Telefoonverbod

Op middelbare scholen geldt sinds het begin van dit jaar dat leerlingen niet meer hun mobiele telefoon in de klas bij zich mogen hebben, laat staan gebruiken. Het is een advies van de overheid, nog geen wet, ingesteld om de leerkrachten te helpen bij het continu te moeten optreden tegen leerlingen die hun telefoon tijdens de les gebruiken.

Mail

Mobiele telefoons zijn op het distributiecentrum waar ik werk ook een issue. In de mailbox tref ik afgelopen week het volgende bericht:

‘Hoi allemaal,

Zoals jullie weten, mogen er geen telefoons gebruikt worden op de werkvloer (ook niet aanwezig zijn op de vloer). Helaas komt het nog vaak voor dat dit toch gebeurd.

Dit moet stoppen. Mocht je betrapt worden met je telefoon, zal de teamleider je naar huis sturen en hoef je niet meer bij Hema terug te komen om te werken, ongeacht hoe lang je al voor Randstad/Hema werkt. Laat je telefoon dus in je kluisje en gebruik deze alleen tijdens je pauzes!’

Dit is niet de eerste waarschuwing. In elke nieuwsbrief worden de huisregels met dit telefoonverbod steeds weer onder de aandacht gebracht. En dat is al vanaf de dag dat ik mijn eerste voetstappen zette in het distributiecentrum. Ik heb zelfs mijn handtekening onder de huisregels en de consequenties daarvan moeten zetten.

Niet uit te roeien

Maar ondanks de vele vermaningen is het telefoongebruik op de vloer een niet uit te roeien kwaad. De werkgever wil natuurlijk dat je doorwerkt en niet uitgebreid gaat bellen of je social media gaat controleren. De telefoon mag je ook niet gebruiken als muziekbron of voor het beluisteren van een podcast. Dan ben je afgeleid en maak je fouten tijdens het werken. Dat snap ik, maar het is ook een beetje alsof we kleine kinderen zijn zonder een greintje eigen verantwoordelijkheid.

Bij de dagstart wordt vaak herhaald dat de telefoons boven moeten blijven. Het is nog net niet zo dat ze iedereen gaan fouilleren. Ondanks het verbod zie ik veel collega’s met hun mobiel in de broekzak op de werkvloer. Het is spelen met vuur. Wil je niet langer bij het distributiecentrum werken dan is het een makkelijk reden om op staande voet ontslagen te worden: ga in het gezichtsveld van een teamleider je appberichten controleren. Geheid dat je je spullen mag pakken. Ondanks dat Randstad veel moeite moet doen om voldoende nieuwe krachten te werven.

Creatief omgaan met verbod

Veel flexcollega’s gaan op creatieve wijze met het verbod om. De werkoppervlakte is groot en er zijn veel gangen waar je buiten het zicht van camera’s en teamleiders bent. Dus heel vaak zie ik iemand met zijn mobiel bezig. Ik voel me niet geroepen om collega’s daarop aan te spreken, nog om ze te verlinken. Vaak knipoog ik even.

Laatst hoorde ik iemand praten, maar ik zag niemand. Toen ik nog eens goed keek, bleek dat iemand zich tussen de stellingen met blauwe kratten had verstopt om te bellen. Hetzelfde met een jongen die altijd met de capuchon van zijn hoodie oploopt. Ik hoorde hem iets vragen en ik vroeg hem om het te herhalen omdat ik hem niet verstaan had. Hij was echter met iemand aan het telefoneren en had het niet tegen mij. Zo’n collega zie je een paar weken en dan is hij plotseling verdwenen. Tegen de lamp gelopen? Ik krijg niet alles mee wat er op een dag gebeurt.

Kat-en-muis

Met de zoemer van de pauzetijden is eenzelfde kat-en-muis-spel aan de gang. De regel is dat je pas je werkplek mag verlaten als de zoemer gaat. Vaak moet je dan een eind lopen om naar de kantine te gaan, dus wat gebeurt er, men kijkt op de klok of het bijna tijd is en loopt alvast richting kantine. Ook als de zoemer aan het einde van de pauze gaat, moet je direct terugkeren naar je werk. Toch heb ik steeds het idee dat die zoemer al na veertien minuten gaat, zodat je in je pauzetijd terugloopt.

Idem met de zoemer aan het einde van de werkdag. Een minuut voor tijd bij het uitklokapparaat staan is niet aan te raden. Er wordt streng op gecontroleerd: een teamleider staat nonchalant met zijn armen over elkaar op de uitkijk. Met als gevolg dat mensen om een hoekje staan te wachten om zodra de zoemer gaat meteen uit te kunnen klokken.

Door het nadrukkelijke gedram over de huisregels ga je je als kleine kinderen gedragen en ga je bij wijze van spreken verstoppertje spelen. Wat dat betreft heb ik vaak het idee dat ik terug op school ben of in een gevangenis werk met een strikt regime.

Wasbeurt

Soms zitten grill, koplampen en de voorruit van je auto onder de zwart-rode stippen van de muggen die in aanvaring met je vervoersmiddel zijn gekomen. Of een Saharawind heeft een laag geeloranje stof over het metaal gedrapeerd. Of een groengeel waas van pollen, dan is het noodzakelijk om je auto te gaan wassen. Zeker als je last van hooikoorts hebt.

Mr. Wax

Vroeger ging ik dan naar de aardige jongens van Mr. Wax in de binnenstad. Je leverde je auto in en na een minuut of vijf kwamen ze met de sleutel naar je toe en stond de auto buiten glanzend op je te wachten. Als je ze later in de kroeg tegenkwam, groetten ze je vriendelijk met een grote glimlach: ‘Ik ben de jongen van Mr Wax, weet je wel?!’ Tuurlijk, hoe kan ik dat vergeten.

Of ik waste de auto op de oprit bij mijn ouders met de tuinslag, een emmer sop en spons en zette hem daarna helemaal in de wax. Maar dat kan niet meer en mag om begrijpelijke milieuredenen ook niet meer.

Voordeelcoupon

Tegenwoordig download ik een voordeelcoupon bij Tripper.nl om bij Carwash & Go mijn auto een totale wasbeurt te laten geven. Met die simpele actie bespaar je elf euro want een wasbeurt kost al gauw eenentwintig. Ik print de bon uit en rij naar het kleine industrieterrein bij mij in de buurt.

Er zijn slagbomen bij de twee opritten. De laan voor de kassa is afgezet met pionnen, ik moet wel naar de automaat. Waar is de persoonlijke bediening gebleven, allemaal wegbezuinigd? Ik laat het zijraam in het portier zakken en hou de bon voor het scanneroog. Het scherm geeft aan dat de voordeelcoupon al een keer gebruikt is.

Shit, heb ik weer, wat is er misgegaan? Ik kijk in de spiegel of er een auto achter me staat en rij een stukje terug om uit te kunnen stappen en naar het apparaat te kijken, wat er aan de hand is. Vanuit de loods kijkt een bediende naar me. Ik wenk hem, hij aarzelt even. Ik leg uit dat ik zojuist deze bon heb aangeschaft maar dat het apparaat aangeeft dat hij al gebruikt is.

‘U heeft hem zeker twee keer langs de scanner gehouden?’

‘Zou kunnen, het waaide en ik wist niet of hij hem wel pakte.’

‘Wilt u een extra beschermlaag van drie euro?’

‘Nee, dank je.’ Ik concludeer dat de bon toch geldig is.

In de wasstraat

De jongen drukt op een knopje en de slagboom gaat omhoog. Ik rij achter hem aan de wasstraat in. Daar staat een collega met een spuit in zijn handen. Hij manoeuvreert me de geleidingsrail op: kom maar, een beetje naar links, een beetje naar rechts. Blijkbaar te veel, ik draai het stuur weer ietsje naar links. Hij steekt een duim op. Ik hoor hem oké roepen en besef dat het zijraam nog open staat. Vlug sluit ik het raam, want ik ben vanochtend al onder de douche geweest. Hij pakt een plastic hoes voor de achteruitwisser en spuit met de Franse slag rond de auto. Misschien een gevolg van de korting?

Met een schok ga ik richting de eerste borstel. Mijn stuur gaat op en neer, ik hoor de banden piepen, blijkbaar zit ik toch nog niet goed in de goot. De eerste waterstralen spuiten met volle kracht over de voorruit, ik kan niks meer zien. Ik zet de radio iets harder en onderga de wasstraattrip. Ik kijk toe hoe mijn auto aan alle kanten grondig wordt gewassen. Soms moet je echt je benen van de pedalen houden, want ik heb de neiging om te remmen als een apparaat rakelings langs motorkap scheert en op het laatste moment voldoende omhooggaat.

Na het wassen en polijsten komt de droger. Aan de linkerkant staat een paal. Er knippert een roodlicht. De paal communiceert een persoonlijke boodschap: ik ga aftellen van 10 naar 0 en dan mag je rijden! Dat is de moderne Mr. Waxjongen. De display is al met aftellen begonnen. Een dwingende pijl geeft aan dat ik naar rechts moet. Achter me zie ik de koplampen van de volgende klant opdoemen. Ik geef gas en voldoe aan de opdracht.

Stofzuigen

In de loods zijn ruimtes waar je de auto verder kunt schoonmaken. De stofzuigerslangen zien er nieuw uit, dus ze zullen hopelijk over voldoende zuigkracht beschikken om de grindkorrels, asfaltsintels, dennennaalden en andere rotzooi die op mijn automatjes liggen op te ruimen. Ik verwijder oude parkeerbonnetjes, snoepwikkels en andere papiertroep. De plastic hoes haal ik van de ruitenwisser, voordat ik de achterbak uitzuig. Alles ziet er weer picobello uit na deze wasbeurt.

Bij het uit de box rijden moet ik uitkijken niet tegen de zuilen die de loods ondersteunen aan te botsen. Uit voorzorg zijn ze al van stootkussens voorzien, maar toch. Met een glimmende auto en weer duidelijk zichtbare velgen rij ik naar buiten. Nog een slagboom te gaan. Dat is een geniepige. Voor me rijdt een andere auto, maar gaat de boom eerst weer naar beneden of heeft het oog ook mij gezien? Even twijfel ik en geef dan toch maar gas. De slagboom blijft omhoog. Het is oppassen met het andere verkeer, want de uitrit zit net in een bocht en er komt ook een weg van rechts.

Het gaat allemaal goed. Het zal je maar gebeuren dat je met een pas gewassen auto een ongeluk krijgt of ergens tegen aanrijdt, waardoor dat glimmende metaal meteen geschonden is. Ik moet er niet aan denken!

Malmö

Zaterdag 9 mei 1992. Zweden organiseert voor de derde keer het Eurovisiesongfestival. Na de winst van Carola (‘Fångad Av En Stormvind’) in Rome. Ditmaal is Malmö de gaststad. De Øresundbrug, de verbinding tussen Denemarken en Zweden bestaat nog niet, maar vormt wel een belangrijk onderdeel van het decor, tezamen met een Vikingschip met de kop van een vuurspuwende draak.

Wijs me de weg

Op een zolderetage in De Bilt waar ik sinds een paar maanden woon, kijk ik gespannen naar de uitzending. Wij doen weer mee dit jaar. Humphrey Campbell* wijst ons samen met zijn swingende broers de weg. Het duurt nog even want ze mogen als laatste artiesten optreden. Dat is niet ongunstig.

Via een echte showtrap betreden de presentatoren Lydia Cappolicchio en Harald Treutiger (blonde Zweed met een sexy spleetje tussen de tanden) de omgebouwde ijshockeyhal. De moderne headsetmicrofoon weigert bij haar eerste zinnen en je hoort alleen de nagalm in de enorme hal. Het is gelukkig snel hersteld. Het duo benadrukt dat de landkaart van Europa snel veranderd, geen Oost en West meer, en oude landen verdwijnen en nieuwe ontstaan. Er zijn drieëntwintig deelnemers, het zal het laatste jaar zijn voor Joegoslavië, dat eigenlijk al in meerdere Balkanlanden uiteengevallen is.

Strakke show

De show is strak geregisseerd, niet al te veel poes pas. Het publiek zit op plastic stoelen en zo her en der zie je een vlag, maar dan echt met een houten vlaggenstok eraan. Verder is het publiek rustig, staat op aan het einde van een optreden en applaudisseert beschaafd. Ook de presentatie houdt zich in, geen flauwe grapjes, voor zover ik kan beoordelen, want ze spreken Zweeds. Dus Willem van Beusekom heeft als commentator veel werk om de kijker bij te praten.

Na bijna twee uur is Nederland aan de beurt. Het postcardfilmpje voor het optreden staat bol van de clichés (zoals bij elk land). Het begint met tulpen op de Keukenhof. Utrechtse grachten en de Dom, de Elfstedentocht, de Rotterdamse haven, Schiphol, Amsterdamse grachtenpanden en fietsers. Met als toegift een stukje folklore met oude zeilschepen op het IJsselmeer. Harry van Hoof, de dirigent van het orkest – ja toen nog wel – wordt via een videowall voorgesteld. Daarna gaat Humphrey Campbell los. goed gezongen, mooie simpele choreografie, kleding die prima past bij het decor en een intermezzo op accordeon bespeelt door de componist van het liedje, Edwin Schimscheimer. Het blijkt uiteindelijk goed voor de negende plek. https://youtu.be/AB4qWP6Q7Z8

Strijd der titanen

De strijd der titanen gaat vanavond om componisten die al eerder aan het songfestival hebben meegedaan. Voor Duitsland is dat Ralph Siegel (winnaar met ‘Ein Bischen Frieden’). Hij heeft zijn groep Wind met wat personeelswisselingen gereanimeerd. De groep werd tweede in 1987 achter Johnny Logan. Maar het ‘Träume sind für alle da’ mag de vakjury uiteindelijk niet bekoren (16de plek). Modern Talkings Dieter Bohlen heeft het lied voor Oostenrijk geschreven. Tony Wegas eindigt op de tiende plaats met ‘Zusammen geh’n’.

Johnny Logan doet ook weer mee. Ditmaal heeft hij voor Linda Martin ‘Why me?’ geschreven. Hoog in de polls, maar de grootste concurrentie komt van de naaste buren, want Groot-Brittannië heeft musicalster Michael Ball afgevaardigd met ‘One step out of time’.

Puntentelling

Bij de puntentelling, het nodige gestuntel met de verbinding, maar verder verloopt het eigenlijk vlekkeloos. Ierland komt moeilijk opgang. Van Spanje dat als eerste land haar punten door mag geven, krijgt Linda 1 punt, maar als ze uiteindelijk halverwege de telling Malta en het Verenigd Koninkrijk inhaalt geeft ze de voorsprong niet meer uit handen. Michael Ball eindigt op een voor de Engelsen bekende plek, namelijk als tweede.

Linda Martin stamelt ‘I’m thrilled.’ Dat is ook de enige reactie die ze kan geven. https://youtu.be/oTPtDFxQgn4 Als ze het winnende liedje nog een keer zingt, staat er een extra achtergrondzanger in haar koortje. Een uitgelaten Johnny Logan. Hij steekt drie vingers in de lucht. ‘You did it again, Johnny!’ Nu is hij Mr. Eurovision. Dat doet niemand hem na, of Loreen moet in de komende jaren nog een liedje voor een winnende Zweedse deelnemer gaan schrijven. #esc1992

*Helaas is Humphrey Campbell begin dit jaar overleden.

Wegwerpmaatschappij

Ik heb mijn bijdrage aan de wegwerpmaatschappij wel geleverd deze maand. Spullen scheiden, plastic naar de plasticbak, papier naar papierbak, nog bruikbare kleding naar de kledingbank en grofvuil naar het scheidingsstation en de elektrische apparaten idem dito.

Je gooit dingen weg waarvan je denkt daar moet toch nog wel een goede bestemming voor zijn, daar kan je iemand anders blij mee maken, of dat verdient een tweede leven. Maar toch… je moet ervan af. Je gunt jezelf geen tijd om dingen als Marktplaats, Vintage of iets anders dat je helpt te ontspullen in te schakelen. Wel heb ik de kringloopwinkel gebeld. Maar dat valt vies tegen wat ze tegenwoordig meenemen. ‘Zeker geen ledikanten, geen bruin meubilair, sorry, meneer.’ Alleen het fitnessapparaat kan hun goedkeuring wegdragen en dat brengen ze dan ook subiet de kelder uit, de vrachtwagen in.

Milieustraat

Maar goed de eerste stappen zijn gezet. Ik heb een selectie gemaakt wat ik echt wil bewaren – of op een ander rustig moment nog eens ga uitzoeken. Nu moet alles waar ik van af wil naar de milieustraat worden gebracht. Ik huur een bestelbus en vraag een vriend of hij zin en tijd heeft om zaterdag te helpen met de onmogelijk in je uppie te tillen spullen. Buiten de kelder, in de gemeenschappelijke ruimte heb ik een hoek geconfisqueerd waar ik alle verhuisdozen en spullen die bewaard moeten blijven heb opgestapeld. Alles wat er nu nog in de kelder staat mag naar de stort.

In de buurtapp heb ik een oproep gedaan of de buren hun auto willen weghalen zodat de bus voor het portiek kan staan en we zo min mogelijk hoeven te slepen. Op de warmste dag van het voorjaar gaan we aan de slag. Algauw loopt het werkzweet me over de rug. Dankbaar maak ik gebruik van de theedoek die om mijn broekriem hangt.

Zaterdagchaos

In de eerste shift laden we zoveel mogelijk hout in: een oude kledingkast, een bureau, ledikanten, et cetera, en rijden daarmee naar de stort in Crailo. Opnieuw die zaterdagchaos, een enorme drukte. Ik ben blij dat mijn vriend de bus chauffeert. Handig laveert hij overal tussendoor en weet een goede parkeerplek bij de juiste stortcontainer te bemachtigen.

Het is een wereld op zich om bij die afscheiding rond te lopen en te zien waar iedereen van af wil. En typisch Goois: er rijdt een Porsche het terrein op, waar een blonde rondborstige dame uitstapt om een potje verf weg te brengen. Andere poshjongens tillen met moeite een antieke piano in de houtcontainer, de pletroller maakt er korte metten mee.

Als we de milieustraat verlaten staat er een lange file van auto’s – al dan niet met aanhanger – die het terrein op willen. Dat gaat straks nog drukker worden en moeilijker om je spullen snel kwijt te raken.

De tweede lading bestaat uit matrassen, tapijten, verfspullen, bloempotten, metaal afval en ander kleingoed. Alles verdwijnt in de daarvoor bestemde bakken. Het plastic emmertje met daaromheen nog verfresten mag niet bij het harde plastic, maar moet in de verfcontainer. Ja, de GAD-jongens houden alles keurig in de gaten.

Klaar voor isolatie

Twee en half uur later rijden we opgelucht van het terrein. Het was een zweterig afscheid van ouderlijke spullen die toch niet in je eigen interieur passen en zaken uit je leven waar nu geen plaats meer voor is. Ik ben blij dat deze rotklus erop zit. We hebben wel een biertje verdiend. Maar de vriend wil vanwege het mooie weer nog een rondje fietsen en slaat het aanbod af. Dat halen we een andere keer wel in. Ik ben in ieder geval blij dat hij me heeft geholpen.

De kelder is klaar voor de isolatie. Woensdag komen de mannen en gaat de spuit over het plafond voor een elf centimeter dikke laag purschuim. Dan kan ik alle verhuisdozen weer in de kelder zetten en me op een geschikt moment met de inhoud van de dozen gaan bezighouden. Alle onhanteerbare spullen zijn weg. Nu de vinger aan de pols houden, dat de kelder niet weer dichtgroeit.

Ontspullen

Waar ben ik aan begonnen? Bij het openen van de kelderdeur valt de fietspomp naar buiten. De eenentwintig vierkante meter staat bomvol. Om te inventariseren wat er allemaal staat, moet ik eerst een pad proberen te banen door de kelder. Dus sleep ik dozen en allerlei spullen naar buiten. Het begin van ‘gedwongen’ ontspullen, want vanwege een verduurzamingsproject van het appartementenblok worden de kelders geïsoleerd.

Buurman

Het opruimen van de kelders schept een band, want iedere buur komt even kijken en een praatje maken. Mijn buurman die een blik naar binnen werpt, zegt: ‘Als je een grote ruimte hebt, bewaar je ook veel spullen.’

Dat blijkt wel. Van de zes bewoners van mijn trappenhuis heb ik de grootste kelderruimte. Bij de indeling heeft niet iedere kelder hetzelfde aantal vierkante meters gekregen. Zelf heeft de buurman zijn kelder gepimpt: de muren gesausd, het plafond gestuct en de vreselijke zwarte rioleringspijpen wit geschilderd. Maar nu komt er dus een lelijke purschuimlaag op het plafond die een ribbelig landschap achterlaat. Voor deze vorm van isolatie is gekozen omdat in de kelders allerlei leidingen lopen die bij problemen zoals lekkage gemakkelijk te bereiken moeten zijn.

Verzameltype

Wat verzamel je een hoop spullen – ik ben het bewaar- en verzameltype. Kasten, bedden, fitnessapparatuur, computerspullen en allerlei (afgedankte) elektrische apparaten, verfspullen, schoonmaakartikelen, bloempotten en oude tijdschriften. Het is een kleine reis door je verleden, door een voltooid verleden tijd van je (familie)geschiedenis.

Ook kom je onverwachte dingen tegen, zoals een tasje met daarin breisels van mijn moeder toen ze al behoorlijke steken liet vallen. Of een groen vlak, daar blijken twee volle kratten bier te staan, vast van een langgeleden feest, vergeten dat ze er stonden. Nu is het een erg sterk bockbier geworden, waarvan alleen het toilet gulzig zal drinken.

Geen goed idee

Je kelder leegruimen in het weekend blijkt geen goed idee. In de straat staan alle auto’s voor de deur zodat je verder moet lopen om spullen die je weg wilt gooien naar je auto te brengen. Bij het winkelcentrum is de papiercontainer niet meer te onderscheiden, dozen en andere papierrotzooi staat er rondom opgestapeld. Sta je daar met een auto vol oud papier. Lekker dan, moet je op zoek naar een andere container in de buurt.

Op het scheidingsstation van de GAD in Crailo, zelfde laken en pak. Er staat een file en eenmaal op het terrein kan je niet vlak bij de desbetreffende stortplek parkeren. Uiteindelijk ben je blij dat je van je afgedankte spullen af bent.

Stress

Ik merk dat het leegruimen van de kelder bij iedereen toch min of meer voor stress zorgt. Mijn onderbuurvrouw heeft al drie dagen niet geslapen. Haar kelder staat ook propvol. Ze heeft besloten om een opslagboks te huren en studenten in te huren om de spullen daarnaartoe te verhuizen. Later neemt ze dan de tijd om de spullen in de gehuurde opslag uit te zoeken, en te beslissen wat ze echt wil houden en wat weg kan.

Mensen zeggen: ‘Als je niet weet wat er ligt dan mis je het ook niet en kun je het beter meteen weggooien.’ Maar dat weggooien moet niet onder tijdsdruk staan. Ik vind het fijn om tijd te hebben voor het uitzoeken en selecteren. Dus daarom maar steeds een stukje kelder afgraven. Wegbrengen wat in mijn auto past of in een verhuisdoos doen, wat bewaard moet blijven, wel met een duidelijke beschrijving wat erin zit. Er is nog een hoop opruimwerk te verzetten… (wordt vervolgd)

Geen Doe Maar meer

Het nieuws slaat in als een bom. Harmen Siezen kondigt in het Journaal aan dat de immens populaire band Doe Maar uit elkaar gaat. Op 14 april 1984 geven Henny Vrienten, Ernst Jansz, Jan Hendriks en Jan Pijnenburg in Den Bosch nog een afscheidsconcert. Huilende fans, vooral meisjes, is het gevolg. Ik ben ook wel een beetje van slag.

Doe Maar is publiek bezit, ze worden bedolven onder de fanmail en kunnen zich voor en na de optredens alleen dankzij uitgebreide voorzorgsmaatregelen de meisjes van het lijf houden. De optredens zelf eindigen, waar ook in Nederland, in een volstrekt pandemonium waarbij de muziek goeddeels overstemd wordt door gekrijs en ongevraagde community singing van de fans. Henny Vrienten hoeft maar even een swingende move te maken of de meisjes vallen bij bosjes flauw.

Aan eigen succes ten onder

De popgroep is aan zijn eigen succes ten onder gegaan. Frontman Henny Vrienten noemt het in het Journaal een gevoel van bevrijding. ‘We hadden allemaal zoiets van laten we ermee ophouden. Het was een fantastische periode. We hebben altijd te gek samengespeeld en we hebben leuke dingen meegemaakt. (…) Duidelijk is dat we er niet voor kiezen om commerciële uitbuiting en publiciteitspers langer toe te laten in ons leven. We worden er steeds depressiever van.’

De commercie heeft goed verdiend aan Doe Maar. Meer dan zevenhonderdduizend elpees zijn verkocht en vijfhonderdduizend singles, dat is een miljoenenomzet. Maar de bandleden zelf zijn er niet rijk van geworden. Doe Maar en de fans waren een goudmijn voor (illegale) handelaren in T-shirts, zweetbandjes, posters en buttons. Doe Maar was een rage en elke winkel verkocht wel iets wat met de band te maken had, vaak zonder dat er rechten voor werden afgedragen.

Swingende Nederpop

Met genoegen kijk ik terug op Doe Maar. https://youtu.be/A9sQZvozxz0  Ik ben niet per se fan van Nederlandstalige muziek, maar nadat ik op een huisfeest de elpee ‘Doris Day en andere stukken’ hoor, ben ik verkocht. Nederpop waarop je kunt dansen! Ik begin aan een inhaalslag. De band die in 1978 is begonnen, eerst nog zonder Vrienten, had er al een hele carrière opzitten. Al hun elpees heb ik in een paar maanden aangeschaft. Hun onbevangen en opgewekte muziek, het reggae-element en de aansprekende teksten zijn inmiddels iconisch. Het gevolg is dat je alles mee kunt zingen: 32 Jaar, Is Dit Alles, Doris Day, Belle Hélène, Nachtzuster, Pa en De Bom.

Goede herinneringen heb ik aan de jubileumconcerten die ze jaren later hebben gegeven en Symphonica in Rosso. Met het overlijden van Henny Vrienten, twee jaar geleden, zal dat nu niet meer gebeuren. Geen swingende optredens meer, geen knalgroen en roze uitdossingen meer. Tja…’Het is over’, ‘Alles gaat voorbij.’ #DoeMaar

Tajiri

Werken met een bekende Nederlander komt wel vaker voor tijdens mijn tv-arbeid, maar oog in oog staan met een internationaal bekende kunstenaar is een unicum. Voor Teleac-Not maken we een serie over Industrieel Erfgoed. Ik ben bezig met de voorbereiding voor de aflevering over ijzergieterijen, die met name in het zuiden en oosten van ons land te vinden zijn.

Bij een locatiebezoek aan een ijzergieterij in Baarlo vertellen ze me trots dat ze over een maand een kunstwerk van de Amerikaans-Japanse beeldhouwer Shinkichi Tajiri gaan gieten. Deze mogelijkheid grijp ik met beide handen aan, ik neem meteen contact op met de kunstenaar om zijn toestemming te vragen.

Beeldhouwer

Ondertussen doe ik mijn huiswerk. Tajiri is geboren in Amerika uit Japanse ouders. Tijdens de WOII wordt het gezin Tajiri gevangengezet in een kamp (argwaan tegenover de Japanse vijand). De jonge Tajiri meldt zich als vrijwilliger aan voor het leger om zo aan het leven in een kamp te ontkomen. Met een speciale Amerikaans-Japanse eenheid vertrekt hij naar Europa om tegen de nazi’s te vechten. Na de oorlog kan hij niet aarden in de USA – Japanners worden met scheve ogen aangekeken – en Tajiri vestigt zich als jonge beeldhouwer in Parijs. Via contact met de Cobragroep komt hij naar Nederland, eerst woont hij in Amsterdam. In 1962 koopt Tajiri in Baarlo het vervallen kasteel Scheres. Daar woont en werkt hij tot aan zijn dood in maart 2009.

Het werk van de beeldend kunstenaar is simpelweg op te delen in vier thema’s: iconische krijgers, torens, knopen en machines. Ik ontmoet hem bij het vervaardigen van een gietijzeren knoop, die in Baarlo geplaatst zal worden.

IJzergieterij

In de ijzergieterij van de familie Geraerdts hebben ze alles in gereedheid gebracht. Ook wij als tv-crew zijn er klaar voor. Een kleine, bescheiden man komt binnen en schudt vriendelijk handen met iedereen. Hij oogt een beetje verlegen, maar blijkt die middag een harde werker. Iemand die weet wat hij wil. Zorgvuldig bekijkt hij de mal waarin de vorm van zijn kunstknoop duidelijk te zien is. Langzaam zakt de contramal er minutieus boven op. Als het ijzer in de koepeloven op de juiste temperatuur is, kan het gieten beginnen. Via een lier wordt de pot met kokend ijzer boven de mal gebracht. De oranjerode vonken springen knisperend in het rond als het ijzer voorzichtig in de mal verdwijnt.

Interview

Terwijl het gegoten kunstwerk droogt en afkoelt heeft Tajiri tijd voor een interview. ‘De knoop is een vorm die iedereen direct herkent en begrijpt, een symbool van verbinding en eenheid. In de Japanse traditie staat de knoop symbool voor verbondenheid met de familie, met de voorouders. Ook symboliseert het een verbinding tussen culturen, verzoening en vriendschap tussen volken. Daarnaast staat het voor de intense omarming van geliefden,’ zegt hij met een droog lachje.

Als de knoop losgemaakt wordt van de mal en uit het zand is getakeld neemt Tajiri zelf de slijptol ter hand om de bramen weg te slijpen. ‘Eenvoud is altijd mijn leidende principe. Gietijzer is een mooi materiaal om mee te werken, fundamental and basic, maar ik maak ze ook uit hout, polyester en brons.’

Twee tentoonstellingen

Deze herinnering komt boven omdat er momenteel twee tentoonstellingen zijn over het werk van Tajiri. Op een zondige zondag rij ik eerst naar Venlo. In Museum van Bommel van Dam (het oude postkantoor) is een overzichtstentoonstelling vanwege zijn honderdste geboortedag. Het museum heeft een noviteit, je kan het werk bezichtigen door gebruik te maken van een AI-applicatie, aan deze interactieve gids kan je allerlei vragen stellen over zijn kunstwerken. Maar op deze mooie dag zijn er twee suppoosten die ook graag iets over hem willen vertellen. Zo lijkt de inrichting van de tentoonstelling nog het meest op zijn atelier in het kasteel, waar ook alle kunstwerken door elkaar heen staan, vertellen ze me enthousiast.

Bonnefantenmuseum

In de middag rij ik door naar het Bonnefantenmuseum in Maastricht, daar hebben twee kleinkinderen van Tajiri een expositie samengesteld. Daarbij heb je het gevoel alsof je door het familiealbum loopt. Veel kiekjes van de kunstenaar met zijn familie, vrouw, dochters, assistenten en natuurlijk zijn twee kleinkinderen Tanéa en Shakuru Tajiri. Allemaal in combinatie met sleutelwerken uit zijn Knopen, Machines, Krijgers en Torenreeks. Tajiri was niet alleen beeldhouwer, maar ook schilder, fotograaf en de computer kende voor zijn kunst geen geheimen. https://youtu.be/DW9vUhtBMhc

Voor mij is het een trip down memory-lane door zijn oeuvre. De tentoonstelling ‘The Restless Wanderer’ in Maastricht is nog tot en met 12 mei te bezoeken.

Het ruwhouten kruis

Vandaag vieren we de opstanding van Jezus uit de dood: Pasen. In het ochtendgloren is het graf leeg waarin Hij na de kruisiging is begraven. In de christelijke traditie symboliseert het kruis de overwinning van Jezus over de dood. Christenen geloven dat Jezus door te sterven zelf de straf voor de zonden van de mensen op zich genomen heeft.

Het kruis is een teken waarop menig reclamemaker jaloers is. Het heeft een enorme uitstraling en brengt massa’s mensen in beweging. Mensen slaan een kruisje als ze iets moeten doen of gedaan hebben. Mensen hangen het als ketting om hun hals of tatoeëren het op hun lichaam. Kruisen staan op torenspitzen van kerken, op graven, langs wegen en ze hangen boven deuren en bedden. Je ziet ze op vlaggen en wapenschilden. Het kruis doet het goed als beeldmerk.

Executiemiddel

Een kruisiging is in Jezus’ tijd een gebruikelijk executiemiddel. Het is een wreed marteltuig. De Romeinen springen niet bepaald zachtzinnig om met het slachtoffer, dat zelf de dwarsbalk moet dragen naar de plaats van de kruisiging, waaraan hij met uitgespreide armen vastgebonden is. Struikelt hij onderweg, dan kan hij zichzelf niet opvangen en valt hij plat op zijn gezicht. Hij krijgt de zware balk in zijn nek, waarna hij ernstig gewond gedwongen wordt om zijn weg te vervolgen.

Op de plaats van de executie drijft een soldaat met enkele ferme hamerslagen een vingerdikke vierkante spijker door iedere pols in de dwarsbalk. Waardoor ze ontwricht zijn en de zenuwen aangetast. Direct daarna trekken de soldaten het slachtoffer aan deze balk tegen de rechtopstaande paal omhoog, eventueel met behulp van touwen en ladders als het om een hoge paal gaat. Het volle gewicht van het lichaam van de veroordeelde hangt aan de twee spijkers. Tenslotte zetten ze de voeten van de veroordeelde op elkaar en bevestigen hen met één lange spijker aan het hout.

Gruwelijk lijden

Dan volgt de eenzame doodstrijd. Een gruwelijk lijden. Het bloedverlies is gering, maar de pijn ondraaglijk. De veroordeelde hangt aan de spijkers en wil zich oprichten om de pijn te verlichten en te kunnen ademen, maar door uitputting lukt dat uiteindelijk niet meer en komt hij om door verstikking.

De lichamen van de gekruisigden blijven meestal aan het hout hangen totdat roofvogels het vlees van het skelet scheuren en wilde honden de resten die onder het kruis vallen opvreten.

Het kruis als genadeteken

Gelukkig is Jezus’ lichaam van het kruis gehaald en in een graf gelegd. En daar eindigt het niet: op paasochtend blijkt Hij opgestaan. Het grootste wonder ooit.

In de kunst wordt Jezus op twee manieren aan het kruis afgebeeld. Eén waarbij het lijden van Jezus de belangrijkste boodschap is, en de andere voorstelling waarbij de zegenvierende Christus te zien is, in wie de verrijzenis al wordt aangekondigd.

Het kruis brengt mensen in een andere verhouding tot God. Het kruis vat alles samen wat christenen geloven. Het is het ultieme genadeteken: het teken dat God om mensen geeft en alles voor hen over heeft.

Christenen erkennen met het kruis de realiteit van hun zonden, maar ook dat die door Jezus Christus gedragen worden, zodat ze hen niet worden toegerekend. Jezus stond op uit de dood om Zijn leven te delen met iedereen die gelooft en Zijn Geest ontvangt. Dat geloof opent enorme perspectieven.

Wie het kruis serieus neemt ontdekt dat het niet alleen een sprekend symbool is, maar ook een teken dat werkt. Er gaat kracht vanuit. Gods kracht. Het kruis pakt de doodlopende wegen in ons leven aan, het wijst ons een betere weg en maakt die ook mogelijk. Het ruwhouten kruis is een teken van hoop voor de toekomst.

Rookverbod

‘Ik ga nog even een sigaretje roken.’ Ik laat mijn pint en tijdelijke gezelschap achter bij de bar en loop met m’n pakje Marlboro’s naar buiten. Shit, vergeten mijn aansteker mee te nemen. ‘Heb je een vuurtje?’

De man naast me grijpt in de binnenzak van zijn jeansjasje. Hij geeft me een gele BIC-aansteker. Omdat het waait houdt hij zijn handen behulpzaam om het vlammetje. Het vuur trekt in de sigaret. Ik neem een eerste haal en inhaleer diep. Een trilling gaat door mijn lijf. Ik moet dit eigenlijk niet meer doen, slecht voor mijn hart en longen, maar ja…

‘Hoe bevalt het om buiten te moeten roken?’ vraag ik aan de vuurgever.

Hij antwoordt knorrig. ‘Geen ideale situatie, Paddy. Wie dit verzonnen heeft moesten ze…’ De rest van zijn antwoord verdwijnt in een kleine hoestbui. Ik maak er op uit dat hij premier Bertie Ahern niet veel goeds toewenst.

Roken op het trottoir

We staan buiten op de stoep voor een pub te roken. Tegenwoordig staan in Ierland alleen de trottoirs nog blauw. De roker is een buitenmens geworden, een openluchtwezen.

Ik blaas de rook uit en voel me een beetje licht in mijn hoofd. Sinds kort ben ik weer begonnen, na meer dan een jaar clean te zijn geweest. Erg benieuwd welke situatie ik zal aantreffen in Galway nu Ierland als eerste in de EU een rookverbod heeft ingesteld voor alle publieke ruimtes inclusief de horeca.

In een land waar pub, sigaret en drank traditioneel een drie-eenheid vormen voelt het toch vreemd aan. Bij binnenkomst in de pub denk je: hè, waarom hebben die mensen hun glas niet leeggedronken? Maar dat zijn pints van de verstokte rokers die bij de ingang staan kou te kleumen, omdat ze echt niet zonder een trekje van een sigaret kunnen, en even noodgedwongen hun drankje hebben achtergelaten. Mag er buiten niet gedronken worden?

Bang voor omzet

Het rookverbod is op het groene eiland hard aangekomen. Dit is ook ons voorland. In Nederland geldt momenteel alleen nog een rookverbod op het werk, maar er gaan stemmen op (het is 2004) om het ook in de horecagelegenheden te verbieden. Nu op vakantie kan ik daarvan de praktische consequenties aan den lijve ondervinden. De horecaeigenaren zijn er niet blij mee, bang voor hun omzet. Ze vrezen dat de klanten thuisblijven, maar zo te zien valt het mee. Wel hebben ze massaal Chinese terrasverwarmers aangeschaft om het roken buiten nog enigszins comfortabel te maken.

Ik gooi mijn peuk op de grond en druk hem met mijn sneaker uit – het voordeel van buiten roken. Zo te zien ben ik niet de enige die dat doet. ‘Kom, ik ga maar weer de pub in!’ en ik knik naar mijn mederoker. Binnen is mijn gezelschap in een geanimeerd gesprek met de barman verwikkeld.

Rookvrije omgeving

Drie jaar later voert ook Nederland het algemene rookverbod in. Eerst nog een lafhartige periode met speciaal afgesloten rokersruimten in de kroegen. Het is me inmiddels gelukt om definitief met roken te stoppen. En nu twintig jaar na dato valt het me op dat er steeds meer borden op buitenlocaties verschijnen met de oproep voor een rookvrije omgeving. Zo kan het rokerstij keren. #rookvrijeruimte

Familieverhaal schrijven

‘Bij ons in de familie’ is het thema van de Boekenweek. Een dankbaar thema, want iedereen maakt deel uit van een familie, welke vorm of samenstelling die ook heeft. Iedereen draagt de sporen van het familieleven met zich mee; van mooie en zelfs schitterende, tot soms helaas ook nare herinneringen. Een grootmoeder die er een dubbelleven op na hield, een verzwegen kind dat ineens opduikt, een oudoom die een schurk bleek.

Wat is je boodschap?

Veel mensen komen op een punt dat ze iets met die familieverhalen willen, al was het alleen maar om ze vast te leggen voor het nageslacht. Anderen hebben grotere dromen en willen het verhaal van hun familie toegankelijk maken voor een breder publiek. Daar moet je dan wel goed over nadenken en de tijd voor nemen. Waarom wil je dat en wat is dan jouw specifieke boodschap?

Vaak concentreert men zich op de gebeurtenissen. Dat levert vaak een lange opsomming op. Om een boeiend verhaal te schrijven, kun je je beter richten op het waaróm dan op het wát. Wat drijft de mensen in het verhaal? De personages en hun lotgevallen gaan pas leven voor mensen buiten jouw eigen familie als het zo is opgeschreven dat de lezer zich met hen kan identificeren of zich gaat afvragen waaróm iemand heeft gedaan wat ie heeft gedaan.

Fotoalbum

Stel je wilt alleen schrijven voor je intimi dan zou je dat heel simpel kunnen houden. Pak de oude fotoalbums en schrijf bij elke foto een verhaaltje: wie staan erop en wat betekenen ze voor je? Wat gebeurde er, wanneer? Het nageslacht zal je er dankbaar voor zijn, want hoe vaak komt men bij het opruimen van een huis niet een album tegen waarbij men niet weet wie de mensen zijn op bepaalde foto’s. Maar een nadeel is dat vroeger niet van alles foto’s zijn gemaakt; vaak alleen op hoogtijdagen.

Je kan ook een verzameling van herinneringen en anekdotes van opmerkelijke gebeurtenissen beschrijven, dat levert een prachtig doorkijkje op in een mensenleven. Of in de vorm van een uitvoerige brief noteren wat belangrijk en waardevol is voor je en waarom je bepaalde keuzes in je leven hebt gemaakt.

Originele vorm

Wil je echt voor een breed publiek schrijven dan vergt dat een serieuze aanpak. Alle data, gebeurtenissen, personen en herinneringen zijn lastig te ordenen. Bedenk van tevoren hoe je het boek ongeveer wilt indelen. Hoe ga je het familieverhaal vertellen: chronologisch of thematisch? Bedenk een originele vorm en verwerk de feiten op een creatieve manier. Dit doe je door jouw eigen schrijfstijl, beeldend taalgebruik en opvallende details en eventueel ook dialogen toe te passen. Zo laat je je familieleden en omgeving tot leven komen. Oek de Jong neemt bijvoorbeeld het halen van zijn rijbewijs op latere leeftijd als kapstok om zijn familiememoires te kunnen vertellen.

Privacy

Op een belangrijk aspect bij het schrijven van een familieverhaal wil ik je nog graag wijzen: houd rekening met de (wettelijke) privacy van personen. Je bent niet ‘Remi alleen op de wereld’. Hoe schrijf je over anderen, zeker als ze nog leven? Het kan gaan over ruzies, beslissingen die je genomen hebt waarbij je familieleden hebt gekwetst, of zij jou. Anderen kiezen er niet voor om een rol in jouw boek te spelen. Hoe ver ga je? Vraag jezelf continu af of een gebeurtenis écht iets toevoegt aan het familieverhaal.

Meestal wil je iemand uit je familie liever niet in een kwaad daglicht stellen. Dus let op hoe je over een situatie schrijft. Probeer afstand te nemen van jezelf en met de ogen van een buitenstaander te kijken. Dat kan helpen om niet bevooroordeeld, maar juist waarnemend te schrijven. Wees respectvol naar de ander en laat ruimte voor de lezer om te interpreteren. Besef dat je vaak schrijft vanuit eigen herinneringen. Hier ligt echter de valkuil van de ‘eigen waarheid’.

Maar laat je door dit dilemma niet tegenhouden. Ik pleit voor het opschrijven van familieverhalen, ze mogen niet verloren gaan. Dat is zó zonde. Ik kan je erbij helpen! www.taalmens.nl #taalmens #boekenweek2024 #familieverhalen