
In de IC 143 naar Berlijn. Terwijl het Nederlandse landschap langzaam overgaat in Duitsland, groeit onderweg het gevoel dat ik niet zomaar naar een stad reis, maar terugkeer naar een stuk verleden. Zesenhalf uur later zit ik op het terras van Gottlob in Schöneberg, tegenover de imposante Apostel-Paulus-Kirche, met een koud witbier voor mijn neus. Het is zomer 2011 – broeierig heet – en voor het eerst sinds de val van de Muur ben ik weer in Berlijn.
Vertrouwd en toch anders
De stad voelt tegelijk vertrouwd en totaal anders. Al in de tram naar mijn logeeradres schieten de veranderingen voorbij: de glazen koepel op de Reichstag, de Brandenburger Tor waar je nu achteloos onderdoor wandelt, het indrukwekkende Holocaustmonument. Berlijn heeft zichzelf zichtbaar opnieuw uitgevonden sinds het weer de politieke hoofdstad van Duitsland is geworden. Maar onder dat nieuwe Berlijn ligt voor mij nog steeds de stad van de Koude Oorlog verborgen.
In de jaren tachtig liftte ik meerdere keren met een vriend naar West-Berlijn. We sliepen in een kraakpand in Kreuzberg en smokkelden verboden christelijke lectuur naar vrienden in Oost-Berlijn. Spannend werk. Elke grenscontrole voelde als Russisch roulette. We waren jonge vrije vogels, precies zoals in ‘Over de Muur’ van Klein Orkest – het lied dat de bizarre tegenstelling tussen Oost en West zo trefzeker vangt: neonreclames tegenover rode vlaggen, vrijheid tegenover controle. https://youtu.be/9LsqfgPx_Rw Waar vroeger wachttorens, hekken en grensposten stonden, lopen nu toeristen met smartphones en kartonnen koffiebekers langs glazen kantoorgebouwen en hippe cafés.
Kurfürstendamm
Ik bezoek opnieuw de Kurfürstendamm, ooit het kapitalistische hart van West-Berlijn. Bij de Gedächtniskirche blijkt de hele boulevard opengebroken. De legendarische Zoo Palast – het mekka van het filmfestival van Berlijn – wordt gesloopt, winkelpanden staan leeg en stoffig achter schuttingen. Alleen de gigantische Mercedes-ster boven op het Europa-Center draait nog onverstoorbaar rond alsof er niets veranderd is.
Van Oost-Berlijn herinner ik me vooral de Fernsehturm en de troosteloze DDR-flatgebouwen rond Alexanderplatz. In de jaren tachtig hing daar een bijna tastbare grauwheid. Nu is die verdwenen, maar mooier is het er niet per se op geworden. De socialistische leegte heeft plaatsgemaakt voor fastfoodketens, dönerzaken en schreeuwerige winkels. Alsof het oude kapitalistische Westen simpelweg is verhuisd naar het voormalige Oosten.
Berlin Alexanderplatz
Op Alexanderplatz wisselde mijn vriend vroeger illegaal West-Duitse marken voor Ostmarken. Dat was riskant, maar minstens zo lastig was het om de verplichte 25 Ostmark per dag daadwerkelijk op te maken. Om problemen bij Checkpoint Charlie te voorkomen moesten we voor vertrek soms noodgedwongen dure cocktails drinken in de bar boven in de Fernsehturm. Licht aangeschoten en ruikend naar alcohol haastten we ons dan vlak voor sluitingstijd terug naar West-Berlijn.
Nu is Checkpoint Charlie een toeristische attractie geworden. In het museum vertellen voormalige grenswachters bijna smakelijk over spectaculaire ontsnappingspogingen: verborgen compartimenten in auto’s, zelfgemaakte luchtballonnen, tunnels onder de Muur. Schoolklassen luisteren ademloos toe terwijl buiten toeristen selfies maken.
Bij de East Side Gallery loop ik langs bijna een kilometer originele Berlijnse Muur. Het grijze beton is veranderd in een kleurrijke openluchtgalerie vol graffiti en politieke kunst. Natuurlijk maak ik een foto van de beroemdste muurschildering: Brezjnev die Honecker op de mond kust. Een beeld dat tegelijk absurd en historisch is.
Tropische hitte
Alsof de duvel ermee speelt heb ik precies een tropische hittegolf uitgekozen voor mijn stedentrip. Berlijn kreunt onder temperaturen boven de dertig graden. Gelukkig weet de stad hoe je moet ontsnappen aan de hitte. In Kreuzberg duik ik het Prinzenbad in, een enorm openluchtzwembad vol zonnebaders en schreeuwende kinderen in ellenlange glijbanen. Nog beter is het Badeschiff: een zwembad midden in de Spree, omringd door loungemuziek en strandstoelen.
Aan het Oststrand beland ik bij YAAM, een alternatieve strandbar waar reggae en Afrikaanse muziek uit de speakers knallen. Met mijn voeten in het zand en uitzicht op de rivier voelt Berlijn even meer Afrika dan Duitsland.
Toch zijn er plekken waar de geschiedenis zich onvermijdelijk opdringt. Bij het Holocaustmonument wordt het stil. Het enorme veld van donkere betonblokken lijkt van een afstand overzichtelijk, maar eenmaal binnen verandert het in een beklemmend doolhof. De stenen worden hoger, de paden smaller. Geluiden verdwijnen. Ik voel me klein, verloren, opgeslokt door de ruimte. Het monument maakt diepe indruk.
Brandenburger Tor
Van daaruit loop ik met de stroom toeristen richting de Brandenburger Tor. Het blijft een vreemd idee dat je nu vrij onder deze poort kunt doorlopen. Ooit stond ik hier op een uitkijkplatform aan het einde van de Straße des 17. Juni, turend over de Muur naar Oost-Berlijn. Hier sprak Kennedy zijn legendarische woorden: ‘Ich bin ein Berliner.’
Nu poseren toeristen met nep-Russische soldaten voor vijf euro per foto en rijden fietstaxi’s en paardenkoetsen af en aan. De geschiedenis is hier bijna een decorstuk geworden.
Ironisch genoeg bevindt het creatieve, vrije Berlijn zich tegenwoordig juist in de voormalige Oost-Berlijnse wijken. Verlaten DDR-panden en fabrieken veranderden in de jaren negentig in technoclubs, ateliers en alternatieve broedplaatsen. Wijken als Friedrichshain en Prenzlauer Berg bruisen van kunst, cafés en nachtleven. En dat maakt Berlijn zo fascinerend.
Het is een moderne, internationale hoofdstad geworden, vol architectuur, cultuur en energie. Maar tegelijk blijven de littekens van het verleden overal zichtbaar. Onder het hippe Berlijn van 2011 ligt nog steeds de verdeelde stad uit ‘Over de Muur’ verscholen. Die stad bestaat misschien niet meer fysiek, maar emotioneel voel ik haar nog altijd.
In een homokroeg beloof ik de barman dat ik deze keer geen twintig jaar zal wachten voordat ik terugkom. Inmiddels begint die belofte gevaarlijk oud te worden.
