Iedere keer als ik het kledingstuk in de blauwe bak zie liggen, denk ik aan je. De eerste keer dat ik het overhemd opmerk, blijf ik abrupt staan. Alsof iemand even aan de tijd trekt. Een flits, recht terug naar toen. Dit shirt – precies in deze kleurcombinatie – heb ik in geen vijf decennia meer gezien. En toch herken ik het meteen. Het dessin staat in mijn geheugen gegrift. Vooral dat ene, smalle gele streepje.
Ruw katoen. Blokken in blauw, donkergroen en wit. Lange mouwen, twee borstzakken, een knoopsluiting. Een werkoverhemd, eigenlijk. Niets bijzonders. behalve dat jij het draagt. Hoe vaak heb ik je er niet in zien lopen. Of beter gezegd: hoe vaak heb ik je niet stiekem bekeken.
Fotograaf
Je draagt het op de dag dat de fotograaf naar school komt. Die foto – van jouw klasgenoot, de jongen die in de krant staat vanwege de Vietnamese bootvluchtelingen – wordt voor mij iets heel anders. Want jij staat erop. Op de achtergrond, een beetje schuin, maar onmiskenbaar jij. In dat overhemd.
Ik heb het artikel zorgvuldig uitgeknipt. Bewaard. Verstopt bijna. Eindelijk heb ik iets van je dat blijft. Als het goed is, ligt het nog ergens. Vergeeld misschien, maar nog steeds met dezelfde lading. Dat zegt genoeg.
Spanning
Als ik nu met mijn vingers over de stof strijk, terwijl ik de overhemden in de bak tel, gebeurt er iets. Een glimlach sluipt over mijn gezicht. En ergens, diep vanbinnen, gloeit iets dat ik nooit helemaal ben kwijtgeraakt.
Dat gele streepje… het trekt nog steeds mijn aandacht. Eigenlijk is het geen mooie combinatie. Ik zou het zelf nooit kiezen. Maar omdat jij het draagt, is het onweerstaanbaar. Draag je het met tegenzin? Heeft je moeder het voor je gekocht, zonder dat je er iets over te zeggen hebt? Misschien. Maar op jouw lijf krijgt het iets magisch. Iets verleidelijks.
Je draagt een S’je. De strakke jeans eronder zit je als gegoten. Ik durf nauwelijks te kijken en tegelijkertijd kan ik het niet laten. Je bewegingen hebben iets vanzelfsprekends, iets lichts waardoor mijn blik steeds blijft hangen. De lijnen van je lichaam, de spanning onder de stof… het is nieuw voor me. Intens. Verwarrend. Opwindend. Ik ben hopeloos verliefd.
Op de fiets
We fietsen elke dag dezelfde route. Langs de Drentse Hoofdvaart, in een groep die groeit en weer uitdunt. Vaak rij ik net achter je. Dicht genoeg om alles te zien, ver genoeg om niets te hoeven zeggen.
Bij mooi weer draag je het overhemd open, met een T-shirt eronder. Het katoen beweegt met je mee, strijkt langs je lichaam bij elke trap die je maakt. Mijn blik volgt, bijna automatisch. Alsof ik geen keuze heb.
Soms rijden we naast elkaar. Zeldzaam. Bijna toevallig. Eén keer – ik weet het nog –kijk je me aan. ‘Doe het nou,’ zeg je. Of heb ik dat alleen maar gedacht? Wat moet ik zeggen? Dat ik je meer dan leuk vind? Dat ik je wil aanraken, dichtbij je wil zijn, wil voelen of je echt zo warm en zacht bent als ik me voorstel?
Ik zeg niets.
Verdwenen
En dan, ineens, ben je weg. Een andere school. Een andere route. Alsof je nooit echt hebt bestaan – alleen even langs mijn leven bent gefladderd.
Toch zie ik je nog af en toe. Op een schuurfeestje bij mij thuis. Of later, zakelijk bijna, als je melkmonsters komt nemen. Maar elke keer gebeurt hetzelfde: ik raak mijn woorden kwijt. Mijn rust. Mijn zinnen.
En nu lig je hier weer. Of iets van je. In de vorm van een overhemd. Het ligt nu al een tijdje in de bak. Te uitgesproken, blijkbaar. Niet populair. Bijna zielig. Alsof niemand ziet wat ik zie. Misschien wordt het straks afgeprijsd. Verplaatst. Uiteindelijk weggestuurd met een outlet.
En toch… iedere keer als ik het aanraak, is het alsof jij heel even terugkomt.







