Een nieuw nummer

Stel je bent dood en er verschijnt een nieuwe single van je op de markt. En dan niet zoals bij Prince van wie er vijf jaar later een cd uitkomt die klaarlag in de kluis. Het overkomt Kurt Cobain, de leadzanger van de grungeband Nirvana. Dit jaar is het alweer zevenentwintig geleden dat hij dood werd aangetroffen in zijn tuinhuis in Seattle.

Het nieuwe nummer ‘Drowned in the Sun’ klinkt onmiskenbaar als een Nirvana-song, alleen al vanwege de typerende afwisseling van harde en zachte passages. Toch is het een kakelverse compositie. Hoe dat kan? De single is gemaakt met het kunstmatige intelligentieprogramma Magenta. Je voedt de software met genoeg Nirvana-songs waarna die op grond van de voorbeelden een nieuwe compositie maakt.

Het is niet de eerste keer dat zoiets gebeurt, een soortgelijk programma maakte al in 1997 een overtuigend nieuw werk van Johann Sebastian Bach. Ook heeft men geëxperimenteerd om zo het perfecte lied voor het Eurovisiesongfestival te schrijven (https://youtu.be/-yIu5VLZj5g zie het AI-songfestival VPRO). Op eenzelfde manier worden er ook al romans geschreven.

Voor ‘Drowned in the sun’ https://youtu.be/qf6eOSJgN0Y analyseert het algoritme melodieën, ritme en teksten om daar vervolgens nieuwe elementen in dezelfde stijl van te maken. Het resultaat wordt ingezongen door een zanger van een Nirvana-coverband. Dat is ook wel hoorbaar als je het nummer op Spotify afluistert. De stem komt in de buurt, maar is het toch niet helemaal. Fans reageren verbolgen op Twitter. ‘Waarom doen we dit? Hij is dood. Laat hem met rust. Hij zou deze shit niet hebben gewild.’

In september 1991 maak ik voor het eerst kennis met Nirvana. Het nummer ‘Smells like teen spirit’ maakt een onuitwisbare indruk op me. Ik moet er eerst erg aan wennen, het is niet bepaald mijn favoriete muziekgenre, maar langzamerhand krijgt het nummer me te pakken. Waarom is dit nou zo goed en al die andere nummers waarin wordt geschreeuwd niet? Het heeft volgens mij te maken met de melodielijn. En de magie van de zanger Kurt Cobain.

De zang van Cobain heeft een bepaald effect op me. Ik woon in Maastricht boven een kapperszaak. De kapsters maken gebruik van dezelfde trap waarop ik naar boven ga omdat op de zolder boven mijn woonruimte hun kantine is. Mijn kamerdeur staat meestal open en ik herinner me nog de keer dat ik luister naar ‘Smells like teen spirit’ met mijn koptelefoon op. Ik wil de klanten die onder een nieuw permanentje krijgen, niet wegjagen maar ik moet even afreageren door het nummer keihard te draaien. De gitaren schallen in mijn oordoppen

‘Hello, hello, hello, how low…’

Op mijn sokken maak ik woeste arm- en beenbewegingen door de kamer.

‘With the lights out, it’s less dangerous

Here we are now, entertain us

I feel stupid and contagious

Here we are now, entertain us

Pas aan het eind heb ik in de gaten dat in de hal voor mijn deur drie zwart-wit geklede meisjes zich uitstekend vermaken met mijn ruwe en uiterst gênante moves. Ik ontvang zelfs een applaus van ze voor de spontane act.

‘Oh well, whatever, never mind.’

Ik ben blij dat Nirvana in mijn leven is gekomen. De MTV Unplugged in New York is trouwens legendarisch, een cd die ik absoluut mee zou nemen als ik alleen naar een onbewoond eiland zou worden verbannen. Die nummers kan ik dromen. Ze hebben iets melancholisch, ze zijn sexy op een verdrietige manier.

Ben ik blij met het nieuwe nummer van Kurt na zevenentwintig jaar? Het is grappig gedaan, het komt in de buurt maar toch kan kunstmatige intelligentie nooit de echte Kurt Cobain vervangen. Dat computers beter zijn in rekenen, daarbij heb ik me neergelegd. Maar creativiteit? Dat is heel iets anders. Hoe kan emotionele muziek worden voortgebracht door een programma dat nooit heeft geleefd en nooit enige emotie heeft gekend?

Woensdag en alle andere dagen als zzp’er

De dag na de terroristische aanslagen in Amerika begint mijn nieuwe job als zzp’er. Om twee uur hebben we een lunchbijeenkomst om met elkaar kennis te maken en de plannen te bespreken. Alles staat in het teken van wat er gisteren gebeurd is. Iedereen is nog verbijsterd hoe dit kon gebeuren.

De komende maanden ga ik als itemregisseur werken voor ‘Bij ons thuis’, een educatief programma van Teleac/NOT waarin de opvoeding van kinderen centraal staat. Iedere keer komt er een ander onderwerp aan de orde waarbij we proberen om kinderen en ouders meer inzicht te geven. Onderwerpen zijn onder andere kinderfeestjes, co-ouderschap, kledingkeuze, hoogbegaafdheid en mag je een kind slaan? Ik maak de filmpjes om de mening en ervaring van de kids inzichtelijk te maken.

‘Bij ons thuis’ betekent voor mij een nieuwe werkwijze. Ik ben gewend de programma’s die ik maak zelf te researchen en de mensen die erin voorbijkomen vooraf te bezoeken en een voorgesprek met ze te hebben. Nu kom ik in een gespreid bedje. Het onderwerp is door een redactie voorbereid. Als regisseur moet ik zorgen dat ik het mooi en inspirerend in beeld breng. Ik lees het productieverslag en ga daarmee aan de slag.

Nu zijn er twee dingen lastig te regisseren in de tv-wereld: dieren en kinderen. Menig keer komt het voor dat een kind verlegen is en helemaal dichtklapt. Wat wil die grote man van me? Dan geef ik camera en geluid de opdracht om de interviewsetting alvast voor te bereiden terwijl ik met het kind een spelletje ga doen, soms zelfs voetballen, om het ijs te breken.

Het andere nieuwe aspect in mijn werk is de montagewijze. Ik maakte altijd een voormontage met VHS-bandjes. Als je daarin dingen wilt aanpassen, werk je op een gegeven moment met een kopie van een kopie, waardoor je bijna de tijdcodes die belangrijk zijn voor de montage niet meer kunt lezen. Nu ga ik met AVID werken, dus digitaal. Dat betekent vooraf de goede fragmenten selecteren en inladen zodat ze in de montage gebruikt kunnen worden. AVID heeft veel voordelen: je kan allerlei dingen uitproberen en alle clips bewaren. Je moet er wel eerst even handigheid in krijgen, dat zorgt voor stress. Er is beperkte montagetijd geregeld, uitlopen kost geld. Toch wordt het een mooie reeks programma’s maar het is wel hard aanpoten.

Wat zijn de voor- en nadelen van zzp’er zijn? Je bent een zelfstandige zonder personeel. Ja, ik heb er bewust voor gekozen, ik wil geen vast dienstverband meer, omdat ik mijn eigen documentaires, programma’s wil maken, mijn passie wil volgen, niet afhankelijk wil zijn van de grillen van een eventuele baas, of een collega waar niet mee valt samen te werken. Niet meer in een luidruchtig kantoor wil zitten. Geen verplichte vergaderingen. Geen jaarlijkse ‘waar zie je jezelf over drie jaar’-gesprekjes.

Maar ben je als zzp’er echt vrijer? Weegt die vrijheid op tegen de nadelen? Je bent namelijk vogelvrij, geen cao, geen sociale zekerheid, geen pensioenopbouw, geen vakantiedagen die doorbetaald worden. Je moet goed voor jezelf kunnen zorgen. Een goede onderhandelaar zijn om loon naar werken te krijgen. Zelf klanten en opdrachten werven is mijn grootste uitdaging. Je moet goed kunnen plannen en geen gat in je hand hebben en vooral rekening houden met mindere dagen. Als er geen opdrachten zijn en dus geen inkomsten moet de spaarpot worden omgekeerd.

Je huis is nu ook je kantoor, zodoende ben je nooit vrij of altijd aan het werk als je niet oppast. Je mist de sociale contacten: de koffieautomaatmomentjes, de evaluatie van de voetbalwedstrijd. Je neemt als freelancer ook bewust een risico, als je thuis van een trapje valt of je wordt ziek en je bent minder in staat te werken, is er geen sociaal vangnet. Ja, je kunt je verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid, maar de maandlasten daarvan liggen erg hoog en daar moet je dan veel uren voor werken voordat er echt geld binnenkomt.

Wikkend en wegend zijn er dagen waarop ik het eigen ondernemer zijn graag zou willen inwisselen voor een vast contract met alle zekerheden die daarbij horen.

Dramatische dinsdag

Het is dinsdagmiddag, mijn laatste vrije dag. Ik lig languit op de bank. In mijn handen ‘De tweede man’ van Doeschka Meijsing. Het is heerlijk om in een boek weg te dromen, even in een andere wereld te zijn. Even niet over je eigen leven hoeven nadenken en de beslissingen die je hebt gemaakt. Morgen begin ik aan een nieuwe baan. Ik heb mijn vaste contract opgezegd en het TELEAC/NOT-programma ‘Bij ons thuis’ is mijn eerste project als ZZP’er.

De roman die ik lees gaat over Robert Martin, een dichter en leraar Grieks. Hij erft miljoenen van zijn oudere broer in wiens schaduw hij altijd heeft gestaan. Het gaat om het vinden van jezelf, je eigen identiteit en de invloed die anderen op jou hebben. De roman is vlot geschreven, korte zinnen, veel beeldspraak, je ziet het voor je geestesoog gebeuren. Met een groot gevoel voor personages en dialoog schildert Meijsing de opkomst en de ondergang van een man die altijd de tweede man zal blijven. In het boek zwerft Robert de wereld over: Amsterdam, Rome, Oxford, Tanger, Cyprus, Dakar en Jeruzalem. Het verhaal switcht tussen heden en verleden waarbij een oude brief van Hefaiston, de geliefde van Alexander de Grote, een grote rol speelt.

Tegen vijf uur lees ik de laatste regels. ‘De duisternis kroop uit het dal omhoog. Er was een frisse wind uit het westen opgestoken. Het werd koud. Ik dronk de laatste druppels whisky. Het was tijd om te gaan.’ Stram sta ik op. Aan het einde van een goed boek val je altijd even in een zwart gat. Hoe nu verder in je eigen wereld? Een nieuwe werkkring. Hoe zal dat gaan? Je hebt wel jaren ervaring in het maken van tv-programma’s maar het voelt toch als een nieuw, onbekend avontuur.

Uit gewoonte zet ik de tv aan. Ik kan mijn ogen niet geloven en denk dat ik in een film terecht ben gekomen, maar het woord ‘Live’ in de rechterbovenhoek geeft echt iets anders aan. In een paar minuten besef ik wat er aan de hand is. Passagiersvliegtuigen zijn de beide torens van het World Trade Center in New York ingevlogen. Hoe is dit mogelijk? Een ander vliegtuig in het Pentagon, in de buurt van Washington D.C. Een vierde vliegtuig stortte neer in de buurt van Shanksville in de staat Pennsylvania. https://youtu.be/MNyjZJOEXpE

Het voelt zo onwezenlijk. Een terroristische aanslag die zijn weerga niet kent. Vliegtuigkapingen zijn niet uitzonderlijk, maar dit is van een andere orde. De wereld is in rep en roer. Analytici typeren dit als het begin van de Derde Wereldoorlog. De rillingen lopen me over de rug. Een vluchtmechanisme treedt in werking. Verdoofd maak ik een maaltijd klaar, terwijl ik het nieuws blijf volgen. Het eten smaakt me niet. Ik zie de laatste wolkenkrabber van honderdtien verdiepingen hoog instorten. In beeld stijgt een grote grijze stofwolk op, mensen op de grond proberen te ontsnappen aan het neervallende puin. Alles zit onder het gruis.

’s Avonds vlucht ik naar het filmtheater, dat doe ik wel vaker als het me te veel wordt. Letterlijk in het donker zitten, even afgeleid worden, weggetrokken uit de harde werkelijkheid. Er zijn weinig mensen en iedereen heeft een wezenloze blik in de ogen. Men spreekt nauwelijks met elkaar. ‘Chocolat’ is de film van dienst. Een jonge vrouw begint in een Frans dorpje een chocolaterie. Haar winkel verandert het leven van de dorpelingen. Met haar speciale gave kan ze precies voelen wat haar klanten willen en nodig hebben. Verlangens, die tot nu toe onderdrukt werden of niet herkend, komen aan de zinnelijke oppervlakte. De chocolaatjes ontdooien de strenggelovige en stugge bewoners. https://youtu.be/692hOJq1KJE

Een zoete, romantische film, tot ook daarin het geweld doorbreekt omdat uit jaloezie de boot van een rondtrekkende zigeuner waarop de chocoladevrouw verliefd is, in brand wordt gestoken.

Ik schuif ongemakkelijk op mijn stoel heen en weer en ben meteen terug bij de beelden in Amerika.

Na afloop dwaal ik door de verlaten straten van Hilversum… onzeker en bang. Is dit het einde van de wereld? Was het nu wel zo verstandig om een vast contract op te zeggen voor een freelancebestaan nu alles zo zorgwekkend is? Die nacht slaap ik niet… (wordt vervolgd)

Dienstplicht

Vanmiddag fiets ik langs de stormbaan naast het vliegveld Hilversum. Jonge rekruten in legergroen worden er gedrild. Ingespannen stoere gezichten, donkere zweetvlekken op borst en rug. Ze tijgeren door het zand, bestormen een klimmuur. Aan de kant staat een sergeant zijn longen uit zijn lijf te schreeuwen. De rookies hebben blijkbaar wat aanmoediging nodig. Ik heb met deze groentjes te doen. Ze worden klaargestoomd voor het leger. Maar ze doen dit vrijwillig. Immers de officiële verplichte dienstplicht is precies vijfentwintig jaar geleden voorlopig opgeschort.

Als tiener zie ik erg op tegen het vervullen van de militaire dienst. Na een studie moet ik eerst nog bijna twee jaar in dienst. Waarom heb ik geen broers die in dienst zijn geweest en kan ik me verschuilen achter broederdienst? Kort voor mijn achttiende levensjaar valt de enveloppe van defensie op de mat met de oproep voor de keuring.

Op een regenachtige novembermorgen moet ik me melden in Haren. Ik heb er zo geen zin in. Een grote zaal vol zenuwachtige puistenkoppen. ’s Ochtends is de intelligentietest. Mijn aanstaande zwager heeft me morsen geleerd dus bij die proef blijf ik als een van de laatsten zitten. Is dit wel zo’n goed idee geweest? ‘s Middags volgt de fysieke keuring. We staan in allerlei soorten gekleurde onderbroeken op een rij om voor de legerarts te verschijnen. Bij de gehoortest scoor ik slecht. Hé, is dit mijn uitweg om afgekeurd te worden?

Ik krijg een oproep voor een herkeuring in het Martini Ziekenhuis in Groningen. Het eerste wat ze doen is mijn oren uitspuiten. Ik heb daar een raar idee over. Ik denk dat als de spuit in mijn rechteroor gaat het oorsmeer er links uit zal komen. Een belachelijke gedachte natuurlijk! Wel blijkt het smeren erg nodig. Daarna word ik opnieuw aan een gehoortest onderworpen. Er is niks met mijn oren aan de hand. Ik ben goedgekeurd. Shit!

Ik kan natuurlijk nog weigeren en me beroepen op gewetenbezwaren en een vervangende dienstplicht gaan doen. Of uit de kast komen als homo, maar zal S5 niet mijn toekomstige carrière schaden? Theologie studeren zorgt ervoor dat ik de dans ontspring. Immers je bent vrijgesteld wegens het studeren voor of het uitoefenen van een geestelijk ambt. Een reden te meer om naar Kampen te gaan!

Waarom zie ik zo tegen die dienstplicht op? Heb ik – op de ontgroening na – allerlei vreselijke verhalen gehoord? Nee. Veel jongens vinden het een saaie tijd, waarin ze zich stierlijk vervelen. Ze brengen hun tijd in ledigheid door zoals dat zo mooi heet.

Mijn vader moet voor zijn dienstplicht naar Nederlands-Indië. Maar bij de inentingen voor de tropen gaat er iets goed mis. Hij krijgt een hersenvliesontsteking en is nooit uitgezonden. Hij heeft geluk gehad want er zijn ook jongens aan die foute inenting doodgegaan. Hij wordt foerier en heeft het ongeluk dat hij zevenmaal ‘op herhaling’ moet. Altijd in de periode van de oogsttijd wanneer mijn opa hem natuurlijk goed kan gebruiken.

Wellicht is mijn homoseksualiteit de reden dat ik zo’n hekel heb aan de dienstplicht. Eigenlijk zou het een walhalla voor me moeten zijn. Al die jongemannen om me heen, die male-bonding, die kameraadschap voor het leven, maar ik zie alleen de negatieve kanten. Wat als ze het zullen ontdekken, wat als ik gepest ga worden? Nee, mooi dat ik op deze manier de dans kan ontspringen.

Jaren later heb ik die dienstplicht ruimschoots ingehaald. Als programmamaker maak ik veel items over allerlei defensieonderdelen, zowel bij Land- en Luchtmacht als Marine. Ik ben een jaar lang ondergedompeld geweest bij de Luchtmacht. Maak bij de mariniers de wintertraining in Noorwegen mee. Lig te rillen van de koud in een legertentje in Polen omdat we een internationale oefening van de Luchtmobiele brigade volgen. Ik voel me als een kind in een snoepwinkel en geniet van de candy’s in een uniform.

Een keer ben ik ontdekt. We filmen een amfibische landing. Enkele mariniers dragen een zendertje en ik kan op afstand meeluisteren. De marinier die zegt ‘Die rooie is een homo’ is vergeten dat we ondanks dat we op verre afstand staan, we alles letterlijk kunnen horen. Ik heb blijkbaar bij de oefening iets te lang naar zijn geweldige fysiek gekeken. Tijdens de rest van die draaidag ben ik extra op mijn hoede en mijd ik de desbetreffende militair. Hij wordt niet uitgenodigd voor een diepte-interview over zijn functioneren door de verslaggever van dienst: die rooie flikker!

Ma honderd jaar

Afgelopen zaterdag zou mijn moeder honderd jaar zijn geworden. Ze is op 95-jarige leeftijd overleden. Een respectabele leeftijd die niet iedereen gegeven is. De laatste zes jaar leefde ze in een soort extra tijd. Ze ‘overleefde’ een ernstig hartinfarct maar moest dealen met de gevolgen van de complicaties die erna optraden. Ik weet niet of ze die tijd ook als een surplus heeft ervaren. Ze zei: ‘Het zal wel een doel hebben dat ik hier nog ben.’

Tijdens haar leven strooide ze met levenswijsheden. Als ik me als kind verveelde, zei ze altijd: ‘Geniet er nu maar van, want na je twintigste gaat alles snel en lijkt het alsof de jaren voorbijvliegen.’ Wellicht ging in die laatste jaren de tijd niet meer zo snel voor haar. Mijn vader was overleden en ze miste hem. Tweeënzestig jaar hadden ze lief en leed geleed. Ze woonde in een zorginstelling maar was toch voor het grootste deel op zichzelf aangewezen. Alle dagen gingen op elkaar lijken. Daar sloeg ze zich wel dapper doorheen door zoveel mogelijk aan alle activiteiten deel te nemen. Ze breide zich suf, terwijl ze tv-keek. Het aantal mutsjes voor de baby’s in Malawi overtrof zeker de honderd en dan vergeten we voor het gemak alle sokken en andere kledingstukken die ze voor ons in elkaar pende. Toch moet het een eenzame tijd zijn geweest en zag ze uit naar het einde. Naar de hereniging met de liefde van haar leven. Het was goed geweest.

Je hoopt oud te mogen worden maar je weet ook dat je niet onsterfelijk bent. Het doet me denken aan de roman ‘Alle mensen zijn sterfelijk’ van de Franse filosoof en schrijver Simone de Beauvoir. In mijn studententijd las ik het. Een eyeopener, want je wilt zelf natuurlijk zo lang mogelijk leven. De dood boezemt angst in. Na het lezen van Beauvoirs boek kijk je daar toch anders tegenaan. Op briljante wijze zet ze het verhaal van graaf Fosca neer, die in de 14e eeuw een onsterfelijkheidselixer drinkt. Eeuwen later treft hij een actrice, Regine, die het vreselijk vindt dat haar roem vergankelijk is. Zij wil eigenlijk het liefst onsterfelijk zijn en voelt zich aangetrokken tot de mysterieuze man Fosca, die zich van niets en niemand wat lijkt aan te trekken en de hele dag buiten in een stoel ligt. Als blijkt dat hij niet kan sterven, is ze verschrikkelijk jaloers. Ze hoopt dat ze door een relatie met hem voor elkaar kan krijgen dat zij ook een beetje onsterfelijk wordt, omdat hij zich haar zal blijven herinneren. Fosca weerspreekt dat. Hij zal zich haar niet beter herinneren dan anderen, zegt hij. Régine kan dat niet uitstaan en probeert steeds opnieuw zijn aandacht te trekken en bijzonder voor hem te zijn.

Voor Fosca is het niet kunnen sterven een vloek. Zijn onsterfelijkheid heeft hem weliswaar mogelijkheden geboden, omdat willekeurig welk gevaar geen vat op hem had (oorlogen, ziektes, ouderdom), maar uiteindelijk is hij gruwelijk eenzaam, omdat hij geen diepe verbondenheid met de sterfelijken om hem heen kan bereiken. Fosca ziet zijn vrienden strijden voor allerlei idealen en er zelfs hun leven voor geven. Hij zal dat nooit kunnen doen. Wat heb je eraan als je alleen overblijft met je eeuwige leven?

Bij haar laatste verjaardagen memoreerde mijn moeder vaak: ‘Ik hoef geen honderd te worden. Wat heb je eraan als je oud wordt maar al je leeftijdsgenoten, de mensen die je lief hebt, weg zijn en je hele dagen alleen de tijd moet doorbrengen.’

‘Alle mensen zijn sterfelijk’ is een literaire roman met een grote filosofische vraag: Leef je wel echt als je niet kan sterven? Het zet je als lezer aan het denken over het lot van de mens, namelijk: uit stof zijt gij geboren en tot stof zult gij heengaan. Het leert je de dag te plukken en met inzicht om te gaan met de je gegeven tijd. #simonedebeauvoir #oudworden

In de voetsporen van Tom

Aan de ontbijttafel in het hostel in Cork valt hij me voor het eerst op. Een lange blonde jongen die een stapel boterhammen naar binnen werkt waar je u tegen zegt. Eten als een slootgraver, zoals mijn vader altijd zegt. Zijn aanwezigheid slaat in als een bom en bij al mijn toeristische bezigheden tijdens die dag moet ik continu aan hem denken. Steeds komt dat beeld weer boven: zinnelijke lippen die een lenig gespierd lichaam voeden.

Twee dagen later sta ik met de Vagebond – mijn trouwe groene rugzak – op het station op de bus te wachten naar Dingle en wie komt daar fier aangelopen: de blonde broodverslinder. Meteen ben ik een en al onrust. En wat blijkt van alle bussen die je kunt kiezen stapt hij ook in die naar het schiereiland. Mijn hart slaat over, ik laat me verleiden om op de achterbank van de bus plaats te nemen, waar hij is gaan zitten. Drie lege zitplaatsen scheiden ons. Zo onopvallend mogelijk bekijk ik hem. Hij heeft een koptelefoon opgezet. Het zweet breekt me uit. Daar zal hij mede debet aan zijn, maar ik ontdek ook dat onder de achterbank de motor van de bus verstopt zit die de nodige hitte afgeeft. Zal ik ergens anders gaan zitten? Nee, ik wil bij hem in de buurt blijven en contact proberen te leggen. Tuurlijk merkt hij dat ik vaak naar hem kijk. Hij schuift de koptelefoon in zijn nek en zegt: ‘Hey man, how you’re doing?’

‘Fine. And you?’

De eerste stap is gezet. Hij heet Tom en praat met een zangerige stem. Nog mooier is het om hem later Duits te horen spreken, want hij komt uit Oostenrijk. Deze taal past nog beter bij zijn stem. Inmiddels zit er nog maar één stoel tussen ons en zijn we geanimeerd met elkaar in gesprek. Als we in Dingle uitstappen is duidelijk dat we gezamenlijk in hetzelfde hostel zullen overnachten. Ik heb gereserveerd, hij is op de bonnefooi, maar in het kleine hostel aan de haven is gelukkig nog wel plek voor hem. We overnachten in dezelfde kamer, omdat de vrouw denkt dat we samen reizen. Ik vind het meer dan prima.

Ik spreek met Tom af dat we ’s avonds op kroegentocht zullen gaan en de uren kunnen me niet snel genoeg voorbijgaan. Ik zweef door het pittoreske Ierse haventje. De boottocht naar de plaatselijke attractie Fungie, de dolfijn, maakt weinig indruk, want ik ben steeds met mijn gedachten bij mijn blonde kamergenoot.

Beiden opgedoft in een fris T-shirt verlaten we rond negen uur het hostel en hoppen van kroeg naar kroeg. De zon strijkt gouden licht over de kleurige gevels van de pubs. Op Green Lane belanden we zonder het te weten in de beroemdste kroeg van Dingle. Buiten zijn me wel een aantal bijzondere tegels opgevallen, maar ik had er niet veel aandacht aan geschonken, afgeleid door mijn aangename gezelschap.

Achter de lichtblauwe gevel en de twee ramen van Dick Macks zit een bijzondere kroeg verscholen. Alle pubs in Ierland hebben hun eigen charme, maar hier drink je het hemels vocht, Guinness of whiskey, tussen schoenen en laarzen die overal in de schappen verspreid liggen. We leggen contact met de Dinglenaars en horen dat dit een pub annex schoenwinkel is. Al snel volgt het verhaal waarom de kroeg ook naam heeft gemaakt. Het schiereiland Dingle is meerdere malen het decor voor een filmopname geweest. The Playboy of the Western World, Ryan’s Daughter met Robert Mitchum, maar ook Far & Away met Tom Cruise en Nicole Kidman. En deze Tom waar ik sinds zijn dansscene in Risky Business https://youtu.be/G2UVsyVLLcE een zwak voor heb, blijkt hier aan deze zelfde toog te hebben gestaan om een drankje te drinken. Mijn avond kan niet meer stuk. Zijn naam staat op een van de walk of fame-tegels voor de deur.

We worden prettig dronken en na sluitingstijd waggelen we elkaar ondersteunend richting hostel. Mijn waarnemingsvermogen is op meerdere niveaus beneveld en ik ben blij ons hostel te hebben bereikt. Door het tuinhekje lopen we naar de voordeur. Het duurt wel lang voordat we de deur geopend hebben, maar dan klinkt de gewenste click en de toegang schiet open. We stappen naar binnen. Als ik de trap op ga om naar de kamer te gaan, denk ik nog wel hier klopt iets niet. Alles lijkt ruimer en groter geworden. Een man in nachtkleding verspert de weg en zegt streng: ‘What are you boys doing in my house?’ Ik kijk de man verschrikt aan. Dan besef ik dat dit helemaal niet onze hostel is. Hoe zijn we hier binnengekomen? Met de nodige dronken gestamelde excuses verlaten we het pand. Buiten vallen we elkaar in de armen en kunnen alleen maar giechelen alsof we naast dronken ook high zijn. Foolish boys. We strompelen vijftig meter verder naar de juiste deur.

De volgende ochtend word ik met een houten kop wakker. Op het bed naast me schijnt de zon door een kier in het gordijn op de adonis die zijn roes ligt uit te slapen. Zijn blonde beharing licht aanlokkelijke op, evenals zijn uit het lood geslagen sixpack. Hoofdpijn en ander ongemak houdt me tegen, anders… Over twee uur vertrekt mijn bus naar Galway. Voor het eerst heb ik geen zin om verder te reizen. Ik tuur nog eenmaal door mijn zware oogleden om van het goddelijke uitzicht te genieten.

Een nacht in Stockholm

De volle maan ontbreekt nog, verder is alles perfect. Ik ben op een gayfeest in Stockholm. Het is de jaarlijkse Prideweek die wordt gevierd met veel uitbundige party’s. Eerder die middag heb ik in het centrum een stoet van letters en leestekens op platte karren en open bussen voorbij zien gaan en enthousiast toegejuicht. Een prins op het witte paard kondigde de optocht aan. Het is als toerist en vreemdeling in de Scandinavische scene niet gemakkelijk welk feest ik zal kiezen. Ik besluit naar Stargate te gaan. Nog maar net binnen en amper mijn eerste biertje bij een goed uitziende barman bestelt, hoor ik naast me: ‘Ready to dance whenever you are.’

Ik kijk om. De dansvloer is nog maagdelijk leeg. Aan de toog staat een kleine donkere man. Hij stelt zich voor als Mario uit Tampa, Florida. Hij is duidelijk met me aan het flirten en laat er geen gras over groeien. Hij praat aan een stuk door, terwijl ik probeer de situatie in te schatten. Leuk die aandacht, maar op het eerste gezicht niet mijn type. Zijn aanhoudende conversatie is echter vermakelijk, dus ik blijf naast hem staan. Er is – voorlopig – maar een ding dat hij wil: dansen. De Stargate heeft verschillende dansvloeren en in de ruimte hier beneden worden songfestivalnummers gedraaid. Een favoriete muzieksoort in het wereldje. Op Diva van Dana International vraagt Mario me voor de tweede keer ten dans. Ik zeg tegen hem dat ik geen goede danser ben, maar ga toch op zijn aanbod in. Ik zet mijn bierglas weg en beweeg me naar de met verleidelijke passen dansende man. Hij komt ongeveer tot aan mijn borst en dat moet een koddig gezicht zijn. Het voedt mijn vaderlijke gevoelens, terwijl hij veel ouder is.

‘You’re a liar,’ zegt hij, ‘you dance very well.’

Ook bij het volgende vrolijke nummer zwieren we over de dansvloer, die langzaam voller en voller wordt. Hij ruikt naar zuidelijke noten. De zomeravond is bijzonder zwoel; voor wat afkoeling gaan we naar het terras. Het uitzicht is schitterend. Voor ons het water van de archipel en het oude gedeelte van Stockholm. Mario neemt opnieuw het initiatief en begint me vurig te zoenen. Ik voel een klein voorwerp op mijn tong. Een felle mintsmaak penetreert mijn gehemelte. Tussen het zoenen wisselen we algemeenheden uit over de mooie avond, het feest en de reden waarom we in Stockholm zijn. Hij voor z’n werk, ik op vakantie. Opnieuw wil Mario dansen. Dirty dit keer. We gaan naar boven waar een betere dansbeat klinkt. Ik voel zijn lijf tegen mijn onderlichaam schuren. Zijn handen glijden begerig over mijn rug en billen. Hij vraagt of ik champagne met hem wil drinken op zijn hotelkamer. Een verleidelijk aanbod.

Innig gearmd verlaten we het net begonnen feestgedruis en arriveren bij zijn comfortabele suite in het International. Van de opwinding moet hij nodig naar het toilet. Ik verken de riante ruimte en ben zo vrij het openen van de champagnefles voor mijn rekening te nemen. Bij het knallen van de kurk stapt hij de kamer binnen. Zijn shirt staat open. Wat ik zie tart elke verbeelding. Welig tiert het grijze borsthaar uit z’n overhemd. Ik probeer me te concentreren op het inschenken van de champagne. ‘Proost, op vannacht!’

Na de toast neem ik plaats op de bank. Hij komt letterlijk boven op me zitten en ik kan nog net voorkomen dat de champagne over ons heen gutst. Weer wisselt hij een mintje uit als hij me innig zoent. Waar haalt hij die toch vandaan? Hij ademt zwaar. Een soort hijgende luchtverfrisser. Zijn borstkast is tien centimeter van mijn gezicht verwijderd. Als hij zijn shirt nog verder opent, krijg ik het Spaans benauwd. Een grote grijze grasmat, nergens een tepel, navel of stukje huid te bekennen. Borsthaar oké, maar dit doodt elke erotische opwinding. Ik probeer er niet aan te denken en me er overheen te zetten. Ik doe mijn ogen dicht en sluit mijn handen om zijn getrainde lijf om tot de conclusie te komen dat er ook op zijn rug overal sprake is van zware haargroei. Ondanks de champagne en de veelbelovende nacht ben ik op slag nuchter. ‘This is too much,’ kan ik nog uitbrengen. Ik trek mijn rits dicht en sta op om een verbouwereerde man achter te laten op z’n hotelkamer.

Kort bergritje

san sebastian

Het regent in Baskenland. Het veroorzaakt een waas op mijn tv scherm. Een sliert wielrenners trekt zich de Erlaitz omhoog om naar San Sebastian af te dalen. Het wordt steeds donkerder op mijn scherm. De coureurs bevinden zich in het bos. Koplampen van de volgauto’s verblinden me. Een erg grijze Clásica San Sebastián dit jaar. Spaanse wegen schuiven als de pest als ze nat worden. Valpartij! Drie jongens van Bohra-hansgrohe. Natuurlijk ligt Wilco Kelderman er weer bij.

Het is mooi om via de helikopterbeelden de vier vluchters de boulevard van San Sebastian te zien naderen. Ze beginnen aan hun laatste rondje. De beklimming van de Murgil. De renners rijden door een woud van enthousiaste supporters. De Basken zijn wielergek. Mohoric neemt de bocht niet goed en zet een voetje op de grond. Honore blijft net op een valrail hangen. Met de finish in zicht blijft het opletten.

Vijf jaar geleden kom ik vanuit Bilbao aan in diezelfde stad. Het weer is vergelijkbaar. Het miezert. Ik heb geen zin om de warmte van de touringcar te verlaten en de onbekende reisgenoot die op het wiegende ritme van de bus tegen mijn schouder in slaap is gevallen. Het voelt intiem. Een onbekende die zich zo op zijn gemak voelt in de buurt van mijn lichaam. Er is eveneens veel publiek op de been, dat komt omdat er een filmfestival in de stad gehouden wordt.

De weersvoorspelling voor de komende dagen is gelukkig beter: zon en drieëntwintig graden. Door het groene landschap laat ik me verleiden om een mountainbike te huren en een ritje in de omgeving te maken. Met een helm op mijn rode krullen begin ik enthousiast aan mijn avontuur. Vanaf het strand lopen de wegen gauw redelijk steil omhoog. Van vals plat is geen sprake.

Deze verkenning pakt slecht uit. In de bus lijkt het hoogteverschil miniem maar op de fiets blijken de wegen echte kuitenbijters te zijn. Welke versnelling ik ook voorzet ik kom gewoon niet omhoog. Ik moet snel mijn meerdere in de bergen erkennen. Ik maak prachtige onbedoelde surplaces. Adem als een oud paard. Noodgedwongen stap ik af en hijg uit in de berm. Nadat ik mijn ademhaling weer onder controle heb, suis ik op mijn gemakje naar beneden. Het sportshirt tegen het lijf gedrukt door de tegenwind.

Rondjes maken rond de prachtige baai aan de Golf van Biskaje lukt me wel. Lekker flaneren aan het strand. Obers doen hun best om toeristen hun restaurant binnen te lokken. Het is druk op de Playa de la Concha. Ik trakteer mezelf op een heerlijk koel biertje met een pinxtos. Het ruikt naar zee, zonnebrand en zeevis. Jonge surfers zijn druk in de golven aan het trainen. Badgasten spelen een potje strandvolleybal. Tieners vertonen hun kunsten op hoverboards. San Sebastian is een elegante badplaats, de voornaamste zomerbestemming voor de Spaanse jetset.

Het bier smaakt me prima, evenals de kleine hapjes die erbij geserveerd worden. Ik weet nu zeker dat ik geen berggeit ben, geen Bauke Mollema. Ach laat ik het maar bij kijken naar wielrennen houden…

Zaterdagmiddag wint Neilson Powless in San Sebastian voor het eerst in zijn carrière een profzege. Glunderend staat hij op het podium met de traditionele brede zwarte baret als trofee op zijn hoofd.

Zomergeuren

Vandaag in het zwembad haal ik twee pratende dames in. Een bekende geur dringt mijn neus binnen. Eerst kan ik niet thuisbrengen wat het is. Bij het keerpunt weet ik het: Nivea. Zo’n oude geur die ik associeer met zonnebrand en wondjes op je knie. Met witte zalf uit een blauw blikje.

Geur is heel persoonlijk. Alhoewel er luchtjes zijn die iedereen vies vindt. Deze geuren moeten ons beschermen om dingen niet te eten: odeur van rotte eieren of ander bedorven voedsel. Daarnaast klaagt bijna niemand over de frisse geur van wasgoed aan de lijn. Zo zijn er allerlei geuren die je in een klap terugbrengen in de tijd. De 4711 die je oma gebruikte.

Hooilucht roept herinneringen op en meteen zie ik een scene voor me uit een ver verleden. Mijn huid gaat tintelen. Het is hoogzomer. Het gras is gemaaid en verkleurd onder de brandende zon tot hooi. Er is onweer voorspeld en mijn vader wil het voer voor zijn koeien graag droog binnen halen. Alle hens aan dek. De loonwerker komt om het hooi in balen te persen. Mijn oom en een zoon zijn er met de trekker, dat gaat sneller dan met paard en wagen. Een andere oom is er ook. Een buurjongen steekt een handje toe. We laden de ene wagen na de andere. Het kan zo maar om achthonderd balen gaan. De hitte stijgt op van het land. Boven het Fochtelooërveen kleurt de lucht donker. In de verte dondert het al. Nog een keer snel laden en lossen. Bliksemschichten scheren langs de hemel. Als de laatste balen op de hooizolder zijn opgeslagen, barst de onweersbui los. Terwijl de regen tegen de ruiten kletst drinken we moe maar voldaan samen een drankje. Mijn eerste biertje heb ik volgens mijn vader wel verdiend. http://taalmens.nl/?s=hooischudden

Iedere keer als ik geur van vers asfalt ruik ben ik in een klap terug op de plek waar we woonden. De wijk wordt gedempt en er komt een asfaltweg voor in de plaats. Als ik nu ’s nachts langs wegwerkzaamheden rij doe ik wel eens het raampje open en dan zit ik weer midden in mijn jeugd. Mijn hart gaat iets sneller kloppen en ik speel in het gele zand en er doemen onmogelijk grote machines op voor mijn geestesoog. Zie hierover de volgende anekdote: http://taalmens.nl/?s=grietmanswijk

Zintuiglijke flashbacks: dat kan een gebeurtenis zijn, maar ook een stemming, een gevoel uit je jeugd.

Hetzelfde met de geur van cement die herinnert me aan de bouw van het nieuwe gedeelte achter het woonhuis of de nieuwe pinkenstal waaronder een gierput komt. De jonge bouwvakkers die een geintje met de zoon van de boer uithalen door hem boven de put in aanbouw te hangen. Gelukkig zijn het jongens met ijzersterke handen, die me niet laten vallen en na een tijdje weer met beide benen op de grond zetten.

Waarom is geur zo sterk gelinkt aan herinneringen? Dit komt omdat onze reukzin in directe verbinding staat met de delen van ons brein waar onze emoties en onze herinneringen worden gevormd (hippocampus en amygdala). Daarom zijn de emoties die je voelt op het moment dat je iets voor de eerste keer ruikt voor altijd onlosmakelijk met die geur verbonden.

Op vakantie maak je wel foto’s en filmpjes maar waarom sla je de geur van belangrijke levensmomenten niet op? Bijvoorbeeld een potje volstoppen met Grieks zand of Finse dennen om je herinnering levendig te houden. Die onvergetelijke nacht op het strand van Zakynthos of de wens om tussen de naaldbomen aan een Fins meer te wonen.

Een geur kan je zo plotseling overvallen. Zoals de Nivea van de dames in het zwembad. Ik mag ze wel dankbaar zijn, ze brengen me ook indirect op het idee om dit stukje te schrijven.

Fitty

Sinds het begin van de coronacrisis zijn Hilversummers vaker gaan klagen over kapotte straatlantaarns, losse stoeptegels, zwerfvuil en andere overlast op straat. Als je erop gaat letten zie je overal afgedankte mondkapjes liggen. Nu we veel thuis moeten blijven kunnen de gemoederen onderling ook oplopen. Dat merk ik ook in mijn eigen omgeving. Met z’n zessen wonen we in ons trappenhuis en al enkele maanden is er iets raars aan de hand. Sommige bewoners hebben de neiging om de gemeenschappelijke ruimte, waaronder ook de trap valt te gaan gebruiken als extra leefruimte. Zo verschenen er schoenen voor de deur. Dat kan als het een keer flink regent, of je hebt door de modder gebaggerd en wilt ze even buiten laten drogen. Maar deze schoenen van jong tot oud staan er altijd. Je kan natuurlijk denken waar maak je je druk om stap er overheen of loopt erlangs. Maar bij sommigen ligt dat gevoelig. Bij mij riep het plannen op om voor Sinterklaas te gaan spelen door er ‘s nachts een surprise in te leggen, een chocoladekikker of iets dergelijks. Als een stille hint. Maar gelukkig heb ik dat ludieke idee niet uitgevoerd en me zo buiten de gevarenzone gehouden.

Op een ochtend zijn alle schoenen verdwenen. Probleem opgelost zou je denken, maar verre van dat. Een boze bewoner heeft ze overal ‘verstopt’. ’s Middags staat de eigenaar van de schoenen voor mijn deur. Of ik aan de schoenen heb gezeten?

‘Nee.’

‘Oké dan weet ik genoeg.’

Later hoor ik – als de dader thuiskomt – een felle discussie in het trappenhuis. Het gaat er hard aan toe.

De volgende ochtend staan alle schoenen weer op een rijtje voor de deur.

Maar daarmee is het probleem nog niet opgelost. Een andere bewoner vindt in de schoenen een bevestiging om alles wat eigenlijk in een prullenbak hoort, buiten de deur op het matje te zetten. De ene dag twee wijnflessen, de andere dag een afgedankte stoel of de verpakking van een internetbestelling. Soms denk ik wel wat zal er in de doos hebben gezeten? Ik maak er maar een raadsel van. Als je je eraan gaat ergeren heb je er in dit geval alleen jezelf maar mee. Maar hoe moeilijk is het om je spullen binnen je eigen muren te houden? Het zal wel bij ons trappenhuis horen. Kortom elke dag staat er wel iets voor een deur.

Voor de schoenenverstopper deze week aanleiding om weer het ongenoegen te uiten en de deur van de vuilnisbuitenzetter te barricaderen met het eigen afval, zodat je er bij het openen onder bedolven wordt. Als ik het zie krijg ik een glimlach op mijn gezicht en denk daar gaan we weer.

Gisteravond laat hoor ik allerlei gestommel in het trappenhuis. Vanochtend bij het halen van de krant zie ik dat alle dozen een verdieping zijn verplaatst en de deur van de dader volledig blokkeren.

Misschien moeten we eens met z’n allen om de tafel gaan zitten om de sfeer niet verder te verzieken. Leven en laten leven, maar dat is blijkbaar moeilijk.