
Sommige dagen verdwijnen geruisloos uit je geheugen. Andere nestelen zich, zonder dat je het doorhebt, diep vanbinnen. Tweede Paasdag 1976 is zo’n dag. Het begint als een dag vol verplichtingen – mijn vader ziet vandaag Abraham – maar krijgt een wending die ik nooit meer ben vergeten.
Als je in het voorjaar jarig bent, ontkom je er bijna niet aan: ooit valt je verjaardag samen met Pasen. Mijn vader, geboren op 19 april 1926, maakt dat in zijn leven zes keer mee.
Een huis vol
In 1976 ben ik veertien en zit in die onhandige fase waarin verjaardagen hun magie een beetje verliezen. Je weet wat er gaat komen: veel visite, volle kamers en vaste patronen. Mijn ouders komen allebei uit grote gezinnen – vooral aan moeders kant – dus dat betekent een huis vol.
Zoals altijd wordt de woonruimte verbouwd. Meubels verschoven, planten verplaatst. De vrouwen in een kring in de keuken, de mannen in de ‘mooie kamer’. Het hoort erbij, maar eerlijk gezegd: het is niet iets waar ik naar uitkijk.
En het is zo’n stralende lentedag die je naar buiten lokt. Warm, licht, levendig. Absoluut geen dag om binnen te zitten en handen te schudden.
Jongere broertje
De twee beste vriendinnen van mijn oudere zus zijn er ook. Terwijl de dag zich ontvouwt, begint er bij hen iets te borrelen. Het idee ontstaat om eropuit te gaan. Even weg van de drukte, weg van het verplichte verjaardagsritueel.
Ik wil dolgraag mee. Maar ja… je bent het jongere broertje. Je wilt je niet opdringen. Tegelijk hoop je dat iemand zegt: ‘Ga je mee?’ Die innerlijke strijd voelt groot, al gaat het eigenlijk om iets kleins.
Paasbest
Ik ben die dag op mijn paasbest. Een week eerder ben ik met mijn moeder naar Assen geweest voor nieuwe kleren. En het is me gelukt: mijn eerste Levi’s 501. Mijn moeder vindt het maar niets. ‘Dat is toch geen nette broek,’ klaagt ze, maar voor mij betekent deze eerste spijkerbroek alles. Ik voel me onoverwinnelijk. Ik ben zo trots als een pauw. Daarbij draag ik een jeanshemd en… Zweedse klompen. Achteraf gezien: verschrikkelijk. Log, lomp en ze maken me alleen maar slungeliger. Maar goed, het is de tijdgeest.
Giethoorn
Na het middageten vindt er overleg plaats – misschien wat gemopper, misschien visite die zich afvraagt waarom gaan de kinderen weg? En uiteindelijk het verlossende woord: Ik mag mee.
We gaan naar Giethoorn. Voor mij is het de eerste keer. We huren een bootje en varen door de smalle grachten. Onder bruggetjes door, tegenliggers ontwijkend, het open water op. Het voelt als vrijheid. Als avontuur. Als ontsnappen aan alles wat die dag zo vast leek te liggen.
De temperatuur op het water loopt op tot zo’n 19 graden. Als ik ’s avonds mijn jeanshemd uittrek, zie ik precies waar de zon mijn huid heeft geraakt. De opgestroopte mouwen hebben hun sporen achtergelaten.
Herinneringen
De laatste tijd halen we samen vaker herinneringen op aan vroeger. En dit is er zo één die bij mij is blijven hangen. Niet alleen vanwege die onverwachte perfecte dag, maar ook vanwege mijn zus. Zij heeft, misschien zonder het te weten, mijn wereld een stukje groter gemaakt.
Ik wil mezelf in die tijd niet omschrijven als een echte ‘einzelgänger’, maar een oudere zus hebben heeft zo zijn voordelen. Door haar komen er mogelijkheden op mijn pad. Ze laat me zien dat er meer is dan de wereld van de boerderij en middelbare school.
Het oudste kind is vaak een beetje de pionier. De proefversie, zeg maar. Ouders leren al doende, maken fouten, passen aan. Tegen de tijd dat de volgende komt, is er vaak meer ruimte, meer soepelheid. Mijn zus heeft dat pad als het ware voor me geplaveid.
We hebben nooit echt competitie gehad. Onze levens zijn te verschillend. Maar ik kan wel van haar leren. Zonder dat ze ooit een tweede moeder is – gelukkig maar, één is meer dan genoeg.
En nu, terugkijkend, kan ik het gewoon zeggen: Ik ben trots dat zij mijn zus is. Ze heeft bijgedragen aan wie ik ben geworden. En daar ben ik haar dankbaar voor.
