
Mijn vader leeft het grootste deel in de vorige eeuw. Nog een decennium van het nieuwe millennium heeft hij meegemaakt. Hij is geboren op 19 april 1926, in het Drentse Bovensmilde, als zoon van een boer. Zijn wereld is klein, overzichtelijk en hard tegelijk: een gezin waarin iedereen moet meewerken. Als jongen leert hij al vroeg wat verantwoordelijkheid betekent. Voor dag en dauw opstaan, koeien melken met de hand, helpen op het land. Kind zijn en werken lopen naadloos in elkaar over.
De oorlog
Het is de tijd tussen de beide wereldoorlogen: het interbellum. Als kind maakt hij de Grote Depressie mee. Het leven is sober, kent weinig luxe. Omdat ze op een boerderij wonen valt het voor hem nog mee, denk ik, omdat ze zelfvoorzienend zijn.
Veertien jaar oud is hij als de Duitsers Nederland binnenvallen, een onzekere tijd. Ook daarbij is de boerderij een zegen en een risico. Er is voedsel, maar er zijn ook vorderingen door de Duitsers, en de voortdurende dreiging van razzia’s. Ik weet dat de varkens verborgen worden gehouden in een hok onder het hooi.
Na de oorlog krijgt hij een oproep voor militaire dienst. Mijn vader behoort tot de lichting die naar Nederlands-Indië moet. Maar daar is hij nooit geweest. Op zolder staat wel zijn dienstkist – erg spannend voor mij als kind – met daarin het lesboekje Maleis. Bij een inenting voor vertrek gaat het mis, een aantal jongens zijn overleden en mijn vader krijgt een hersenvliesontsteking. Daarmee blijft hem het leed van de politionele acties bespaard. Wel wordt hij zeven keer voor herhaling opgeroepen en dient hij in het leger als foerier. Mijn opa is daar niet erg blij mee, want het is altijd in de maanden dat het druk is op het land met het binnenhalen van de oogst.
Wederopbouw
In de tijd van de wederopbouw leert hij mijn moeder kennen op een van de christelijke toogdagen. Volgens mij met Pinksteren in Leeuwarden, dus ver van huis. Ze hebben zeven jaar verkering, want er moet gespaard worden om de boerderij over te kunnen nemen. Mijn moeder zegt over mijn vader nadat hij op zijn fiets wegrijdt, terwijl ze het rode achterlichtje in de verte ziet verdwijnen: ‘Dit is mijn man, die laat ik niet meer gaan.’
Dat is geen verkeerde keus van haar, denk ik. Want daarmee is ze verzekerd van een goede, trouwe vent, die alles voor haar over heeft.
Schuurbrand
Tegenslag is er als de schuur die achter de boerderij staat op een avond in vlammen opgaat. Bij toeval kom ik in de krant nog een advertentie tegen waarin de familie bedankt voor de bewezen hulp tijdens de brand. Het drama is dat de ochtend na de ramp mijn opa tijdens het melken in de handen van mijn vader sterft aan een hartstilstand.
Het huwelijk is gezegend met twee kinderen. Een meisje en later ook nog een jongen. Tussen ons zit een ‘hemelmeisje’. Niet dat daar in onze kindertijd of later over is gesproken.
De eeuw van mijn vader kenmerkt zich door een boerenleven dat snel verandert. Tijdens de maanlanding en de dreiging van een kernoorlog werkt mijn vader (en moeder ook) stug door. Er zijn twee ankers in hun leven: de boerenbedrijf en het geloof.
Mechanisatie
Wat de boerderij betreft krijgt hij te maken met de mechanisatie. Van paard en wagen naar tractor. De landbouw gaat van handmatig naar steeds meer gebruik van machines. Maar mijn vader is zijn hele werkzame leven een paardenboer, dat is zijn lust en zijn leven. Natuurlijk maakt hij in zijn bedrijf wel gebruikt van de moderne middelen, maar hij schaft ze zelf niet aan. Dat soort grote investeringen doet hij niet. Ook gaat hij niet mee in met name de wil van overheid en banken om alsmaar groter te groeien. Als hij eenmaal begrijpt dat ik niet in de wieg ben gelegd als opvolger, denkt hij: ik zing op mijn manier de tijd wel uit zonder dat alle pannen op de boerderij ‘Rabobank, Rabobank’ klapperen.
Wel gaat hij van het melken met de hand over naar een melkmachine. Legt hij in het akkerland drainage aan om de grond droog te krijgen. En gebruikt hij kunstmest en krachtvoer om de productie te vergroten. De laatste jaren schakelt hij volledig over naar een melkveebedrijf en heeft geen aardappelen of bieten meer. Daar komen allerlei regelingen bij die het de boeren niet makkelijker maken: bijhouden van een mestboekhouding en melkquota. Europese regels en bureaucratie gaan een steeds grotere rol spelen.
Boekhouding
Nu is hij met geldzaken erg secuur. Op diezelfde zolder staat zijn volledige boekhouding, waarvoor het openluchtmuseum in Arnhem nog belangstelling heeft gehad, maar hij wil niet dat heel Nederland kan zien hoe hij geboerd heeft. Dus we hebben moeten beloven dat alle papieren na zijn dood in de versnipperraar zullen gaan.
Wat dat betreft heeft hij het allemaal meegemaakt – boeren die de spil van de samenleving zijn tot een sector die steeds meer ter discussie komt te staan. Als boer werkt hij keihard, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat, waar hij niet tegenop ziet, maar uiteindelijk wordt het hem fysiek te zwaar.
Het geloof
Het andere ankerpunt in zijn leven is de gereformeerde opvoeding, de ruggengraat van zijn leven. Godsdienst is in die tijd geen bijzaak, maar de basis van het bestaan, zeker in Drenthe. Het geeft structuur en houvast – bidden, Bijbellezen, kerkgang. Met een vast vertrouwen in God, waaraan door hem weinig woorden vuil worden gemaakt. Hij ervaart gewoon de beschermende hand van God en ziet het ook in zijn dagelijkse werk.
Hartklachten
Voordat de Berlijnse muur valt is mijn vader al gestopt met de boerderij. Hij renteniert dan al twee jaar. Maar het is uit bittere noodzaak en hij kan eerst maar moeilijk ‘loslaten’ wat hij het liefste doet. Op zijn 52ste krijgt hij zijn eerste hartklachten. Men vindt hem met zijn fiets langs de weg als hij last heeft van benauwdheid op de borst. Mijn vader heeft alle moderne ontwikkelingen qua hartchirurgie en medicatie aan den lijve meegemaakt. Van openhartoperatie met allerlei omleidingen tot dottertechnieken met het plaatsen van stens in zijn dichtslibbende aderen.
Hij is er 85 jaar mee geworden, maar dan is het lichaam ook écht op. Aan het einde moet hij steeds behandeld worden om vocht dat zich in zijn lichaam ophoopt af te drijven, en dat is hem fataal geworden.
Rentenieren in de moderne tijd
Maar de periode tussen stoppen met boeren en zijn dood geniet hij volop van het leven. Van het fietsen met zijn vrouw. Van het bezoeken van de kinderen. Van de kleinkinderen, die hem lief zijn. Hij ziet alles snel veranderen, van geen elektriciteit en machines in zijn jeugd, naar een tijd van auto’s, televisie en uiteindelijk zelfs computers. Ook de geldende waarden en normen veranderen, maar hij probeert altijd wel op zijn manier bij te blijven.
In de stromende regen hebben we hem op een julidag in 2011 begraven, maar als zijn kist in de aarde verdwijnt, gloort de zon boven de haag van de begraafplaats.
