de rekening, we verlangden zo naar die mooie zomer, naar de dingen die we zolang hebben gemist, maar er is zoals Rutte het uitdrukte: ‘een wolk voor de zon geschoven.’

Optimisten keken uit naar die summer of love. De vergelijking met de ‘roaring twenties’ van een eeuw geleden werd getrokken toen men na WOI en de Spaanse griep ook helemaal losging. Een zomer vol feesten en grote festivals om de heropening van de samenleving te vieren. ‘De opgehokte energie en spanning moet eruit, die moeten ergens een plek gaan krijgen. We zijn sociale wezens. We zijn op zoek naar contact met elkaar, we willen uitbundig met elkaar samen zijn,’ voorspelden de trendwatchers. Het verlangen om zonder restricties een kroeg binnen te stappen en daar tot ver na middernacht te blijven. Zelfs nog even naborrelen met de eigenaar aan de bar.

Hoe anders is het veertien dagen later. Het aantal besmettingen steeg in een week van minder dan duizend naar bijna tienduizend besmettingen per dag. Daarom moet de horeca sluiten om twaalf uur. Die summer of love blijkt voorlopig een summer of disappointment. De teleurstelling is groot, omdat we even van de vrijheid hebben kunnen proeven. De vrije dagen zijn opgenomen, de vakanties geboekt. Maar in welke kleur verandert het land van mijn bestemming? Kaartjes zijn bestelt voor alle dingen waar je heen wilt. Ik vrees dat de mondkapjes weer uit de voorraadkast moeten worden gehaald.

De discussie tussen de rekkelijken en de preciezen bloeit weer op in de talkshows: ‘Niks aan de hand’, ‘belachelijk die paniek’, tot ‘veel te hard van stapel lopen en niet doen’.

Zelf heb ik inmiddels de tweede prik gehad, bleek ik gelukkig geregistreerd bij het RIVM als gevaccineerd en heb ik de CoronaCheckapp gedownload. Een goed gevoel, geen klachten gehad. Maar losgaan? Nee. Ik moet immers sowieso nog een dikke week wachten voordat ik echt beschermd ben. Voor mij voorlopig geen wilde plannen of vakantiereizen naar het buitenland, hoe zeer ik er ook naar verlang. Ik stel het nog even uit en hoop op een mooie zomer op mijn eigen balkon.

UFO’S

Reikhalzend is er uitgekeken naar het rapport van de Amerikaanse overheid over ufo’s. Afgelopen week werd het negen pagina’s tellende verslag vrijgegeven met daarin de belangrijkste cijfers en voorlopige conclusies over nog altijd onverklaarbare luchtverschijnselen.

Het voordeel van in een flat wonen is dat je over de huizen uitkijkt en als je een groot raam hebt kun je het luchtruim goed zien. Ook als het donker is. Vaak als ik tv-kijk wordt mijn oog getrokken naar iets dat buiten knipperend voorbijvliegt met rode en gele lichten. Op de aanvliegroute naar Schiphol is dat normaal, maar soms blijft iets ook op zijn plaats hangen en dan vraag je je toch af: wat is dat? Een unidentied flying object?

Helaas heb ik de satellietentrein van Elon Musk van een tijdje geleden gemist. Maar wat als ik dat wel had gezien, zou ik dan ook aan een ufo hebben gedacht of buitenaardse wezens met grote ogen?

Het onderwerp mogelijk buitenaards leven fascineer me. Ik was dus ook erg benieuwd naar het rapport over unidentified aerial phenomena, zoals ze het tegenwoordig liever noemen. Zeker nadat er drie militaire video’s van onverklaarbare dingen in het luchtruim waren uitgelekt. Alle drie zijn echte opnamen en staan officieel te boek als ‘onverklaard’. De filmpjes https://youtu.be/9a0xIzp-fbs met de titels Gimbal, Flirt en Go East tonen mysterieuze bewegende vlekjes op infraroodbeelden geschoten door Amerikaanse straaljagerpiloten. ‘What the fuck is that?’ roept een marinepiloot als zo’n stip in beeld komt.

‘Wow, ze zijn met een hele vloot. Ze vliegen tegen de windrichting in. Moet je kijken man, moet je kijken – hij draait!’ zegt een ander.

Helaas bevat het uitgebrachte rapport geen tastbare feiten. ‘We hebben geen harde conclusies kunnen trekken over de aard en bedoelingen van deze fenomenen.’ Van de 144 gevallen is er slechts een verklaarbaar. Zo blijven de twee partijen, de ufo-beliefers en de sceptici tegenover elkaar staan.

Ik benader het onderwerp wetenschappelijk en zou graag door concrete bewijzen overtuigd willen worden. Speur je op internet dan vind je talloze boeken, podcasts, urenlange ooggetuigenverslagen en filmpjes of foto’s van raadselachtige hemelfenomenen. In de documentaire The Phenomenon ziet een voorbeeld van een val-van-je-stoelmoment: een ijzingwekkende ontmoeting bij een school in Zimbabwe waar (62!) kinderen een ufo naast hun schoolplein zagen landen en daar wezentjes zagen uitstappen. De sceptici zeggen dat het een soort van massahysterie is, want pas later ontstond een gemeenschappelijk verhaal tijdens lange ondervragingen door volwassenen die veel te suggestieve vragen stelden.

Op internet vind je ook veel van zogenaamde ‘debunks’, die de video’s ontmaskeren en geen buitenaardse verklaring geven. Is het gewoon niet een vliegtuig, een ballon of andere rommel in de lucht? Hebben we niet te maken met atmosferische verschijnselen. Of uiterst geheime technologie of drones van welke politieke grootmacht dan ook?

We blijven in het duister tasten. Ondertussen blijf ik de hemel vanuit mijn stoel in de gaten houden.

Stop making sense

Het weekend waarin weer een aantal versoepelingen zijn ingegaan, ga ik nieuwsgierig naar het Filmtheater. Vandaag draait een bijzondere film, een die bij voorbaat warme herinneringen oproept. Het is een concertfilm: David Byrne’s America Utopia. https://youtu.be/x77YzzQwidM

Toen ik eind 2018 erg positieve berichten hoorde over het concert van Byrne in AFAS Live, vond ik het jammer dat ik geen kaartje gekocht had. In de zomer van datzelfde jaar had hij ook al Down the Rabbit Hole een boost gegeven. Gelukkig kan ik vanochtend alles in een keer inhalen. Het is nog vroeg en de zaal is niet uitverkocht. Ik leun achterover in mijn stoel en ga genieten.

Zevenendertig jaar geleden deed ik dat ook. In het rode pluche van Tuschinski draaide Stop Making Sense, een registratie van een concert van The Talking Heads, David Byrne was toen de leadzanger. De film maakte indruk, mede vanwege de manier waarop het optreden in beeld was gebracht. In een lege concertzaal zonder enige aankleding zingt Byrne het eerste nummer Psycho Killer. Een grote hit op dat moment. Bij elk volgend nummer vult het podium zich. De technici zijn druk bezig alles op de zetten. De drummer wordt op een prakje de zaal ingereden, alle andere muzikanten volgen. Iedereen zingt, speelt, danst en rent. Ze wisselen van instrumenten en kleding. De achtergrond is vaak zwart, maar soms worden er woorden, foto’s en kindertekeningen getoond. Het optreden rocks met de strakke riffs van de gitaren en de swingende afrofunk. Ze spelen achttien nummers en Byrne is burning down the house in zijn ruim zittende beige kostuum. Het voelt alsof de band voor jouw persoonlijk een concert geeft, terwijl je in een stampvolle warme zaal zit. Het is nog steeds de beste concertfilm ooit.

Ik heb de film daarna nog een paar keer gezien. Het vormde de afsluiter van de eerste Kamper Filmnacht, waarin we allemaal muziekfilms programmeerden. De LP van het concert heb ik grijs gedraaid. Bij toeval stond Stop Making Sense ook op de IPod die mijn wandel- en fietstochten de afgelopen anderhalf jaar heeft begeleid.

Nu aan het begin van de ‘summer of love’ kijk ik opnieuw naar een concertregistratie van David Byrne. Het is een groot feest van herkenning. Kindertekeningen vullen het eerste shot. Byrne zit alleen op het podium in een schoolbankje met een model van een mensenbrein in zijn hand. Aan de drie wanden van het podium worden kettingen omhoog gehesen die je per strekkende meter kunt kopen in elke ijzerhandel. In deze zilvergrijze wereld is de 69-jarige David Byrne nog goed bij stem. Hij zingt nummers van zijn laatste cd afgewisseld met de Talking Heads evergreens. Een elftal muzikanten waarvan de helft percussionisten begeleiden hem daarbij in een strakke choreografie. Allemaal in identieke grijze pakken, allemaal blootsvoets met draagbare muziekinstrumenten, die draadloos worden versterkt. Zo kunnen ze zich vrij bewegen, voor zover het vrij mag heten: iedere opstelling, iedere danspas is van tevoren uitgedacht. Laat het maar aan David Byrne over om uiterste discipline te transformeren tot een feest van expressie en gezamenlijkheid.

In korte intermezzo’s laat Byrne zijn filosofie los over Amerika, babyhersenen, dadaïsme en politiegeweld tegen zwarte Amerikanen. Maar boven alles is American Utopia een muzikaal feest, zo bezield en opzwepend dat het lijkt alsof je in de zaal staat – maar dan met beter zicht op wat er allemaal op het podium gebeurt.

Vrolijk verlaat ik de bioscoop, nog steeds via de nooduitgang, maar zonder een mondkapje. Het deuntje van The road to nowhere zit nog in mijn hoofd. Ik zal het concert nog wel een paar maal via Spotify gaan beluisteren deze week.

Winegums

In coronatijd zijn we meer gaan snoepen, zoals chocola, drop en winegums is uit onderzoek gebleken. Daarnaast zijn we veel minder verfrissende kauwgum of pepermunten gaan gebruiken omdat we toch weinig uitgaan en mensen ontmoeten. Herkenbaar? Voor mij wel, als je achter je laptop zit is het niet handig om een snoeppot in de buurt te hebben. Je blijft ervan eten, gedachteloos stop je zoetigheid in je mond tot je er misselijk van bent. En wat is het heerlijk om bij de thee een stukje van een chocoladereep te nemen.

Toch is het me gelukt het snoepgoed buiten de deur te houden. Ik zal wel bekennen dat het me moeite kost. Er zijn tijden geweest dat ik noodgedwongen even de snelweg verliet om bij de benzinepomp een zakje gums te halen. Ze zijn net zo onweerstaanbaar als Engelse drop. Er moest altijd wel een voorraadje in huis zijn.

Met winegums is iets raars aan de hand: ik stop er minimaal drie stuks per keer in mijn mond. Van tevoren maak ik bewust een keuze voor de kleurcombinaties. De achterliggende gedachte is: bij groen-wit-rood snoep ik een Italiaan of een Hongaar, groen-geel-rood een Litouwer, rood-geel-zwart staat voor een Duitser of Belg op je tong. Mijn verbeelding gaat ver…

De meeste mensen vinden de rode of paarse winegums het lekkerst. De groenen zijn het minst favoriet. Dat heeft wellicht met een aangeboren voorkeur voor zoet te maken. Rode vruchten zijn het zoetst vandaar die voorliefde. Waarom dan toch al die kleuren in een zak, en niet alleen rode of in ieder geval geen groene meer? Het zit hem volgens mij niet echt in de smaak, als de rode winegums een citroen- of appel-aromasmaak hebben, vinden mensen ze nog lekker. Als je gaat tellen blijken er inderdaad meer rode in een zak te zitten. Sommige merken winegums smaken weeïg en zien er ook een beetje flets uit. Mijn voorkeur is: hoe feller hoe beter. Wat natuurlijk duidt op een grote hoeveelheid kleurstoffen en een wel erg kunstmatige smaak. Bij het eten van vier winegums krijg je ook nog eens ongeveer anderhalf à twee suikerklontjes binnen.

Natuurlijk zit er geen echt fruit in winegums verwerkt, laat staan wijn. Charles Gordon Maynard, de uitvinder, gaf zijn snoepjes vijf verschillende kleuren, vormen en de namen: port, sherry, champagne, claret en burgundy. Da’s meteen ook de link met de naam ‘winegum’. Volgens het verhaal vond Maynard de fruitige smaak van de snoepjes zo lekker, dat hij het eten ervan vergeleek met het drinken van een goed glas wijn.

Het was grappig om tijdens het voorbereiden van een AV-productie over de aardappelfabriek Avebe in Veendam te ontdekken dat uit zetmeel bestanddelen voor winegums worden gefabriceerd. Avebe verwerkt per jaar vier miljoen ton aardappelen. Zetmeelderivaten worden ontwikkeld om te voorzien in de verschillende behoeften binnen de snoepsegmenten, zoals helderheid, elasticiteit, glans, betere houdbaarheid en verwerkbaarheid. Dat van de aardappelen van mij vader snoepjes worden gemaakt was echt een ontdekking.

Het schrijven over deze zachte, zoete kleurrijke gommen doet me verlangen naar eentje. Ik moet stoppen voordat ik naar de dichtstbijzijnde winkel ren voor een zakje.

De dijen van Matthijs

Heeft de oranjekoorts je al te pakken? De supermarkten doen hun best om het oranjevuur op te laaien met juichcapes en andere superoranje-producten, maar het slaat voor mijn gevoel niet over naar de straten. Het lijkt erop dat deze koorts vooral uit een laboratorium komt van de reclamebureaus en de media.

We komen natuurlijk uit een vreselijke winterslaap, niet alleen wat de voetbalprestaties betreft, maar vooral ook vanuit sociaal oogpunt. We moeten nog even wennen aan het idee dat er weer meer mogelijk is in de samenleving. Dat we zelfs weer voorzichtig mogen juichen. Elkaar om de hals vallen is nog wat lastig tenzij we van tevoren een PCR-test hebben gedaan.

Gisteren speelde Nederland zijn eerste wedstrijd in een kolkende Arena. Eindelijk na zeven magere jaren doen we weer mee. Zo’n EK roept allerlei herinneringen op. Natuurlijk 1988. Wat was dat geweldig. Samen met Rinus Michel sla ik mijn hand voor het hoofd na die prachtige omhaal van Marco van Basten. En wat hebben we die Duitsers een poepie laten ruiken.

In 2010 was er zicht op een glorieuze overwinning. World Champignons. Onder vuvuzelageluid kreeg Arjan Robben in de laatste spannende minuten van de WK-finale de bal niet langs de Spaanse keeper Iker Casillas en deed Andrès Iniesta ons op de valreep de das om. Een grote teleurstelling. Later denk je: het was wel een geweldige prestatie van onze jongens.

Vier jaar later gaven we geen cent voor het Nederlandse team. Ondanks dat Louis van Gaal aan het roer stond. Een van de prachtigste momenten was de wisseling van de doelman vlak voor de penaltyreeks tegen Costa Rico met de fortuinlijke redding van Tim Krul. We werden derde!

Dit EK moeten we het met bondscoach Frank de Boer doen. Ik houd mijn hart vast. Ronald Koeman legde het broze fundament voor de huidige ploeg. Helaas vertrok hij naar Barcelona. Gelukkig spelen we in de eerste ronde thuis, dat is zeker een voordeel. Maar ik weet het niet… We behoren niet tot de favorieten. Het lijkt alsof de bondscoach de regie bij voorbaat kwijt is. Hij is weer de voetballer uit zijn vroege jaren: elke wedstrijd een foutje. Hij probeert zijn jongens de 5-3-2 speelwijze aan te leren. Je kunt ermee aanvallen. Je kunt ermee verdedigen. Je kunt de tegenstander overal onder druk zetten en je neemt, als je het goed speelt, minder risico dat de tegenstander op de counter doorbreekt, want je hebt drie verdedigers in het centrum. Dat is zijn filosofie.

We moeten enkele belangrijke spelers missen door blessures, zoals Virgil van Dijk en Donny van de Beek. Doelman Jasper Cillesen moest thuisblijven vanwege een coronabesmetting. En helaas ook Matthijs de Ligt zit voorlopig op de bank. Als ik die bovenbenen van hem zie, heb ik nog wel wat uurtjes in het zwembad te gaan!

Gisteravond keek ik met goede vrienden. Oekraïne dat moest toch een makkie zijn. Het spel was flitsend, het was snel. Het team leek elkaar te begrijpen. Alleen in de eerste helft wilden de kopballen van Dumfries er niet in. Je gaat vrezen: o het wordt toch niet zo’n avond? Na de rust kwam Nederland op stoom. Wijnaldum gaf een mooie poeier. Wout Weghorst pikte een doelpunt mee. We gingen haast geloven in de leus van Oranje: We the wave.

Maar toen gebeurde waar ik bang voor was. Oranje heeft nog wel eens de neiging om in te zakken, onoplettend te worden als het goed gaat. In vijf minuten twee doelpunten tegen. Terug bij af. Met samengeknepen billen zat ik te kijken. Dit is niet goed voor je bloeddruk. Gelukkig was daar de verlossende kopbal van Denzel Dumfries, na een mooie voorzet van Baby Gullit.

Ik heb een voortreffelijke avond gehad. De sportzomer is echt begonnen. En nu maar hopen op een geweldige voortzetting. Als zo’n eerste wedstrijd goed gaat groeit het spelplezier en het vertrouwen bij de spelers. We hebben dat nodig, ook omdat voetbal voor sociale verbinding zorgt.

Duurzaam vervoer

Sinds een aantal weken is er iets aan de hand in Hilversum. Eerst heb je het niet door, maar als je het weet en erop gaat letten dan gaat het je beslist opvallen. De eerste keer dat ik het merk is tijdens een fietsrondje. Ik kom van de hei af en neem een shortcut via een woonerf. Voor een garage staan ze: drie groene robuuste vervoersmiddelen. Ik denk nog wat grappig, allemaal hetzelfde en allemaal knal groen. Is iemand een verhuurbedrijf voor scooters begonnen? Maar waarom midden in een woonwijk? Wat een rare plaats. Verder besteed ik er geen aandacht aan, totdat ik de volgende dag op een trottoir, op een onverwachte plek, opnieuw een groene GO zie staan. Vanaf dat moment ben ik alert.

Op donderdag valt mijn oog op een artikel in de Gooi en Eembode. Een pagina over een nieuw initiatief in mijn woonplaats. De elektrische leenscooter van GO! Sharing om van A naar B te reizen. In plaats van de auto neem je de scooter. Het elektrische deelvervoer zorgt voor minder auto’s op de weg, minder CO2-uitstoot en minder drukte. Een goed idee zeker in mijn stad die best wel vaak last heeft van verkeersinfarcten. Zeker in de ochtend of avond als je de mediastad in of uit wilt.

Het Gooise verkeersbeleid is al jaren een probleem. Ben je hier niet bekend en moet je ergens in de binnenstad zijn met de auto dan wens ik je veel succes. Het is een kluwen van eenrichtingsverkeer. Als een automobilist stopt, zijn of haar raampje naar beneden doet en ten einde raad vraagt waar de Violenstraat is, moet je antwoorden: ‘U bent er vlakbij maar u had zojuist linksaf gemoeten, nu moet  u het hele rondje opnieuw rijden en dan goed opletten dat u de afslag, die hier net achter u ligt, niet weer mist.’ Om gek van te worden!

Nu dus de groene scooters, die al in meerdere steden gebruikt worden. Een initiatief om een gedragsverandering teweegbrengen van ‘iedereen een eigen voertuig’, naar ‘gebruik wanneer je het nodig hebt’. Het zorgt voor minder verkeersopstoppingen en het terugdringen van de ruimtebesteding voor parkeerplaatsen. Met deze scooters dragen gebruikers niet alleen bij aan een beter leefmilieu, het scheelt ook in de portemonnee: je hebt geen eigendomskosten en betaalt alleen per minuut die je reist, vanaf 23 cent.

Niet snel nadat de honderd scooters beschikbaar zijn, verschijnen er klachten op sociale media. Sommige mensen worden er gek van, want de ‘groene jongens’ duiken overal op, en staan op de meest vreemde plaatsen geparkeerd, waardoor ze de doorgang voor voetgangers of hulpdiensten belemmeren. Ze zijn zelfs al in een vijver ontdekt, maar dat zal vandalisme of dronkenschap zijn geweest.

Ik ken het leasesysteem van mijn laatste vakantie in Helsinki, maar dan met elektrische steps, die je ook overal tegenkwam, zag staan of liggen. ’s Avonds laat ging daar echter een busje door de stad om ze op te halen en naar een centrale parkeerplek te brengen. Gebeurd dat met de GO’s hier ook? Ik weet het niet, maar ik zie ze nu overal en elke dag. Je zou er bijna een Schallmaierverzameling van gaan aanleggen. Fotoredacteur Frank Schallmaier plaatst in de Volkskrant vaak een serie foto’s waarop dezelfde voorwerpen in verschillende situaties te zien zijn.

Zelf zal ik niet zo snel gebruik gaan maken van dit duurzame deelvervoer – zeker nu ik de fiets heb herontdekt – maar ze zijn populair bij jongeren. Bij navraag blijkt dat als je de app download je daarop kunt zien waar in jouw buurt de dichtstbijzijnde scooter staat. Je krijgt een code waarmee je de scooter kunt starten en je moet bij het achterlaten een foto uploaden van de parkeerplek waar je hem achterlaat.

Ik denk dat het voor de inwoners van Hilversum een kwestie van ‘even wennen’ is dat er her en der opvallende GO’s op het trottoir staan.

Eindelijk weer zwemmen

Het regen pijpenstelen. Natter kón het voorjaar niet zijn. Mijn voornemen om met de fiets naar de Zandzee te gaan, is meteen door het hondenweer om zeep geholpen. Geef toe je moet sportieve activiteit niet overdrijven.

Een beetje opgewonden parkeer ik mijn auto. De covidteststraat is verdwenen. Er is weer genoeg ruimte, maar ditmaal is het parkeerterrein gedeeltelijk onder water gelopen en moet ik een goed plekje uitzoeken om niet voordat ik een duik neem, natte voeten te krijgen.

O, wat heb ik naar deze dag uitgezien. Ik was bijna bereid om in de Vuntus in Loosdrecht te duiken om tussen de blubber en de vissen te gaan zwemmen, maar het seizoen was er niet na. Ik zou subiet door de kou bevangen zijn. Maar nu mag ik na vijf maanden en zes dagen het veilige chloorwater weer in.

Bij de deur word ik hartelijk welkom geheten. Ik noem mijn naam om een vinkje te krijgen. Je moet namelijk reserveren, er zijn maar vierentwintig plaatsen beschikbaar. Kom je niet en meld je niet af dan heeft dat gevolgen voor je volgende reservering. Tussen elke shift van een uur zit een kwartier om ondanks een verschillende in- en uitgang, niet te veel mensen elkaar te laten kruizen, vooral in de kleedruimten.

Ik volg de uitgezette route door het zwembad. Vlug kleed ik me om, ik ruik de vertrouwde lucht. Heerlijk! Met mijn kleding en tas onder de arm loop ik naar het vijfentwintigmeterbad. Ik leg mijn spullen op een bankje en zwaai naar de badmeester, die een eindje verderop loopt. Hij heeft een mondkapje voor. Later zie ik dat het een speciale is. De tekst erop luidt: Hieronder draag ik een glimlach.

Ik glij in de turquoise spiegel. De langzame baan. Brr, het is koud. Waarom wil ik dit? Ik maak mijn eerste slagen, het is een beetje onwennig. Meteen voel ik dat ik last heb gehad van een ontwrichte schouder, de armslag gaat moeizaam. Het is ook altijd wat, ga je fietsen dan heb je last van je knie, ga je zwemmen dan speelt de rechterarm en -schouder weer op. Ik hoop dat het snel bijtrekt.

Ik tel mijn slagen, vierendertig heb ik nodig om de overkant te bereiken, wat is er met mijn conditie gebeurd?

Door de golfslag van de medezwemmers loopt mijn oor vol. Normaliter kies ik altijd een tijdstip waarop het redelijk rustig is, maar nu had ik geen keuze. Elk tijdstip is goed. Ik schud het water eruit maar dat helpt niet, want meteen zit m’n oor weer dicht. Dan maar zwemmen in een afgesloten wereld, dat is ook wel lekker. Als kikkers bewegen we in de poel. We wisselen veel betekenende blikken naar elkaar. Iedereen straalt ‘we mogen weer!’ uit.

Bekende gezichten, vlug een praatje maar niet te veel tijd verliezen, want je hebt maar een uurtje. Grappig is dat de echte kletsmajoors hun streken niet hebben verleerd, de afgelopen maanden.

Het zwemmen blijft moeizaam gaan, ik moet er echt weer in komen. Mijn beenslag is venijnig, immers mijn beenspieren zijn door het dagelijks fietsen en wandelen getraind. De armen werken nu tegen terwijl ze altijd in het voordeel waren.

Ik houd de grote digitale klok boven de uitgang in de gaten. Ik ben altijd dol op mooie getallencombinaties. Dit keer zijn het 13:31:13, 14:00:14, 14:00:41. Bij 14:14:14 moet ik eruit.

‘Hoe ging het?’ vraagt de badmeester.

‘Heerlijk om eindelijk weer hier te zijn. Ik heb er zo naar verlangd. Ik werd gek van dat fietsen en wandelen.’

‘Je ziet er goed uit,’ complimenteert hij me. ‘Je kan zien dat je veel buiten bent geweest.’

‘Nou, dank je wel,’ zeg ik terwijl ik me vlug afdroog.

Ik inspecteer de rode kleur op mijn wangen als ik langs de spiegel loop. Zo zie ik er altijd uit, ik kan me niet voorstellen dat het van het vele buiten zijn is.

De kilometer heb ik niet gehaald, maar morgen gaat het ongetwijfeld alweer een stuk beter!

Eindexamen

Deze week ploeteren middelbare scholieren met hun eindexamen. Een stressvolle tijd voor de jongeren zelf, de docenten en de ouders. Zeker dit jaar, want hebben de leerlingen zich goed kunnen voorbereiden met al die Zoomlessen?

Ik wil zelf die periode voor geen goud over doen. In 1980 doe ik eindexamen VWO. Het is een erg spannende periode. Met mijn vakkenpakket – Nederlands, Engels, Latijn, Duits, Aardrijkskunde, Geschiedenis en Economie 1 – sta ik er niet slecht voor, maar als ijverige leerling ben je er nooit gerust op. Ik heb twee hoofdbrekers: Latijn, met name de vertaling en de sommen in de Economie 1-opgaven.

De bètavakken liggen mij niet. Een van mijn wiskundeleraren vindt dat ik een getallenfobie heb, dat is iets te ver doorgevoerd. Maar het is wel zo dat ik bij formules erg moet nadenken en als ik het trucje doorzie en het kan toepassen dan wordt er in het tentamen net een element veranderd waardoor ik het overzicht kwijt ben.

Ik heb een talenpakket zonder Frans, want die taal ligt me niet. Ik schrijf vaak fonetisch hoe je bepaalde woorden uitspreekt. Een fanatieke leraar verbetert de aantekeningen in mijn schrift in hoe de officiële notitie moet zijn. Maar dat helpt niet want ik weet hoe mijn eigen transscriptie moet klinken.

Het buitenbeentje in het pakket is Economie 1. Het is veel theorie, maar er moet ook altijd iets berekend worden. Bijvoorbeeld waardoor daalt de wisselkoers en hoeveel? Daarbij krijg ik weer te maken met die lastige formules. In de weken voorafgaand aan het centraal schriftelijk eindexamen oefen ik veel met de oude examens. Het mag niet mijn bottleneck worden. Ook neem ik nogmaals het beroemde economieboek van prof. A. Heertje ter hand. Want bij het eindexamen hoop ik door veel theorie te spuwen mijn foute rekensommen zoveel mogelijk te kunnen compenseren.

Eind april beginnen de eindexamens. De spits wordt afgebeten door Nederlands. Daarna volgt Latijn. Het is te hopen dat voor de te vertalen tekst een niet al te ingewikkeld gedeelte is uitgekozen. Het eindexamen is in het ijsstadion, de Trianthahal. We zijn die ochtend met een klein select gezelschap, zes leerlingen telt de Latijnse klas. We zitten helemaal achter in die enorme koude hal. Voor ons zitten de havoleerlingen die die ochtend hun Nederlands eindexamen doen. Ze kijken ons meewarig aan. Wat doen die gasten? Latijn vertalen met een woordenboek op de tafel? Hoe moeilijk kan dat zijn? Nou, best lastig met al die ingewikkelde vervoegingen. Dit alles onder het toeziend oog van de Latijnse lerares die haar breiwerk heeft meegenomen en af en toe ongegeneerd met een van de lange breipennen in haar oor zit te pulken. Wat wel een koddig gezicht is.

De tekst van Livius uit ‘Ab urbe condita’ gaat over het vinden van de juiste kandidaat voor het consulaat tijdens de Tweede Punische oorlog. Het is voor mij drie uur zwoegen. Er zijn zinnen waarvan ik geen soep kan koken. Gelukkig zijn er ook vragen over de tekst. Die kunnen me een eindje op weg helpen. O, het gaat over karaktereigenschappen van iemand, dat zijn vast die lastige, onbekende woorden. De vertaling hoeft niet voldoende te zijn, want ik heb enige compensatie opgebouwd met de schoolonderzoeken.

Van de voorbereiding op het economie-examen is een herinnering blijven hangen. De troonsopvolging van Beatrix valt midden in de examenperiode. Aan de keukentafel oefen ik de sommen uit de oude tentamens, terwijl ik op de televisie naar de rellen in Amsterdam kijk. Deze historische gebeurtenis wil ik natuurlijk niet missen. Krakers hebben op de kruising tussen de Kinkerstraat en de Bilderdijkstraat een leegstaand kantoorpand bezet. De mobiele eenheid is fors uitgerukt. In plaats van een volksfeest op deze bijzonder Koninginnedag wordt de inhuldiging in de Nieuwe Kerk omlijst met veel rookbommen en waterkannonnen. Het lijkt wel oorlog in de hoofdstad.

Na de examens volgt het lange wachten… Tot uiteindelijk het verlossende telefoontje komt dat ik ben geslaagd. Voor beide vakken heb ik met moeite op de eindlijst een zesje bij elkaar kunnen sprokkelen. Ik ben opgelucht! Een feestweek breekt aan. Het is ook het einde van een onbezonnen tijd. Het begin van een nieuwe periode: het studentenleven.