Overhemdcrush

Iedere keer als ik het kledingstuk in de blauwe bak zie liggen, denk ik aan je. De eerste keer dat ik het overhemd opmerk, blijf ik abrupt staan. Alsof iemand even aan de tijd trekt. Een flits, recht terug naar toen. Dit shirt – precies in deze kleurcombinatie – heb ik in geen vijf decennia meer gezien. En toch herken ik het meteen. Het dessin staat in mijn geheugen gegrift. Vooral dat ene, smalle gele streepje.

Ruw katoen. Blokken in blauw, donkergroen en wit. Lange mouwen, twee borstzakken, een knoopsluiting. Een werkoverhemd, eigenlijk. Niets bijzonders. behalve dat jij het draagt. Hoe vaak heb ik je er niet in zien lopen. Of beter gezegd: hoe vaak heb ik je niet stiekem bekeken.

Fotograaf

Je draagt het op de dag dat de fotograaf naar school komt. Die foto – van jouw klasgenoot, de jongen die in de krant staat vanwege de Vietnamese bootvluchtelingen – wordt voor mij iets heel anders. Want jij staat erop. Op de achtergrond, een beetje schuin, maar onmiskenbaar jij. In dat overhemd.

Ik heb het artikel zorgvuldig uitgeknipt. Bewaard. Verstopt bijna. Eindelijk heb ik iets van je dat blijft. Als het goed is, ligt het nog ergens. Vergeeld misschien, maar nog steeds met dezelfde lading. Dat zegt genoeg.

Spanning

Als ik nu met mijn vingers over de stof strijk, terwijl ik de overhemden in de bak tel, gebeurt er iets. Een glimlach sluipt over mijn gezicht. En ergens, diep vanbinnen, gloeit iets dat ik nooit helemaal ben kwijtgeraakt.

Dat gele streepje… het trekt nog steeds mijn aandacht. Eigenlijk is het geen mooie combinatie. Ik zou het zelf nooit kiezen. Maar omdat jij het draagt, is het onweerstaanbaar. Draag je het met tegenzin? Heeft je moeder het voor je gekocht, zonder dat je er iets over te zeggen hebt? Misschien. Maar op jouw lijf krijgt het iets magisch. Iets verleidelijks.

Je draagt een S’je. De strakke jeans eronder zit je als gegoten. Ik durf nauwelijks te kijken en tegelijkertijd kan ik het niet laten. Je bewegingen hebben iets vanzelfsprekends, iets lichts waardoor mijn blik steeds blijft hangen. De lijnen van je lichaam, de spanning onder de stof… het is nieuw voor me. Intens. Verwarrend. Opwindend. Ik ben hopeloos verliefd.

Op de fiets

We fietsen elke dag dezelfde route. Langs de Drentse Hoofdvaart, in een groep die groeit en weer uitdunt. Vaak rij ik net achter je. Dicht genoeg om alles te zien, ver genoeg om niets te hoeven zeggen.

Bij mooi weer draag je het overhemd open, met een T-shirt eronder. Het katoen beweegt met je mee, strijkt langs je lichaam bij elke trap die je maakt. Mijn blik volgt, bijna automatisch. Alsof ik geen keuze heb.

Soms rijden we naast elkaar. Zeldzaam. Bijna toevallig. Eén keer – ik weet het nog –kijk je me aan. ‘Doe het nou,’ zeg je. Of heb ik dat alleen maar gedacht? Wat moet ik zeggen? Dat ik je meer dan leuk vind? Dat ik je wil aanraken, dichtbij je wil zijn, wil voelen of je echt zo warm en zacht bent als ik me voorstel?

Ik zeg niets.

Verdwenen

En dan, ineens, ben je weg. Een andere school. Een andere route. Alsof je nooit echt hebt bestaan – alleen even langs mijn leven bent gefladderd.

Toch zie ik je nog af en toe. Op een schuurfeestje bij mij thuis. Of later, zakelijk bijna, als je melkmonsters komt nemen. Maar elke keer gebeurt hetzelfde: ik raak mijn woorden kwijt. Mijn rust. Mijn zinnen.

En nu lig je hier weer. Of iets van je. In de vorm van een overhemd. Het ligt nu al een tijdje in de bak. Te uitgesproken, blijkbaar. Niet populair. Bijna zielig. Alsof niemand ziet wat ik zie. Misschien wordt het straks afgeprijsd. Verplaatst. Uiteindelijk weggestuurd met een outlet.

En toch… iedere keer als ik het aanraak, is het alsof jij heel even terugkomt.

Bliksem, donder en hagelstenen

Tijdens mijn jeugd, diep in de nacht. In de verte hoor je het onweer donderen. Even later bereikt het onze boerderij. Door het donkere slaapkamerraam zie ik hoe de bliksem de hemel opensplijt. De donder is machtig. Mijn moeder roept dat we naar beneden moeten komen. We zitten met z’n vieren rond de keukentafel, ik heb mijn pyjama nog aan. Op de tafel staat een geldkist, meen ik, met daarin de verzekeringspapieren. Bij een heftige onweersbui is dit een vaste gewoonte.

Rond de keukentafel

Een nieuwe felle schicht doet iedereen aan tafel opschrikken. We tellen hoelang het duurt voordat de donder klinkt. Elke seconde staat voor driehonderd meter afstand. We komen tot vijf. ‘Misschien beter om wat kleren aan te doen en schoenen,’ adviseert mijn vader. Ik pak een broek en T-shirt en veter mijn schoenen. Onze jassen hangen klaar aan de kapstok, zo kunnen we ze meteen pakken en naar buiten rennen als de bliksem inslaat.

Opnieuw zet een bliksemschicht alles buiten in het licht. Drie tellen later volgt de donder. Het onweer komt steeds dichterbij.

Soms zitten we zo best lang aan die tafel. Het onweer lijkt dan boven de boerderij te blijven hangen. Mijn vader zegt dat de onweersbui tegen het Fochteloërveen aanhikt en niet over de hoge bomen heen kan komen.

Een fel licht en meteen een helse knal. Oei, die is dichtbij. Een rilling gaat over mijn rug. Ik zit het liefst zo ver mogelijk van het raam vandaan. Buiten dendert een donderorkest. Het huis van de buren baadt in een zee van elektrische ontladingen. Ik hoop dat het snel voorbij is.

Bevrijdende regen

Eindelijk begint het te regenen. Steeds harder. ‘Het teken dat we het ergste onweer gehad hebben,’ zegt mijn vader geruststellend. De stortregen valt loodrecht en in dikke, zware druppels. Mijn vader gaat voor het raam staan en kijkt hoe het water uit de dakgoot klettert, het tegelpad overspoelt en de sloot voor de boerderij vult. ‘Dat wordt morgen niet op het land werken, alles is kletsnat,’ constateert hij droog.

Opstaan voor het onweer is echt iets uit mijn jeugd. Alleenstaande boerderijen zijn in het vlakke land natuurlijk het hoogste punt en trekken de bliksem aan. Net als hoge bomen, daarom moet je bij een onweersbui ook nooit onder een boom gaan schuilen, heb ik geleerd.

We kennen het gevaar van onweer en hebben er ontzag voor. Tweemaal vliegen de vuurballen rond de boerderij als de bliksem inslaat op de elektrische afrastering van de weilanden. Behoorlijk intens en super eng.

Onheilspellend

Tegenwoordig ga ik niet meer mijn bed uit tijdens een onweer. Zelfs niet als het vreselijk te keer gaat en klap op klap volgt. Ik tel nog wel steeds en zorg ervoor dat alle ramen en deuren dicht zijn.

Ook hier in de stad kan het flink onweren. Ik herinner me nog een doordeweekse dag. Ik werk thuis. De lucht betrekt, je ziet aan de hemel dat er noodweer opkomst is. Een onheilspellende rollende grijze wolk alsof de hemel in een zee is veranderd en de branding elk moment op mijn flat kan stukslaan – een zogenaamde shelf cloud. Ineens is daar die enorme klap. De radio valt uit. Buiten hoor ik het kraken van hout. Eén van de grote hoge bomen in de binnentuin tussen de flats aan de overkant is door de bliksem letterlijk doormidden gespleten. Rumoer op straat, geschrokken buurvrouwen die naar buiten komen om te zien wat er aan de hand is. Vanuit mijn hoge positie kan ik het allemaal goed overzien. Ik wijs naar de getroffen boom.

Dikke hagelstenen

Bij de tropische temperaturen afgelopen juni is het in Hilversum opnieuw raak met zware onweersbuien. Toch een bewijs dat de klimaatverandering een verontrustende slag sneller gaat. De afgelopen tien zomers zijn warmer en droger dan de scenario’s van de wetenschappers voorzien. Met onverwachte harde stortregens. In de nacht van zaterdag op zondag breekt er een heftig onweer los met zware windstoten. Hagelstenen van wel vijf centimeter dikte bekogelen de lichtkoepel van ons trappenhuis. Het is een oorverdovend kabaal. De schade is enorm. Gaten in de koepels van alle portieken. De auto’s in de straat zitten onder de butsen en deuken. Het lijken wel grote poffertjespannen. Bij een buurvrouw is er zelfs een forse hagelsteen door de voorruit gegaan.

Geen leuke ervaring, want deze uitschieters in hitte en felle onweersbuien zullen blijven komen. Zeker als je weet dat de politiek qua klimaatbeleid hopeloos achter de feiten aansukkelt. Tijd voor een betere aanpak.

 

Sciencefiction of niet?

Waarom fascineert de mogelijkheid van buitenaards leven ons toch zo? Misschien omdat het een van de grootste vragen is die we onszelf kunnen stellen: zijn we alleen in het universum?

Afgelopen weekend vond in Hilversum een internationaal UFO-festival plaats. Een van de publiekstrekkers was de nieuwe film van Steven Spielberg, een regisseur die zijn naam heeft gevestigd met enkele van de meest iconische sciencefictionfilms ooit gemaakt. Wie heeft E.T. niet in zijn hart gesloten?

Met zijn nieuwste film Disclosure Day lijkt Spielberg echter een stap verder te gaan dan ooit tevoren. Waar zijn eerdere films vooral speelden met de vraag óf buitenaards leven bestaat, stelt hij nu een andere vraag: wát als ze er al zijn?

De trailer suggereert precies dat. https://youtu.be/SCYT8vb2siQ Spielberg stond jarenlang bekend als een soort ‘alien-agnost’: hij achtte buitenaards leven waarschijnlijk, maar twijfelde eraan of intelligente wezens de aarde daadwerkelijk zouden bezoeken. In Disclosure Day lijkt die twijfel verdwenen.

Het verhaal draait om Margaret (Emily Blunt), een weervrouw uit Kansas City die tijdens een live-uitzending plotseling begint te spreken in een vreemde, klikachtige taal. Ze lijkt in trance. Tot ieders verbazing begrijpt cyberexpert Daniel (Josh O’Connor) haar woord voor woord. Wat verbindt deze twee mensen? En waarom probeert de mysterieuze organisatie Wardex, geleid door een sinistere directeur (Colin Firth), koste wat kost te voorkomen dat de waarheid naar buiten komt?

‘De mensheid is niet klaar voor wat wij weten,’ klinkt het dreigend. Dat belooft tweeënhalf uur spektakel.

Meer dan alleen fantasie?

Volgens Spielberg bevat Disclosure Day ‘meer waarheid dan fictie’. Dat geeft de film direct een andere lading dan zijn eerdere werk. In zijn verbeelding hebben de buitenaardse bezoekers de bekende kenmerken die we uit talloze UFO-verhalen kennen: lange, dunne vingers, geribbelde huid en grote, schotelvormige ogen.

Opmerkelijk genoeg sluit de film aan bij de groeiende publieke belangstelling voor vrijgegeven UFO-documenten van het Amerikaanse ministerie van Defensie. In de afgelopen jaren zijn tientallen foto’s, video’s en meer dan 160 documenten openbaar gemaakt waarin ongeïdentificeerde vliegende objecten worden besproken. Volgens UFO-onderzoekers bevatten veel van die documenten weinig nieuws, omdat ze eerder al waren uitgelekt. Het verschil is echter dat de authenticiteit ervan inmiddels officieel is bevestigd.

Dat roept vragen op. Als overheden UFO-meldingen serieus nemen, waarom blijft er dan zoveel onduidelijk? Mogelijk speelt nationale veiligheid een belangrijke rol. Defensieorganisaties zullen niet snel onthullen welke geavanceerde detectie- en observatietechnieken zij gebruiken.

Wat als het echt gebeurt?

Stel dat wetenschappers daadwerkelijk een signaal van buitenaards leven opvangen. Wat doe je dan? Maak je dat onmiddellijk wereldkundig? Of wacht je eerst totdat alle mogelijke verklaringen zijn uitgesloten?

In een tijdperk waarin nepnieuws zich razendsnel verspreidt, is uiterste zorgvuldigheid noodzakelijk. Daarom bestaan er internationale protocollen voor de mogelijke ontdekking van buitenaards leven. Een vreemd radiosignaal of een onverklaarbaar object aan de hemel is niet voldoende. Eerst volgt uitgebreid wetenschappelijk onderzoek: controleren, verifiëren en opnieuw controleren. Zeker in een wereld waarin hackers, desinformatie en complottheorieën een grote rol spelen.

Een opvallende aanbeveling in die protocollen is bovendien dat er niet direct geantwoord moet worden op een mogelijk buitenaards bericht. Eerst moet overleg plaatsvinden met internationale instanties, zoals de Verenigde Naties. Want hoe verstandig is het eigenlijk om onze aanwezigheid kenbaar te maken? Wie zegt dat een buitenaardse beschaving vriendelijke bedoelingen heeft?

De waarheid als bedreiging

In Disclosure Day is de waarheid zo schokkend dat machthebbers vrezen voor wereldwijde chaos. De onthulling zou zelfs kunnen leiden tot een nieuwe wereldoorlog. Het klassieke dilemma dus: heeft de mensheid recht op de waarheid, of zijn er feiten die beter verborgen kunnen blijven?

Zoals zo vaak bij Spielberg draait het uiteindelijk niet om de aliens zelf, maar om de menselijke reactie op het onbekende. Verwondering, angst, ontwrichting en de behoefte om betekenis te geven aan wat we niet begrijpen.

Misschien is dat wel de reden waarom het onderwerp ons blijft fascineren. Niet omdat we zeker weten dat er buitenaards leven bestaat, maar omdat de mogelijkheid alleen al onze verbeelding prikkelt.

Opmerkelijk genoeg noemt Spielberg dit zijn eerste film die door het publiek als sciencefiction zal worden gezien, terwijl hijzelf vindt dat het eigenlijk géén sciencefiction is. ‘Hoe geweldig zou het zijn als dit allemaal waar was?’ zegt hij in een interview. Ik weet niet of ik dat met hem eens ben. Maar vermakelijk is het zonder twijfel.

 

Grote koele gast

Er staat water op het zeil in de keuken – en dat is niet de eerste keer. De koelkast heeft weer geplast. Eigenlijk kan hij niets aan die incontinentie doen; het is een oud beestje. Hij hoorde bij de inboedel toen ik hier zevenentwintig jaar geleden kwam wonen. Dus ja, hij mag wat kuren hebben. Maar ik vrees dat het oude baasje me nu echt in de steek laat. Hij gromde de laatste tijd al narrig. Vanochtend was de kaas ook wat slapjes, nu ik erover nadenk.

Ik pak een teil en een absorberende doek. Haal de artikelen uit de koelkast. Alles is nat, inclusief de groentela waarin een sixpack bier ronddrijft. Ik dweil alles droog. Het water ruikt muf en is een beetje troebel. Geen leuke klus, maar het moet gedaan worden.

Koelkast kopen

Tegen wil en dank zal ik op zoek moeten naar een nieuwe koelkast. Maar deze Bauknecht is zo’n handig modelletje en mijn magnetron kan er mooi op ooghoogte bovenop staan.

Ik open Google en typ: ‘koelkast kopen’. Binnen enkele minuten ben ik verdwenen in een maalstroom van online marketing. Waar scoor ik de beste deal voor de beste prijs? Ik laat de algoritmes hun werk doen en surf van MediaMarkt naar Coolblue, via Expert naar Bol.com. Wit is uit de mode, kom ik achter. De modellen zijn hoger geworden, met drie vrieslades in plaats van één. De prijs – zeker als je voor energielabel A gaat – is ook niet mals.

Ik krab me achter de oren. Ook de bezorgservice telt mee bij de keuze. Niet elke aanbieder zet de koelkast drie hoog op zijn plek en zorgt dat de deur de juiste kant opendraait. Of neemt het oude exemplaar gratis mee.

RVS uitvoering

Na anderhalf uur ben ik het zat. Een Inventum vries-koelcombinatie, C-model, in RVS-uitvoering verdwijnt in het winkelmandje. Ik wil best een energiezuinig exemplaar, maar duizend euro of meer ga ik er echt niet voor neertellen. Die veertig euro die ik per jaar bespaar? Daar kan deze kast twaalf en een half jaar voor koelen. Morgenmiddag komen ze hem bezorgen. Ik hoef alleen het oude model, schoon en droog, bij de voordeur te zetten.

Werk aan de winkel. In het vriesgedeelte zit een hardnekkige brok ijs – al een tijdje niet meer ontdooid. De raketjes die erin liggen zijn letterlijk waterijsjes: gekleurd water in plastic, zonder enige vorm. Die kunnen rechtstreeks in de prullenbak. Maar waar laat ik de andere spullen die nog min of meer ingevroren zijn? De vrieskist in de kelder zit vol. Dus moet ik beslissen wat ik vandaag kan consumeren en wat noodgedwongen even bij een van de buren moet logeren.

De volgende ochtend verwijder ik het laatste stuk ijs, dat vastgevroren zit aan het rooster. Ik haal het apparaat van de muur en vind spullen die er ooit onder zijn verdwenen, waaronder een deel van een gebroken bord. De vloer is behoorlijk vies; even flink poetsen om het zeil weer geel te krijgen.

Track & trace

Via track & trace weet ik wanneer ze langskomen: tussen 16.30 en 17.30 uur. Ik werk thuis, dus dat is geen probleem. De bel gaat. Het duurt even voordat beide mannen met de nieuwe koelkast de derde verdieping hebben bereikt. Ik hoor ze puffen en steunen en kan niet onderscheiden welke taal ze spreken. De enorme doos (184 x 60 x 68,4 cm) schuurt over het beton van de trap. Ik wil helpen, maar loop alleen maar in de weg. Ze moeten deze klus echt zelf klaren.

Moeizaam manoeuvreren ze de nieuwe Inventum de keuken in. De verpakking gaat eraf en het apparaat wordt waterpas op zijn plek gezet. Ze vouwen het karton en het piepschuim op. Eén van de mannen spreekt Nederlands en zegt dat ik de koelkast pas mag aansluiten nadat het apparaat acht tot tien uur heeft gerust. Ik beloof plechtig dat ik dat zal doen. Met de oude koelkast verdwijnen ze weer de trap af. Oude knecht eruit, nieuwe vent erin, schiet door me heen.

Grote makker

Oeps. Wat is deze roestvrijstalen makker groot! Ik heb wel rekening gehouden met de hoogte, maar niet met de diepte. Bij het inruimen merk ik dat de deur niet helemaal open kan. De vrieslades stoten tegen het aanrecht. Het kost me moeite om de glasplaten op de juiste hoogte te krijgen, omdat ze er niet recht uit kunnen. Door ze schuin te houden lukt het uiteindelijk.

De vreugde over de nieuwe koele gast taant. Niet goed over nagedacht. Misschien had ik toch langer moeten zoeken naar een model dat minder ruimte inneemt. Of een tafelmodel zonder vriesgedeelte moeten kopen. Ach, het zal een kwestie van wennen zijn. De magnetron zet ik dwars op de koelkast. Erg handig is het niet, maar met een beetje rekken moet het lukken.

Ik heb geen boodschappen gedaan. Als alles is ingeruimd en overbodige stickers van de koelkast zijn verwijderd, trakteer ik mezelf op friet met een halve kip.

Droom

’s Nachts droom ik dat een vreemde man luidruchtig mijn flat binnendringt. Ik sla wild om me heen en probeer die ongewenste gast met veel moeite naar buiten te schoppen. Toch te veel met die nieuwe koelkast bezig geweest, vrees ik. Met een vreemd gevoel word ik wakker. Ik loop naar de keuken en steek de stekker in het stopcontact. De Inventum begint zacht te ruizen…

Terug in Berlijn

In de IC 143 naar Berlijn. Terwijl het Nederlandse landschap langzaam overgaat in Duitsland, groeit onderweg het gevoel dat ik niet zomaar naar een stad reis, maar terugkeer naar een stuk verleden. Zesenhalf uur later zit ik op het terras van Gottlob in Schöneberg, tegenover de imposante Apostel-Paulus-Kirche, met een koud witbier voor mijn neus. Het is zomer 2011 – broeierig heet – en voor het eerst sinds de val van de Muur ben ik weer in Berlijn.

Vertrouwd en toch anders

De stad voelt tegelijk vertrouwd en totaal anders. Al in de tram naar mijn logeeradres schieten de veranderingen voorbij: de glazen koepel op de Reichstag, de Brandenburger Tor waar je nu achteloos onderdoor wandelt, het indrukwekkende Holocaustmonument. Berlijn heeft zichzelf zichtbaar opnieuw uitgevonden sinds het weer de politieke hoofdstad van Duitsland is geworden. Maar onder dat nieuwe Berlijn ligt voor mij nog steeds de stad van de Koude Oorlog verborgen.

In de jaren tachtig liftte ik meerdere keren met een vriend naar West-Berlijn. We sliepen in een kraakpand in Kreuzberg en smokkelden verboden christelijke lectuur naar vrienden in Oost-Berlijn. Spannend werk. Elke grenscontrole voelde als Russisch roulette. We waren jonge vrije vogels, precies zoals in ‘Over de Muur’ van Klein Orkest – het lied dat de bizarre tegenstelling tussen Oost en West zo trefzeker vangt: neonreclames tegenover rode vlaggen, vrijheid tegenover controle. https://youtu.be/9LsqfgPx_Rw Waar vroeger wachttorens, hekken en grensposten stonden, lopen nu toeristen met smartphones en kartonnen koffiebekers langs glazen kantoorgebouwen en hippe cafés.

Kurfürstendamm

Ik bezoek opnieuw de Kurfürstendamm, ooit het kapitalistische hart van West-Berlijn. Bij de Gedächtniskirche blijkt de hele boulevard opengebroken. De legendarische Zoo Palast – het mekka van het filmfestival van Berlijn – wordt gesloopt, winkelpanden staan leeg en stoffig achter schuttingen. Alleen de gigantische Mercedes-ster boven op het Europa-Center draait nog onverstoorbaar rond alsof er niets veranderd is.

Van Oost-Berlijn herinner ik me vooral de Fernsehturm en de troosteloze DDR-flatgebouwen rond Alexanderplatz. In de jaren tachtig hing daar een bijna tastbare grauwheid. Nu is die verdwenen, maar mooier is het er niet per se op geworden. De socialistische leegte heeft plaatsgemaakt voor fastfoodketens, dönerzaken en schreeuwerige winkels. Alsof het oude kapitalistische Westen simpelweg is verhuisd naar het voormalige Oosten.

Berlin Alexanderplatz

Op Alexanderplatz wisselde mijn vriend vroeger illegaal West-Duitse marken voor Ostmarken. Dat was riskant, maar minstens zo lastig was het om de verplichte 25 Ostmark per dag daadwerkelijk op te maken. Om problemen bij Checkpoint Charlie te voorkomen moesten we voor vertrek soms noodgedwongen dure cocktails drinken in de bar boven in de Fernsehturm. Licht aangeschoten en ruikend naar alcohol haastten we ons dan vlak voor sluitingstijd terug naar West-Berlijn.

Nu is Checkpoint Charlie een toeristische attractie geworden. In het museum vertellen voormalige grenswachters bijna smakelijk over spectaculaire ontsnappingspogingen: verborgen compartimenten in auto’s, zelfgemaakte luchtballonnen, tunnels onder de Muur. Schoolklassen luisteren ademloos toe terwijl buiten toeristen selfies maken.

Bij de East Side Gallery loop ik langs bijna een kilometer originele Berlijnse Muur. Het grijze beton is veranderd in een kleurrijke openluchtgalerie vol graffiti en politieke kunst. Natuurlijk maak ik een foto van de beroemdste muurschildering: Brezjnev die Honecker op de mond kust. Een beeld dat tegelijk absurd en historisch is.

Tropische hitte

Alsof de duvel ermee speelt heb ik precies een tropische hittegolf uitgekozen voor mijn stedentrip. Berlijn kreunt onder temperaturen boven de dertig graden. Gelukkig weet de stad hoe je moet ontsnappen aan de hitte. In Kreuzberg duik ik het Prinzenbad in, een enorm openluchtzwembad vol zonnebaders en schreeuwende kinderen in ellenlange glijbanen. Nog beter is het Badeschiff: een zwembad midden in de Spree, omringd door loungemuziek en strandstoelen.

Aan het Oststrand beland ik bij YAAM, een alternatieve strandbar waar reggae en Afrikaanse muziek uit de speakers knallen. Met mijn voeten in het zand en uitzicht op de rivier voelt Berlijn even meer Afrika dan Duitsland.

Toch zijn er plekken waar de geschiedenis zich onvermijdelijk opdringt. Bij het Holocaustmonument wordt het stil. Het enorme veld van donkere betonblokken lijkt van een afstand overzichtelijk, maar eenmaal binnen verandert het in een beklemmend doolhof. De stenen worden hoger, de paden smaller. Geluiden verdwijnen. Ik voel me klein, verloren, opgeslokt door de ruimte. Het monument maakt diepe indruk.

Brandenburger Tor

Van daaruit loop ik met de stroom toeristen richting de Brandenburger Tor. Het blijft een vreemd idee dat je nu vrij onder deze poort kunt doorlopen. Ooit stond ik hier op een uitkijkplatform aan het einde van de Straße des 17. Juni, turend over de Muur naar Oost-Berlijn. Hier sprak Kennedy zijn legendarische woorden: ‘Ich bin ein Berliner.’

Nu poseren toeristen met nep-Russische soldaten voor vijf euro per foto en rijden fietstaxi’s en paardenkoetsen af en aan. De geschiedenis is hier bijna een decorstuk geworden.

Ironisch genoeg bevindt het creatieve, vrije Berlijn zich tegenwoordig juist in de voormalige Oost-Berlijnse wijken. Verlaten DDR-panden en fabrieken veranderden in de jaren negentig in technoclubs, ateliers en alternatieve broedplaatsen. Wijken als Friedrichshain en Prenzlauer Berg bruisen van kunst, cafés en nachtleven. En dat maakt Berlijn zo fascinerend.

Het is een moderne, internationale hoofdstad geworden, vol architectuur, cultuur en energie. Maar tegelijk blijven de littekens van het verleden overal zichtbaar. Onder het hippe Berlijn van 2011 ligt nog steeds de verdeelde stad uit ‘Over de Muur’ verscholen. Die stad bestaat misschien niet meer fysiek, maar emotioneel voel ik haar nog altijd.

In een homokroeg beloof ik de barman dat ik deze keer geen twintig jaar zal wachten voordat ik terugkom. Inmiddels begint die belofte gevaarlijk oud te worden.

Oranjegevoel

Is jouw wereld al oranje? Zit je in je WK-kamerjas of juichpak gekluisterd aan de buis? Hier in de straat is er nog weinig te merken van het wereldkampioenschap voetbal dat inmiddels is losgebarsten. Of het moet de oranje Dixie zijn die op het trottoir staat te walmen. Zelfs op het distributiecentrum blijven de oranje shirtjes en broekjes onaangeroerd in de blauwe bakken liggen. Die van de Rode Duivels trouwens ook.

De enige die echt losgaat op dit toernooi is de commercie. Logisch ook. Je kunt geen krant openslaan, website bezoeken of tv-programma kijken zonder een voetbalreclame om je oren te krijgen. Alsof de marketeers in hun eentje de WK-koorts op peil moeten houden. We ondergaan het gelaten; het hoort er inmiddels bij.

Herinneringen aan vorige toernooien

Dit is het veertiende WK dat ik bewust meemaak. Van sommige toernooien staan de herinneringen nog glashelder op mijn netvlies, andere zijn vervaagd tot een paar losse flarden. De ene editie verliep nu eenmaal beter voor Oranje dan de andere. Soms deden we zelfs helemaal niet mee.

Als kind werd ik verwend met de glorieuze lichtingen van 1974 en 1978. Twee keer de finale, twee keer nét niet. Daarna volgden jaren van wisselend succes. Het WK van 2002 staat me nog goed bij. Nederland ontbrak, terwijl ik ergens op de Noordzee verbleef aan boord van een marineschip. In verloren uurtjes keken we tussen de mannen in het blauw naar de verrassend sterke Zuid-Koreanen van bondscoach Guus Hiddink.

Jaren later laaide het oranje vuur weer op in Zuid-Afrika. Dat waren onvergetelijke avonden: vrienden in de tuin, de barbecue aan en het gevoel dat het eindelijk zou gebeuren. Maar daar waren die gehandschoende vingertoppen van de Spaanse doelman Iker Casillas. Eén redding verwijderd van eeuwige roem.

Ook Brazilië 2014 leverde iconische momenten op. Eerst de sensationele 5-1 revanche op Spanje. Wat een avond. Vervolgens de onverwachte keeperswissel tegen Costa Rica. Louis van Gaal trok een konijn uit de hoge hoed en kreeg heel Nederland op de banken. Wat een stunt was dat.

Weinig vertrouwen

Dit keer ontbreekt het vertrouwen. Niet alleen in Oranje, maar ook in de organisatie van het toernooi. Niet in Amerika, een van de gastlanden, en al helemaal niet in de FIFA. De wereldvoetbalbond lijkt steeds vaker de hofleverancier van autocraten, machthebbers en opportunisten. Misstanden worden weggewuifd, ongemakkelijke vragen genegeerd. Bonden, trainers, spelers en scheidsrechters kijken liever de andere kant op. Het blijft een beschamend schouwspel. En dan moeten Trump en FIFA-president Gianni Infantino de komende weken nog hun opwachting maken. Dat belooft.

Na de dramatische uitzwaaiwedstrijd van vorige week is het enthousiasme verder weggezakt. Wij Nederlanders houden van Oranje, maar vooral als er iets te vieren valt. De eerste wedstrijd tegen Japan verliep bovendien precies zoals ik had gevreesd: stroperig, inspiratieloos en uiteindelijk eindigend in een teleurstellend gelijkspel.

Koeman

Bondscoach Ronald Koeman heeft gekozen voor een degelijk en veilig elftal. Deels noodgedwongen, want de blessurelijst is indrukwekkend: Jurriën Timber, Xavi Simons, Stefan de Vrij, Jerdy Schouten en Jeremie Frimpong ontbreken allemaal.  Koeman straalt zelf ook niet bepaald het vertrouwen uit dat de wereldtitel binnen handbereik ligt.

‘Er zijn vooral aanvallend gezien een aantal landen die meer kunnen brengen dan wij. Dus we zullen andere dingen moeten verzinnen. Maar we hebben bewezen dat we dat kunnen. Ik sta er niet zo negatief in, maar ik besef me wel dat alles mee moet zitten, willen we heel ver komen.’

Niet bepaald een speech die je op een tegel wilt laten drukken.

Tenue

Overigens: wat zijn die trainingstenues verschrikkelijk. Goud, zwart en oranje, met leeuwen, verwelkte bloemen en Surinaamse alakondre-schakelkettingen als motief. Het lijkt eerder een carnavalsoutfit dan een voetbalshirt. Aan de andere kant: de laatste keer dat Oranje met een vergelijkbaar wanproduct rondliep, werden we wel Europees kampioen. Misschien schuilt daar nog een sprankje hoop.

De bal rolt inmiddels, maar ik houd er een zwaar hoofd in. Toch blijft er iets magisch aan een WK. Met een groep vrienden op de vreemdste tijdstippen wedstrijden kijken, gezamenlijk mopperen op het spel en vanaf de bank tactische aanwijzingen schreeuwen die nooit zullen worden opgevolgd. ‘Vooruit met die bal!’ ‘Tempo maken, jongens!’ Onder het genot van bier, snacks en een hardnekkig geloof dat het misschien toch nog goed komt.

Tierlantijnen

Hou je van die eindeloze zomeravonden waarop de lucht maar niet donker wil worden? Dan moet je richting de Baltische staten. Vergeet even het dure Scandinavië: in Riga krijg je dezelfde lange lichte nachten, maar dan met bierprijzen waar je nog vrolijk van wordt.

De Letse hoofdstad laat zich bovendien heerlijk te voet verkennen. Dat moet ook wel, want de oude binnenstad is grotendeels autovrij. Geen ronkende motoren of haastige taxi’s, alleen kinderkopjes, kerktorens en straatmuzikanten die ergens tussen melancholie en wodka lijken te zweven. En het mooiste? Vanuit het centrum wandel je in nog geen twintig minuten zo een compleet andere wereld binnen: de beroemde Jugendstilwijk van Riga.

Jugendstil

Daar gebeurt iets geks met je nekspieren, want je loopt voortdurend omhoog te kijken. Nergens ter wereld staan zoveel Jugendstilgebouwen bij elkaar als hier. Het is alsof de stad besloten heeft om van architectuur een wedstrijd in overdaad te maken. Een openluchtmuseum vol tierelantijnen, drama en decadentie.

Jugendstil – of art nouveau, zoals de Fransen het chic noemen – waait eind negentiende eeuw vanuit België en Duitsland Europa binnen. Net op het moment dat Riga een intensieve bevolkingsgroei doormaakt. Nieuwe rijken willen huizen die niet alleen indruk maken, maar pure status schreeuwen. Dus verrijzen complete straten vol architectonische pronkstukken. En dat allemaal in amper een paar decennia, tot de Eerste Wereldoorlog abrupt op de rem trapt.

Alle toeristen worden steevast naar Alberta iela en Elizabetes iela gestuurd. Begrijpelijk ook: daar zak je bijna door je knieën van verbazing. Gevels vol kronkelende vrouwenfiguren, brullende maskers, adelaars, draken en mythologische types die je aankijken alsof ze vannacht nog uit hun stenen cocon zijn gekropen. Het zijn kleurrijke huizen met een voorkeur voor pastel.

Net even verder…

Maar het is de moeite waard om juist buiten die bekende straten deze wijk te verkennen. Daar staan dezelfde kapitale huizen, alleen met afgebladderde verf, scheuren in de muren en een vermoeide grandeur. Alsof de wijk nog niet helemaal wakker is geworden uit de Sovjettijd.

Veel panden raken tijdens de Tweede Wereldoorlog beschadigd en zijn daarna jarenlang uitgewoond onder het Sovjetregime. Sommige huizen schitteren inmiddels weer alsof de champagne gisteren nog ontkurkt is; andere dragen hun littekens openlijk. Juist dat contrast maakt deze wijk zo fascinerend.

Volgens de regels van de Jugendstil mag alles met een functie vooral ook overdreven mooi zijn. Symmetrie? Saai. Eenvoud? Verboden. Dus leven kunstenaars zich uit alsof iemand heeft geroepen dat meer altijd beter is. Bloemen slingeren over gevels, vrouwenhoofden staren dromerig voor zich uit, monsters bewaken balkons en absurde ornamenten sieren de ramen. Geen centimeter blijft onversierd. Het voelt alsof de architecten elkaar willen overtroeven in een wedstrijd: wie bouwt het meest buitensporige huis van de stad?

Alberta iela

In Alberta iela staan een paar van de spectaculairste gebouwen, ontworpen door Michail Eisenstein, de vader van de beroemde Russische filmmaker Sergei Eisenstein. Zijn absolute pronkstuk is huis nummer 13: een gigantisch hoekpand vol enorme gezichten, theatrale details en nimfen met ontblote borsten die onverstoorbaar over de straat uitkijken. Tegenwoordig huist er doodleuk de rechtenfaculteit. Waarschijnlijk de mooiste plek ter wereld om een tentamen strafrecht te maken.

Mijn wandeling begint onder een grauwe hemel, waardoor de wijk eerst iets sombers heeft. Maar precies op het moment dat ik denk: jammer van het licht, breekt de zon door. Alsof iemand een dimmer boven de stad opendraait. De pastelkleuren beginnen te gloeien, gouden details lichten op en ineens lijken de gevels nóg uitbundiger. Riga geeft zichzelf dan pas echt bloot.

Toilet

Ik plof neer bij het Art Nouveau Café voor koffie. Niet omdat ik zo nodig een hip koffietentje wil testen, maar omdat ik dringend moet plassen. Voor een klein kopje betaal ik een prijs waar een Let waarschijnlijk van achterover slaat, maar de nood is hoog. De verrassing volgt beneden: zelfs het toilet is volledig uitgevoerd in Jugendstil. Alsof je in een wc van een decadente barones bent beland.

Wanneer ik later de stad uitrijd richting Estland, laat Riga nog één keer haar dubbele gezicht zien. Eerst die straten vol sierlijke gevels, kleuren, krullen en verleidelijke pracht. En even later: eindeloze rijen grauwe Sovjetflats, kaal en streng, alsof alle fantasie daar ooit verboden werd.

Misschien maakt juist dat contrast Riga zo onvergetelijk. Een stad die voortdurend balanceert tussen schoonheid en verval en daar stiekem alleen maar interessanter van wordt.

 

Ons zwembad

Mensen op het droge vinden de adoratie voor een betegelde betonnen bak gevuld met chloorwater maar vreemd of ziekelijk. Wat is de lol van eindeloos heen en weer pendelen? Zij wijzen op de gevaren van eczeem, volgelopen oren, oogontstekingen en wateroverdraagbare infecties. En dan hebben ze het nog niet over wat er mogelijk in het water kan zitten. Ik geef toe: zelf moet ik ook niet denken aan mensen die om wat voor reden dan ook in het zwembad urineren.

Maar voor ons – Zandzeeërs – is zwemmen een passie, een zelfgekozen verslaving, een moment van rust en ontspanning. Het verlaagt de bloeddruk, vertraagt het verouderingsproces, verbetert het uithoudingsvermogen, de longinhoud en het geheugen.

Wij Zandzeeërs

Ons zwembad ligt naast de hei, het heeft genoeg daglicht met zicht op blauwe wolken, bomen en ander groen. Meestal lukt het ons om alle zorgen en klachten achter ons te laten. We hebben last van een zwakke rug, een gebroken hart, uiteengespatte dromen, angstgevoelens, zwaarmoedigheid of de gebruikelijke kwaaltjes.

Maar de mislukte schilder wordt een elegante crawler, de wegbezuinigde redacteur snijdt adembenemend als een haai door het water. De pas gescheiden personeelsmanager pakt een vaalblauw piepschuimen plankje en schopt er straffeloos oplos. De obese juf met twee nieuwe knieën drijft als een otter op haar rug. Piekeraars houden op met tobben en diepbedroefde weduwen rouwen even niet. Voor een beperkte tijd voelen we ons thuis in deze waterwereld. Rotbuien vervliegen, migraines lossen op, nare herinneringen schieten voorbij, langzaam verstomt het rumoer van het droge, terwijl we slag na slag, baan na baan, zwemmen. We houden de zwarte streep op de bodem van het bad strak in de gaten.

In het zwembad gelden ongeschreven regels. Uitsluitend rondzwemmen tegen de klok in en altijd rechts houden. Als je per ongeluk tegen iemand aanbotst, bied je je excuses aan en vraag je die andere zwemmer of het goed gaat.

Drie soorten zwemmers

Er zijn drie soorten zwemmers. De alfavrouwen en -mannen in de snelle baan. Ze zien er geweldig uit in hun badkleding. Uit de zelfverzekerde slag blijkt hun feeling met het water. Bij elke slag kolkt en bruist het water. Qua lichaamsbouw zijn het doorgaans mesomorfen: brede schouders en een lang bovenlichaam. Het zijn geboren atleten met een perfect keerpunt.

De zwemmers in de middenbanen zijn zichtbaar relaxter. De ooit gekoesterde wens om in de snelle baan te bewegen hebben ze opgegeven. Soms doen ze nog even een poging maar de benen worden snel moe, de slagen korter, de longen beginnen pijn te doen en na twee baantjes keren ze terug naar hun normale tempo.

De mensen in de langzame baan – waaronder ikzelf – zijn vaak de ouderen, de waterwandelaars en aquajoggers, mensen die de rand van het bad in de buurt willen houden. Of gewoon gezellig (of juist irritant) met elkaar kletsend hun rondjes willen maken.

Baantjes trekken

Sommigen moeten elke dag zwemmen, honderd baantjes trekken of juist veertig (is een kilometer) of precies een uur. We weten wanneer we er weer uitmoeten. Soms door de badmeester gedwongen omdat de zwemlessen beginnen of omdat het nu recreatief zwemmen is vanwege een schoolvakantie. Of het veeleisende werk wacht. Of de overspannen partner. Of ons huisdier moet ook nog eten hebben.

Als we onze baantjes hebben getrokken, hijsen we ons elegant of met moeite het bad uit en staan druppend aan de kant. Na een verfrissende douche zijn we weer klaar voor een dag op het droge: ontspannen en kalm.

Zwembad dicht

Maar hoe moet dat nou? Tijdens het zwemmen realiseer ik me dat dit de laatste keer is. Ons bad gaat dicht, tenminste tien weken, wegens groot onderhoud. En we weten allemaal dat verduurzamingsprojecten altijd uitlopen. De installatie gaat vervangen worden door energiezuinige apparaten die op zelfopgewekte zonnestroom kunnen draaien. Maar de timing is wel erg ongelegen. Zo vlak voor en in het zomerseizoen. En waar moeten we nu op tropische dagen, zoals afgelopen week, onze verkoeling zoeken? Want de weide naast het bad is natuurlijk ook niet bereikbaar. Het maakt ons Zandzeeërs erg ongelukkig, mij tenminste wel…

 

Hey, jubilaris

Al maanden hangen er in de kantine van het distributiecentrum ballonnen en vlaggetjes. Je moet ’s ochtends door een ereboog van rode en witte ballonnen naar je locker. Er hangen posters met een prijsvraag; cryptische omschrijvingen van Nederlandse artiesten. Wat is er aan de hand?

Al een eeuw lang is de winkelketen HEMA een vast onderdeel van ons straatbeeld én van het dagelijks leven van miljoenen mensen. Van schoolspullen tot rookworsten, van babyrompertjes tot fotoboeken: bijna iedereen heeft wel een herinnering aan de winkels.

100 jaar

Op 4 november 1926 opent H.E.M.A. (Hollandsche Eenheidsprijzen Maatschappij Amsterdam) de eerste winkel aan de Kalverstraat. Het idee achter de winkel is in die tijd vernieuwend: goede en praktische producten verkopen tegen betaalbare prijzen. Dat uitgangspunt blijkt een enorm succes. Al snel groeit HEMA uit tot een winkel waar gezinnen terechtkunnen voor vrijwel alles in het dagelijks leven.

Wie jarig is trakteert! In dit geval met een spetterend feest in de Ziggo Dome. ‘Een feest dat voor eeuwig in de boeken zal gaan.’ Alle medewerkers verzamelen zich op deze eerste Pinksterdag om half drie bij het distributiecentrum. Vandaar vertrekken we met bussen naar Amsterdam. De stemming is opperbest.

Waar andere winkels voortdurend veranderen of trends najagen, blijft HEMA herkenbaar. Dichtbij gewone mensen. Natuurlijk gaat het assortiment mee met de tijd, maar de sfeer blijft vertrouwd.

In de afgelopen honderd jaar heeft HEMA veel meegemaakt. De winkel overleeft economische crises, oorlogsjaren, veranderende winkelstraten en de opkomst van online winkelen. Er zijn ook moeilijke periodes waarin het bedrijf financieel onder druk staat en verschillende eigenaren elkaar opvolgen. Toch blijft HEMA overeind. Maar goed ook, want de winkelketen hoort bij Nederland, net als fietsen in de regen of koffiedrinken met een tompouce erbij. Het is een stukje cultureel erfgoed.

Ziggo Dome

Rondom de Ziggo Dome staat een file van bussen uit alle windstreken. Een kleurrijke massa wurmt zich een weg langs de foodtrucks waar we een drankje en een hapje kunnen nemen. Dj’s draaien een heftige beat. De zon schijnt volop. Tussen de geur van hamburgers en friet schuifelen we verder. Achter de schermen maken Flemming, Child of Destiny, André Hazes Jr. en andere artiesten – die nu nog geheim zijn – zich klaar voor hun optreden. Ik zit in Vak 109. Op zich wel lekker want dan hoef ik niet de hele avond te staan. Aan de andere kant ben je beperkt in je bewegingen.

De jubilaris stelt de ‘liefde voor het dagelijks leven’ centraal. Het bedrijf kijkt niet alleen terug op de geschiedenis, maar wil vooral vieren hoe belangrijk kleine dagelijkse momenten zijn. Daarom zijn er dit jaar speciale acties, jubileumproducten en campagnes opgezet. Ook is er een speciaal jubileumlied van Guus Meeuwis met de titel ‘We Leven Nu’. https://youtu.be/RGh32dpJVkU

Edsilia en Willeke

De optredens zijn onderverdeeld in de vier seizoenen en gelardeerd met bekende HEMA-producten. Tot mijn verrassing treden ook Edsilia Rombley en Willeke Alberti op. Ik zeg ‘HE’. Jij zegt ‘MA’. Hazes wordt op een platte kar door de zaal gereden. En natuurlijk sluit Guus Meeuwis met zijn band de avond af.

Het feest is een waardering voor alle medewerkers. Want wat velen niet weten, is hoeveel mensen dagelijks achter iedere gevulde winkel, achter iedere broodafdeling en achter iedere zorgvuldig ingepakte bestelling staan. Juist daarom is het mooi dat wij als collega’s dit jubileum samen vieren. En zonder uit de school te klappen: het is nog lang onrustig rond de Ziggo Dome…

 

Kroniek van een aangekondigde dood

Koningsdag, heel vroeg in de ochtend, een bijna lege A1 ter hoogte van Amersfoort. Mijn oog valt op een groot reclamebord, rood met witte letters. ‘Moed is soms durven stoppen met doorgaan’. Het moet een vingerwijzing zijn.

Ik ben op weg naar mijn zus die terminaal ziek is, ze heeft maanden van strijd en moeite achter de rug. Ze is op en kan niet meer. Vandaag wordt de palliatieve sedatie ingezet.

Het nare bericht

Zeven maanden geleden krijgt ze de dood aangezegd. Het nare bericht geeft de mogelijkheid om dingen tegen elkaar te zeggen. Er is tijd om fijne herinneringen te delen en nog nieuwe te maken.

De eerste keer na de onheilstijding spreken we over de dood. En wat er eventueel na komt. Mijn zus is ervan overtuigd dat ze op weg is naar haar hemelse Vader en dat dan de pijn achter de rug is. Dat is een troostrijke gedachte. ‘Maar ik vind het wel lastig om jullie achter te laten,’ geeft ze aan. Ook is ze duidelijk in wat ze wel en niet wil. ‘Je hoeft op mijn begrafenis geen lange speech te houden over mijn leven. Een gedichtje is ook mooi en genoeg.’

Degenen die me kennen weten waarom ze mij dat advies geeft, ik ben een verhalenverteller. Ik knoop het in mijn oren.

Anekdotes

Later die middag volgt de ene na de andere anekdote. Ik sla het op. Eentje zal ik met jullie delen. Ze is op het boerenerf aan het fietsen met haar buurmeisje. Door een rare manoeuvre komt ze met haar rode fietsje in de giersloot terecht. Het is wasdag. Mijn moeder kan alleen maar onbedaarlijk lachen als ze haar dochter volledig onder de drek uit de sloot ziet komen. Mijn oma heeft een betere reactie. ‘Ach meissie, kom maar gauw hier dan zal ik je schoonwassen.’

Nog eentje: we hebben thuis kippen. Elke week zaterdag slacht mijn moeder een kip. Ik heb dat vaak gezien. Als mijn zus met vriendinnen aan het spelen is, kom ik op een idee – wellicht om aandacht te trekken. Ik weet waar het mes ligt waarmee de kippen worden onthoofd. Ik pak het uit de keukenla, loop het hok binnen en probeer met veel moeite een van de kippen te vangen. Als dat me uiteindelijk gelukt, loop ik met kip en mes naar de meiden en jaag ze de stuipen op het lijf met mijn aankondiging dat ik deze kip voor ze ga slachten.

Gelukspoppetje

Op het familieweekend dat meteen geregeld is, krijgen we allemaal een gelukspoppetje dat door haar beste vriendin is gemaakt. Ik doe het poppetje aan de rits van mijn jas. Die heb ik deze afgelopen gure en intense wintermaanden gedragen. Zo is mijn lieve zus de hele tijd bij me. Als ik sta te klungelen om de rits dicht te krijgen, vragen mensen ernaar en dat geeft mij gelegenheid over haar en die vreselijke ziekte te vertellen.

De tijd die we nog samen hebben is kostbaar. Maar het is moeilijk om te zien wat de ziekte met haar doet, dat ondanks de medicatie de pijn er steeds doorheen breekt. Ik vind het dapper hoe ze ermee omgaat. Het is vreselijk moeilijk om los te moeten laten wat haar zo dierbaar is. ‘Ik ga naar een mooie plek,’ zegt ze, ‘maar jullie blijven hier achter.’ We proberen haar te troosten door te zeggen dat we elkaar zullen vasthouden.

Toespraak

Op de dag van haar begrafenis schijnt de zon volop. Het drapeert een warme gloed over een droevige gebeurtenis. In de Witte Kerk naast haar kist zeg ik tegen haar: ‘Je bent volop mijn zus en daar ben ik trots op. Je bent volop de dochter van mijn ouders en ze hebben daar volop van genoten. Je bent volop juf, dat is echt je roeping. Je bent volop een lieve echtgenote. Je mag volop moeder zijn en bovenal volop een trotse oma. Dat is voor mij mooi om te zien en mee te mogen maken. Je bent ook volop vriendin, buurvrouw en kerklid.

Dat doe je allemaal met je kenmerkende lach. Met volle inzet en enthousiasme. Daarom is het ook zo moeilijk om te zien dat door die lach tranen heen breken. Tranen van pijn, tranen van verdriet, tranen van de moeite die het je kost om los te laten, degenen waar je innig van houdt. Je bent nog zo jong en je hebt zo moedig gestreden. Lieve zus, shalom. Ik mis je volop.’