Blog

Opgelicht?!

In de aankomsthal van het vliegveld in Dublin sta ik op een goede vriend te wachten. Hij komt aan met een vlucht uit Barcelona waar hij momenteel woont en werkt. We hebben afgesproken om een weekendtrip Dublin te doen. Na mijn enthousiaste verhalen is hij benieuwd naar de Ierse hoofdstad en het is een mooie gelegenheid om elkaar na de zomer weer in levende lijve te zien.

Het vliegtuig heeft vertraging en geduldig wacht ik af. Eindelijk gaan de schuifdeuren open en daar is hij! Met bus 41 gaan we naar de stad waar we een kamer hebben genomen in Isaacs hostel. Nadat de spullen zijn achtergelaten gaan we vlug naar Temple Bar area voor een pint en meer…

Het is goed om elkaar weer te zien, maar toch hangt er een grauwsluier over het weekend. Voor mezelf kan ik het verklaren. Begin januari ben ik aan een nieuwe baan begonnen. De TROS heeft het productiehuis voor het programma Opgelicht! aan de kant gezet en produceert het programma nu zelf met een geheel nieuw team waarvan ik een van de item-regisseurs ben. Ik heb op de vacature gereageerd met het idee wie niet waagt wie niet wint, en ik was een van de gelukkigen. Maar zo gelukkig voel ik me niet. Het is een programmasoort dat me totaal niet blijkt te liggen. Jagen op fraudeurs en oplichters is niet mijn ding ben ik al snel achter. Van kruimeldieven tot criminele bendes alles zit er tussen. Het bedenken van trucs om de boeven te vangen, het verborgencamerawerk, bedriegers met draaiende camera aanspreken op hun daden, er desnoods achteraan rennen, het voelt niet goed. ’s Nachts lig ik wakker van de malafide praktijken en ik ga met tegenzin naar het werk.

Kortom ik ben behoorlijk gestrest en zit niet lekker in mijn vel en dat heb ik meegenomen naar Dublin. In plaats van te genieten van het weerzien van een goede vriend in een leuke stad, voel ik me beroerd. Het weer in Dublin zit tegen, het regent en is koud – wat wil je ook eind januari. Ik merk dat de vriend teleurgesteld is over de stad. Misschien heeft hij te hoge verwachtingen. Trinity College, Book of Kells kunnen hem niet bekoren en de Guinness smaakt niet lekker. Bovendien vindt hij de Ieren maar lelijke mensen. De gesprekken lopen stroef en we krijgen ruzie over elkaars wederzijds gesnurk. In plaats van genieten voelt het alsof je op je tenen moet lopen. Het is geen ontspannen weekend.

Totaal niet uitgerust en met lood in mijn schoenen meld ik me maandagochtend weer op de redactie van Opgelicht?! De eindredacteur kijkt me aan en zegt: ‘Jan, we moeten even praten.’

Het gesprek duurt niet lang. Ik zit nog in mijn proefperiode en het lijkt beide partijen beter om naar een andere itemregisseur uit te gaan zien. Opgelucht verlaat ik het pand.

Boekenwurm

Ik ben een boekenwurm. Het nadeel daarvan is dat je door de jaren heel veel boeken verzamelt. Het begon met een houtje boekenplank door leerlingen van de Technische School in Bovensmilde gemaakt, tot nu ruim vijftig jaar later een scala aan boekenkasten en dito stapels. Toch kan ik het aanschaffen van boeken niet laten. Wat klein begon, de boekjes die je met Kerst kreeg van de kerk, die je moeder op een druilerige tweede kerstdag voorlas, via Pietje Bell, de Kameleon, de Inspecteur Arglistig-serie, tot de eerste Ikeastelling op mijn studentenkamer, waar langzaamaan het koffiezetapparaat uit verdween en die steeds meer een echte boekenkast werd. Nu vormt die stelling met twee rijen boeken achter elkaar en nog een stapel er bovenop, een deel van de achterwand van de woonkamer.

Allemaal stofhappers waarvan de kaften door het zonlicht vervagen. Wat als je gaat verhuizen? Moet je niet eens een selectie maken en wat boeken weg gaan doen? De vraag zelf is haast vloeken in de kerk.

Eenmaal toen ik voor de keuze stond of een nieuwe stelling erbij of inderdaad afstand doen, heb ik de moed verzameld om drie grote Lidltassen naar de Slegte te brengen, omdat ik er heilig van overtuigd was dat ik iemand blij kon maken met mijn afdankertjes. Ik zie me nog staan voor de rijzige man achter zijn inkoopbalie. Op zijn kalende hoofd stond een leesbril. Enthousiast begon hij met de eerste tas. Hij was niet erg spraakzaam en ik onthield me ook van elk commentaar. Er ontstonden twee stapels. Een heel grote en een armetierige. Af en toe zette de man zijn bril op en las de colofon. Nadat hij alles had uitgepakt bestond de kleine stapel uit drie boeken. Vrij recente literatuur, miskopen waar ik zelf niet om maalde, daar kon ik zonder. Romans waar geen doorkomen aan was en jammer van de aanschaf. Hij bood me acht euro. Ik keek de man vol ongeloof aan. ‘En die andere stapels dan?’

‘Die mag je zo weer meenemen, die raak ik aan de straatstenen niet kwijt.’

Dat was helemaal niet de bedoeling, ik wilde ze niet meer! Ik twijfelde over zijn aanbod. Even lag op mijn lippen, nou dan neem ik alles weer mee. Maar om niet helemaal voor niks naar het centrum te zijn gekomen, stemde ik in met het bedrag. Ik kreeg een bonnetje waarmee ik bij de kassa acht euro’s uitbetaald kreeg. De rest laadde ik met tegenzin weer in de tassen.

Thuis baalde ik enorm van mijn actie. Ik had er zelfs spijt van dat de man me die drie slechte boeken had afgetroggeld, want zo voelde het. Ik besloot dat ik dit nooit meer ging doen.

De tassen hebben nog een tijd in de kelder gestaan, totdat ik het over mijn hart kon krijgen om ze op zaterdagochtend vroeg bij het oudpapier te zetten. Het deed nog steeds zeer, toen ik ze vanuit mijn raam via de handen van enthousiaste vrijwilligers in de vuilniswagen zag verdwijnen.

Tegenwoordig heb je van die boekenkastjes in de tuin of in het winkelcentrum, waar je boeken kunt ruilen. Soms doe ik dat, maar vaak gaan er uiteindelijk weer meer – voor mij nieuwe boeken – mee naar huis dan ik er achterlaat.

Boeken hebben voor mij emotionele waarde, ik kan ze niet weg doen. De werkelijke economische waarde is nihil. Kringloopwinkels worden ermee overladen. Onlangs heb ik mijn inboedelverzekering naar beneden bijgesteld, want de boekencollectie is de hoge premie niet waard. Het is helemaal niet zo dat ik elk boek nogmaals lees, maar het idee dat ik ze in de boekenkast heb staan, is een fijn en veilig idee. Maar er zal ooit een dag komen dat ik moet ‘ontspullen’ en afscheid van ze moet nemen…

Het virus te lijf

Inmiddels zijn in ons land de eerste vaccinaties geweest. Het mocht even duren. Ik kreeg bijna het idee dat men overvallen was dat een vaccinatiecampagne een grote logistieke operatie vergt met de nodige ICT-toepassingen. Terwijl de vreugdezang voor de kerst aan de horizon was uitgebroken omdat het Europees Geneesmiddelen Agentschap het PfizerBioNtechvaccin had goedgekeurd en de meeste landen zich naar de vaccinatiestraten spoedden, moesten wij wachten op de drie wijzen voordat het eerste goud door de Nederlandse aderen vloeide. Hoe toepasselijk verschenen André Rouvoet (GGD GHOR), Jaap van Delden (RIVM) en coronaminister Hugo de Jonge op Driekoningen in Veghel om de eerste prik bij te wonen. Hugo stond een beetje bedremmeld in zijn hippe schoenen, waar ik eerlijk gezegd momenteel niet in zou willen staan, met grote blauwe ogen toe te kijken hoe een blonde vrouw met een bosgroen wollen vest de prik in de linkerbovenarm van de met beleid geselecteerde verpleeghuismedewerker Sanna Elkadiri zette. Ze gaf geen krimp toen de spuit erin ging. De fotocamera’s ratelden en flitslicht deed haar uiteindelijk met de ogen knipperen.

De start was gemaakt. Symbolisch weliswaar.

Hugo haalde opgelucht adem en sprak van een mijlpaal om op te gaan zitten en te genieten van het uitzicht. Als je de betekenis van dat woord opzoekt snap ik waarom hij juist deze woorden gebruikte: ‘Een mijlpaal is een paal die de afstand in mijlen aangeeft, tot een bepaalde stadspoort of tot de volgende mijlpaal. Voordat er mechanische kilometertellers bestonden, werden deze palen langs interlokale wegen geplaatst om reizigers te informeren over hun positie. Landmeten was echter geen exacte wetenschap. De nauwkeurigheid liet door slordigheid of om politieke redenen weleens te wensen over. Want niet alleen vermeldt een mijlpaal de namen van plaatsen in de buurt, er blijkt ook uit (al dan niet omdat het er met zoveel woorden op staat) wie het voor het zeggen heeft in het gebied.’

Ik zou denken niet gaan zitten, mouwen opstropen, snel die andere priklocaties uitrollen en nu aan het vaccineren!

Op die vroege ochtend terwijl het buiten nog schemerde, leerde ik nog meer. Wat er precies in het vaccin zit: RNA, vetbolletje, suiker en zout. Dat er zes (soms zeven) spuitjes uit een ampul te halen zijn. En dat je na de vaccinatie nog een kwartier op een stoel moet blijven zitten.

Gelukkig, de strategie voor het vaccineren is nu bekend. Ik weet dat het plan niet in beton is gegoten en dat er in de komende maanden nog veel kan veranderen, naar gelang de mutatie van het virus, de beschikbaarheid en het aanbod van andere vaccins en lobbygroepen die al of niet terecht voorrang willen. Persoonlijk kan ik niet wachten want de vaccinatie is mijn sprankje hoop op betere tijden. Er is een perspectief dat we in de loop van dit jaar van deze ellende af zijn, al ben ik mij bewust dat we nog wel eventjes aan coronamaatregelen gebonden zullen zijn.

Heb ik geen twijfels? Nee, het is misschien een gok omdat de bijwerkingen op de lange termijn niet bekend zijn, maar corona krijgen en eraan overlijden heeft helemaal niet mijn voorkeur. Daarnaast weten we volgens mij niet hoelang het vaccin ons beschermt. Misschien is de immuniteit na drie maanden uitgewerkt en moeten we weer opnieuw in de rij aansluiten. Vinger aan de pols houden, dus. Maar het biedt hoop.

Voorlopig zullen we morgenavond de bittere pil moeten slikken die afgelopen zondag tijdens het spijkerbroekenoverleg in het Catshuis is voorbereid dat we de komende weken in de lockdown blijven zitten, omdat een versoepeling niet kan zolang de besmettingen nog zo hoog zijn. Volhouden dus!

Gelukkig nieuwjaar

‘Gelukkig nieuwjaar!’ ‘Veel geluk!’ Altijd weer wensen we de ander geluk. Want gelukkig zijn is sinds mensenheugenis het hoogste goed. We streven er allemaal naar, voor onszelf, voor geliefden en voor onze kinderen, soms obsessioneel. Als je maar gelukkig bent! Het gelukkig zijn en blijven wordt het ultieme doel van ons bestaan. In onze westerse samenleving lijkt het bovendien alsof iedereen dat doel op eigen houtje kan verwezenlijken, want we geloven dat je je geluk helemaal zelf maakt. Deze wereld is doordrongen van de idee dat we ons leven en het daarbij behorende geluk zelf kunnen vormgeven. Het lijkt wel alsof we het paradijs hier en nu willen maken.

Psychiater Dirk De Wachter is duidelijk in zijn laatste boek ‘De kunst van ongelukkig zijn’ het geluksideaal is tot een soort plicht geworden, die we onszelf opleggen. Op enig moment ongelukkig zijn, betekent gefaald hebben. We moeten nóg harder werken, om maar niet minder dan een ander te zijn, die de zaken zogenaamd wel op een rijtje heeft. Van die tendens in onze maakbare samenleving moet de Vlaamse psychiater niets hebben.

Geluk hangt in hoge mate af van de verwachtingen die je hebt. De Israëlische historicus Yuval Noah Harari zegt het zo in ‘Sapiens, een kleine geschiedenis van de mensheid’: ‘Als je een ossenwagen wilt en je krijgt een ossenwagen, dan ben je tevreden. Als je een gloednieuwe Ferrari wilt en je krijgt een tweedehands Fiat, dan voel je je tekortgedaan.’ Als we niet krijgen wat we verwachten zijn we teleurgesteld. Met tegenslag kunnen we moeilijk omgaan, we worden er ongelukkig van. Gelukkig willen we zijn. En een beetje gelukkig is niet genoeg.

Ik ben het met De Wachter eens: ‘Beter zouden we leren af en toe ook een beetje ongelukkig te zijn. Want het klopt niet dat je het geluk helemaal in de hand hebt. Het leven is eenvoudigweg niet altijd even leuk.’

Veel mensen stoppen hun verdriet ver weg. Ze komen er niet toe om het op een goede manier te verwerken, want ze moeten immers succesvol zijn. En wie eenzaam is, heeft gebrek aan mensen waartegen hij of zij kan zeggen: ‘Ik heb je nodig.’ ‘Nee,’ zegt De Wachter, ‘verdriet en ongelukkige toestanden moet je juist met elkaar bespreken. Het voorzichtig woorden geven aan verdriet, het al pratend omcirkelen, benaderen en omzwachtelen moeten we leren. Verdriet kan een ding met stekels zijn, maar die stekels moet je vooral niet weghalen.’ De pijn haal je niet weg, door de pijn te negeren. Je moet er doorheen. En het liefst met iemand anders, een vriend, een familielid met een luisterend oor. En dat staat volgens De Wachter haaks op een cultuur waarin de zorg gericht is op snel en meetbaar succes. Zorgverlening waarin met pil en medicijn mensen zo snel mogelijk weer worden opgelapt om weer aan het werk te kunnen.

Het draait in het leven om betekenisvolle relaties. Relaties met mensen die er ook in moeilijke tijden voor je zijn. Mensen die betekenis geven aan je leven. Openstaan voor de kwetsbaarheid van de medemens en het engagement dat daaruit volgt, keert het ongeluk om tot een zingevende act. Het is de paradox van het menselijke bestaan: alleen door gevoelig te zijn voor onrecht en ongeluk (zowel in jezelf als in de medemens), vinden we een duurzame vorm van geluk, in de vorm van betekenis en zorg.

Streven naar het geluk als levensdoel is een vergissing. Streven naar zin en betekenis, daarentegen, is waar het leven om draait. Ik wens je voor het nieuwe jaar daarom veel zin en betekenisvolle relaties!

Geen vuurwerk

Het is geen prettig jaar geweest. Alles is abnormaal. En zo zullen we dit jaar ook afsluiten. In alle opzichten is het opmerkelijk. Wanneer maak je een jaar mee met twee identieke cijfers achter elkaar: 20 20? Dat overkomt je maar een keer. Nou, dat het niet een jaar als alle andere werd, hebben we gemerkt. Niemand had kunnen vermoeden dat we met mondkapjes gingen rondlopen. Dat we elkaar ter begroeting geen hand zouden schudden. We zouden het onbeschoft vinden. Sterker nog we moeten al maanden zoveel mogelijk uit elkaars buurt blijven, minimaal op anderhalve meter. We mogen maar twee mensen uitnodigen om de jaarwisseling te vieren. En er mag niet geknald worden!

Nu ben ik geen vuurwerkfanaat. Verder dan een sterretje aansteken ben ik nooit gekomen. Ik ben doodsbang voor vuurwerk en ben altijd blij als het jaarlijkse ritueel weer achter de rug is. Ook als toeschouwer voel ik mij niet veilig. Je zal maar zo’n verdwaalde vuurpijl in je oog krijgen!

Nee, ik vind een jaartje zonder vuurwerk geen ramp. Persoonlijk vind ik het geldverspilling, zeventig miljoen de lucht inschieten, het is echt ongehoord. Misschien is het wel tegen het zere been voor alle mensen die zeggen: ‘Het hoort erbij, wil je ons weer een gebruik, een traditie ontnemen?’

Het was bijzonder om de afgelopen maanden de vuurwerkdiscussie te volgen. Toen er geruchten gingen dat het kabinet om de druk op de zorg te ontzien tot een algeheel vuurwerkverbod zou komen, klom de Branche Pyrotechniek Nederland meteen in de pen en publiceerde een paginagrote advertentie in de krant waarin ze stelden dat de zorg nauwelijks baat heeft bij een verbod. Bij voorbaat zeiden ze sorry voor de gevolgen:

  • Sorry dat politici hiervoor de coronacijfers misbruiken
  • Sorry dat ze dit doen om politieke redenen
  • Sorry dat de politie geen mogelijkheid krijgt dit te handhaven
  • Sorry voor de toename van illegaal vuurwerk
  • Sorry dat de druk op de zorg niet zal verminderen
  • Sorry dat we geen lichtpuntje(s) bieden om middernacht
  • Sorry…

De vuurwerkfabrikanten schreven in hun advertentie ook dat er veel gevaarlijker hobby’s zijn dan vuurwerk afsteken. ‘Fietsen en schaatsen,’ meenden ze, ‘zouden eigenlijk ook moeten worden verboden.’ Een totaalverbod op alles zou de zorg pas echt ontlasten, betoogden de fabrikanten schertsend.

In een van de talkshows reageerde Diederik Gommers, op persoonlijke titel, dat vuurwerkslachtoffers niet massaal op een ic terechtkomen. Ze komen vooral bij de huisartsposten en de spoedeisende hulp terecht. De nieuwjaarsnacht is traditiegetrouw een van de drukste momenten in de acute zorg. Vorig jaar werden 385 mensen op de spoedeisende hulp behandeld wegens vuurwerkverwondingen. Nog eens negenhonderd mensen kwamen terecht bij een huisartsenpost.

Inmiddels is het algeheel vuurwerkverbod er gekomen. Wat vrees ik kan leiden tot een grimmig en gewelddadig en agressief oud en nieuw.

Eerlijk gezegd hing een vuurwerkverbod al enige jaren in de lucht. In Hilversum was er om die reden al een paar maal een collectief vuurwerkmoment op de Markt. En nu kon de veiligheidsraad het coronavirus misbruiken om het vuurwerkverbod er landelijk door te drukken. Wellicht met de gedachte: een jaartje niet, en dan nooit meer. Vuurwerkafstekers krijgen honderd euro boete en een aantekening op hun strafblad. Ik wens de politie en boa’s veel succes met de handhaving. De politie maakt zich terecht zorgen over het gebruik van zwaar vuurwerk de komende dagen. Er kwamen meldingen van vuurwerkklachten, onrust in Arnhem, Roosendaal, Urk, Veenendaal en rond kerst in Veen.

Men ontdekte een andere oudjaarstraditie: het carbidknallen. Ik ben geboren in een streek waar dat gebruikelijk is, maar pas toen ik in Kampen woonde werd ik er daadwerkelijk mee geconfronteerd. Wat een lawaai dat geeft. In de jaren ‘80 werd er ook nog geen bal gebruikt om weg te schieten, maar gewoon het deksel dat bij de melkbus hoorde. Als je geluk had was er een touw aan vastgemaakt. Voor de schieter een manier om het lid snel terug te vinden. In Kampen vond het carbidschieten gewoon plaats in de binnenstad, en dus niet in een buitengebied. Sterker nog: twee groepen benaderden elkaar vanuit de beide uiteinden van de Oudestraat om elkaar in het midden, op de Plantage te treffen. In de jaren dat ik boven de Tap woonde hield ik mijn hart vast en haalde ik waardevolle spullen bij de ramen vandaan. Je zou maar zo’n deksel door je raam naar binnen krijgen. Ieder jaar sneuvelden er wel een paar etalageruiten.

Carbidschieten is levensgevaarlijk als je er geen ervaring mee hebt en het is zeker goed dat ook daar een verbod op is gekomen.

Kortom geen ‘feestelijke’ afsluiting dit jaar. Als iemand door het afschieten van vuurwerk over dit bijzondere jaar al een goed gevoel zou kunnen krijgen, als goedmakertje zeg ik: ‘sorry, vuurwerkliefhebbers!’ Maar zoals je zult begrijpen ben ik daar niet rouwig om. Wat me meer aan het hart gaat is dat we elkaar niet kunnen omhelzen, echt fysiek een goed nieuw jaar kunnen wensen. Dat maakt deze jaarwisseling voor mij persoonlijker nog een eenzamer wisseling als anders. Hopelijk gaat er snel een tijd komen dat we elkaar weer kunnen omarmen. Ik ga er maar vanuit dat de beste omhelzingen nog zullen komen. En oké, voor diegene die dat wil mag op die dag een groot vuurwerk afschieten!

Noël

Momenteel ligt in de (christelijke) boekwinkels het kerstmagazine NOËL – acht verhalen rond de geboorte van Jezus. Het is een vrije bewerking van het Lukas-evangelie. Het was geweldig om daar aan mee te werken. Terwijl de mussen van het dak vallen komt er een manuscript met kerstverhalen binnen. Ik begin te lezen en zie het ineens voor me. Ik word getriggerd door het verhaal over de herders. Dat is geschreven vanuit Mesullam, een oude man die letterlijk zijn leven zit te overdenken terwijl het nacht is in Bethlehem. Hij past samen met een aantal andere herders op de schapen. Zijn kleinzoon Jotham is bij hem. De jongen heeft vragen over de vroege dood van zijn ouders. Net terwijl ze met elkaar in een goed gesprek zijn, komt Nahasson voorbij en de beide jongens verdwijnen in de donkere nacht. Ze laten opa achter bij de schapen. Mesullam – redelijk op leeftijd – denkt na over alles wat niet helemaal goed is gegaan. Hoe hij zijn zoon niet op het juiste pad heeft kunnen houden. Hij neemt zich voor om, nu hij nog de kans heeft, te spreken met zijn kleinzoon. Plotseling breekt de hemel open en verschijnt er een engel die hem en alle herders in het veld een opmerkelijke boodschap meedeelt. ’Jullie hoeven niet bang te zijn. Ik breng je goed nieuws. Vandaag is jullie redder geboren. Jullie kunnen hem vinden in Bethlehem.’

Mesullam kan niet anders dan gehoor geven aan deze opdracht, zeker als een engelenkoor over vrede op aarde heeft gezongen. Als de herders bijgekomen zijn van de schrik en op weg gaan naar het kindje in de voerbak, sluit ook Jotham met zijn beste vriend Nahasson aan bij de optocht.

Tijdens het lezen van het manuscript krijg ik beelden voor ogen. En bij de bespreking of we iets met deze verhalen zouden kunnen doen, zeg ik: ‘Ik zie een glossy magazine voor me met prachtige moderne foto’s die het eeuwenoude en voor sommigen bekende kerstverhaal illustreren. Bijvoorbeeld Mesullam en zijn kleinzoon zitten in het donker in de tuin te kletsen rondom een vuurkorf. Of Jozef en Maria op de scooter naar Bethlehem.’ Misschien draaf ik daarin iets door, maar het idee ligt wel aan de wieg van het ontstaan van het prachtige magazine dat nu in de winkel ligt. Of anders bij Scholtenuitgeverij.nl te bestellen is.

Tijdens het vormgeven van het blad zijn de revolutionaire beelden vervangen door meer vertrouwde afbeeldingen die we kennen uit het Midden-Oosten. De scooter wordt weer een ezel en Jozef moet het stellen zonder een gele veiligheidshelm bij zijn timmerwerkzaamheden.

Wat het magazine mooi maakt is dat alle vertellers herkenbaar tot leven komen. Ze worstelen allemaal met alledaagse dingen. Elisabeth en haar man Zacharias die kinderloos zijn gebleven en daar best wel verdriet over hebben gekend. Maria die aan Jozef moet vertellen dat ze op een wonderlijke wijze zwanger is. Simeon die een grote wens heeft om nog voor zijn dood het kindje Jezus te mogen zien en vasthouden. En de drie mannen uit het Oosten die door een opmerkelijke ster alles uit hun handen laten vallen en een verre reis gaan maken.

De bedoeling van het magazine is dat mensen op een mooie manier met het verhaal van Jezus en de betekenis daarvan in aanraking komen. Wat vieren die christenen nou met kerst? Het is een blad dat je ter uitleg aan je buren of kennissen kunt geven.

Als redactie maak je afwegingen, is het niet te veel inlegkunde, wijkt het niet te veel van het oorspronkelijke verhaal af? Kunnen we het kindje Jezus wel afbeelden? Maar we zijn allemaal met de kinderbijbel groot geworden en de plaatjes die daarin stonden. Op de cover prijkt een pasgeboren kindje, net schoongewassen en voor het eerst in de handen van zijn moeder. Als je er echt bij stilstaat kun je denken hier hebben we te maken met een falsificatie: Jezus als een wit-kindje. In Palestina? Kom aan, zeg. Moet dat eerder niet getint, bruin of misschien zwart zijn? Zo heb je te maken met allerlei dilemma’s. In de westerse kunsten wordt Jezus vaak witter geportretteerd dan historisch gezien geloofwaardig is. Toen de BBC ruim twintig jaar geleden een team van wetenschappers vroeg historisch onderzoek te doen naar het uiterlijk van Jezus, bleek van de bekende afbeeldingen weinig te kloppen. Zij kwamen uit bij een donkere man met dichte zwarte krullen. Vanuit dat oogpunt zijn we met zijn allen opgelicht met de prenten uit de kinderbijbels. Als je er diep over nadenkt kom je op een glibberig terrein van stereotypen terecht waar wit voor reinheid, zuiverheid of heiligheid staat en zwart voor duivels, voor iets dat schoongewassen moet worden. Zover wil ik niet gaan.

Laten we het kerstfeest daardoor niet laten bederven, het gaat om het kindje van welke huidskleur dan ook dat redding bracht op aarde. Verhalen van hoop en licht dat in de wereld kwam.

Ik kan u Noël van harte aanbevelen en ik kan verklappen dat we momenteel met een paaseditie bezig zijn.

Op jacht

Mist hangt over de velden, een tiental mannen loopt in lijn door de nevel. Honden springen rond. Het is kort voor kerst, een jachtdag. Als boer en eigenaar van grond moet je zorgen voor je eigen wildbeheer. Mijn vader heeft geen tijd en zin om te gaan jagen dus hij heeft zijn veertien hectare ‘verhuurd’ aan de buurman die een jachtvergunning heeft.

De buurman trekt er regelmatig met jachtgeweer en hond Nimrod op uit. Hij telt de beesten om zicht te kunnen krijgen op de wildstand en de populatie. Zo kan hij voor een goed beheer berekenen wat het afschot mag zijn dit jaar, zodat de biodiversiteit niet verstoord raakt.

Een boerenzoon groeit op met wild om zich heen. Ik herinner me het kegelen van hazen, die op hun achterpoten in het weiland staan en de omgeving checken of hun legerplaats veilig is. Zo niet dan rennen ze er met gezwinde sprongen vandoor. In een droge slootwal ligt een pasgeboren reetje. Het is een aandoenlijk tafereel. Van mijn moeder heb ik geleerd om niet te dicht bij het jonge diertje in de buurt te komen. Bij aanraken zou mijn geur om het jong zitten en is de kans groot dat het moederhert haar telg verstoot. Dat wil ik niet op mijn geweten hebben. In het voorjaar is het een sport om kievitseieren te vinden. Mijn vader lust zulke eieren, maar van mij mogen ze op de akker blijven liggen. Het gaat me puur om het vinden.

Een keer per jaar schakelt de buurman zijn ganse familie in om een dag lang te jagen. Aan het einde van het jaar staat de jacht open op fazanten, houtduiven, patrijzen (tegenwoordig staan deze vogels op de rode lijst), wilde eenden, hazen en konijnen. In de vroege winter zijn de jonge dieren zelfstandig en is de populatie het grootst.

Zo rond het middaguur zie je de jagers met hun eerste tableau thuiskomen en na de lunchpauze vervolgen ze de klopjacht in het veld. Vanuit het struikgewas schiet een panische fazant de weg op, voelt de nabijheid van de dood en dwingt zichzelf moeizaam op te vliegen. Als zo’n fazant uit de lucht wordt geschoten en in het knollenveld belandt, krijgen de honden de opdracht het aangeschoten wild te apporteren. Wat Nimrod feilloos doet, want het is een getrainde hond met een diploma. De jachtroute wordt bepaald door de wind omdat er sprake is van verwaaiing van de lichaamsgeur van de jagers.

Jagen is noodzakelijk, al sta ik er wel ambivalent in. De ervaring heeft geleerd dat bepaalde dieren zich in een cultuurlandschap ten koste van andere vermeerderen en dat kan de biodiversiteit in gevaar brengen. Ingrijpen is dan noodzakelijk. Maar het betekent niet dat je zomaar elk dier kunt afknallen in het jachtseizoen. Stelregel is dat er niet meer dan twintig procent van het aanwezige wild wordt bemachtigd om de redelijke stand jaarlijks op peil te houden.

De dieren die afgeschoten worden zijn bestemd voor consumptie. Steevast komt de buurman wanneer de zon is ondergegaan en de jagers gezamenlijk een borreltje op de geslaagde dag hebben genomen, zijn ‘huur’ inleveren. Dat wil zeggen dat mijn vader een fazant of haas krijgt waar mijn moeder wel raad mee weet. Ze heeft liever een fazant omdat ze een ervaren kippenslachter is. Een haas of konijn moet je op de juiste wijze weten te bereiden. Rond de kerstdagen eten we fazant. Allereerst fazantensoep en bij de aardappelen het witte vlees. Soms kom je daarin nog een schot hagel tegen, dan mag je een wens doen. Als je tenminste niet een stukje van je kies hebt verloren bij een ongelukkige beet.

Later toen de grond verkocht was en we niet meer op de boerderij woonden verruilde mijn moeder met kerst de fazant voor een rollade.

Mondo

Tot mijn spijt verdwijnt het kunst- en cultuurprogramma Mondo eind dit jaar van de buis.

‘We zijn met veel ambitie en enthousiasme aan Mondo begonnen. Helaas hebben we na overleg met de VPRO de conclusie moeten trekken dat dit programma onvoldoende aansluit bij het NPO2-publiek,’ aldus netmanager Gijs van Beuzekom.

Wat is dat toch met kunstprogramma’s op de buis? Dat is vaak geen gelukkige relatie. Het doet je met weemoed verlangen naar ‘Hier is … Adriaan van Dis’ of het kunstprogramma ‘De Plantage’ met Hanneke Groenteman op de zondagmiddag. Lekker kijken op de bank met een portje. En maandag meteen naar de boekenhandel voor het besproken boek!

Toen Mondo aan het begin van dit jaar werd geïntroduceerd, was ik enthousiast. Van alle nieuwe talkshows die op de buis kwamen (Op1, Jinek bij RTL4 en BEAU) had dit programma een verfrissende aanpak met het mooiste en creatiefste decor. Opgenomen in De Hallen in Amsterdam zag het er goed uit. Met een vooruitziende blik zonder klapvee op een tribune. Achterwege gelaten omdat dat waarschijnlijk toch moeilijk te krijgen zou zijn, en niet een gedeelte van het budget  weg zou vallen aan het betalen van publiek. Ik was ook blij met de keuze voor Nadia Moussaid die naar mijn mening haar invalbeurt tijdens Jineks zwangerschap goed had gedaan. Haar presentatie is minder gepolijst en dat geeft Mondo z’n charme.

Het programma begon op de zaterdagavond en kwam na een zomerstop terug op zondagavond. Schuiven met het uitzendtijdstip is meestal geen goed teken. De afgelopen twee weken keken er, inclusief herhaling, zo’n 184.000 mensen. Dat is niet veel – maar voor het soort programma is het helemaal niet zo gek. Maar goed, kijkcijfers zijn heilig zijn bij de NPO, dus moet de stekker uit Mondo.

Altijd maar dat misplaatste ontzag voor het publiek. Kijkersonderzoekje hier, vingertje aan de pols daar en ja hoor, we weten weer wat Het Publiek wil. Jammer dat programma’s niet de kans krijgen om te groeien. Kunstprogramma’s zijn altijd ondergeschoven kindjes (misschien wel omdat de maatschappij, de politiek, de sector als een linkse hobby ziet) maar het belang van kunst dient niet onderschat te worden. Ik zou er eerder ruimbaan aan willen geven. Het is geen elitaire bezigheid, het is educatie en ontspanning.

Bovendien, soms gaat het ook niet om wat het publiek wil, maar om wat het nodig heeft.

Kunst- en cultuurprogramma’s dienen een doel. Musea, concert– of filmbezoeken, boeken lezen, het is allemaal belangrijk. Kennis opdoen en leren om zich in te zetten voor iets of een ander. Empathie kweken. Zo waren de afgelopen drie weken de IDFA-documentaires weer voedsel voor mijn geest.

Bij het genieten van kunst kunnen we onze zorgen even vergeten. Het leven is lastig bij momenten, maar kunst kan verrijking bieden. Een concert brengt zelfs voor duizenden mensen tegelijk vreugde en troost. Kunst is een soort van zingeving geworden. Kerken lopen leeg, maar voor concertzalen loopt het storm. Kunst of het nu muziek, dans, beeldende kunst of literatuur is, raakt diepere en onbekende lagen in ons en is daarom zo belangrijk. Ik denk ook dat het altijd ergens raakt aan duisternis, aan iets van verborgen verdriet. Voor mij zijn kunst en cultuur geen kers op de taart, zij zijn de bodem, de basis, de worteling waarop de maatschappij haar samenhang, haar identiteit en haar welzijn fundeert. Daarom is het ook zo’n desastreus jaar geweest met de gedwongen sluiting van theaters, bioscopen en concertzalen. En daarom moet televisie aandacht aan kunst en cultuur blijven besteden.

Niet alle televisieprogramma’s hoeven licht verteerbaar, toegankelijk en vermakelijk te zijn. Er moet ook ruimte zijn voor onduidelijke, moeilijke en verwarrende zaken. Soms moet iets als Mondo kunnen blijven bestaan, gewoon, omdat het binnen een bepaald landschap een unieke rol vervult.

‘We hoeven,’ zo stelde Van Beuzekom ons gerust in zijn persbericht, ‘niet te treuren om het verlies van Mondo. Liefhebbers van kunst en cultuur blijven bij NPO2 aan het juiste adres. Onze programmering ontwikkelt zich continu en we zijn altijd in gesprek over nieuwe plannen.’

Gelukkig maar.

‘Wellicht kan er een boekenprogramma komen, waarin een influencer elke week drie boeken recenseert aan de hand van de omslag, zonder het gelezen te hebben uiteraard,’ zegt televisierecensist Julien Althuisius in de Volkskrant terecht. ‘Of je laat musici van het Koninklijk Concertgebouw Orkest guilty pleasures van BN’ers opvoeren. Misschien een programma waarbij deelnemers uit Heel Holland bakt beroemde schilderijen namaken in de vorm van hartige taarten, en dan noem je het (hahaha!) Tussen kunst en quiche  – vindt het publiek leuk. Of gewoon iets lolligs, om te lachen, en dan met kunst, of cultuur, een quiz of zo. Kijk maar.’

Spiegelbeeld

Net onder de douche vandaan met een handdoek om je middel veeg je met de rechterhand de condens van de spiegel. Je brengt je hoofd dichter bij het weerspiegelend glas om jouw gezicht beter te zien. Je kijkt ernaar alsof het een stilleven is. Je kastanjebruine haar dat steeds lichter kleurt, hangt warrig om jouw hoofd. Een bezoek aan de kapper is geen overbodige luxe. Het haar wordt steeds dunner en vertoont inhammen die door je krullen nog een beetje gemaskeerd kunnen worden. Zeker nu het haar nat is kun je het dunner worden duidelijk zien. Als je toch bij hem in de stoel zit kan hij meteen jouw wenkbrauwen trimmen want er is sprake van wildgroei. Bij mannen op leeftijd groeit er op allerlei ongewenste plekken haar. Vraag maar aan neus en oren.

Je ogen staan vermoeid. Het is een zware nacht geweest. Het oogwit is nauwelijks zichtbaar. Ragfijne rode adertjes lopen als een delta van je lichtblauwe iris naar het framboosroze, vochtig, glanzende hoekje waar je zo-even tijdens het douchen een strontje uit hebt gehaald. Je rechteroog hangt gewoontegetrouw in de hoek alsof hij niet meedoet. Zelf ben je er aan gewend, maar soms zie je mensen naar boven kijken omdat ze denken dat je daar iets opmerkelijks ziet. Door de vermoeidheid zijn de wallen vanochtend extra dik. Omdat je vaak je ene oog dichtknijpt om diepte te kunnen inschatten is de wal onder dat oog groter dan onder de andere. Om de uithoeken van je ogen zitten veel kraaienpootjes. Ze zeggen dat het door het lachen komt. Het geeft een extra uitdrukking aan je gezicht. Net als de diepe groeven op je voorhoofd. Mijn hoofd kent sowieso geen symmetrie. Alsof de schepper af en toe is uitgeschoten.

Je mond plooit zich in een glimlach. Jouw lippen zijn niet breed maar gelukkig ook niet van die zuinige streepjes. Je lacht jouw tanden bloot. Je mond verspreidt nog de geur van slaap. Vlug pak je de tandenborstel en drukt een wit drolletje met blauwe spikkeltjes op de haartjes. Grondig poets je met ferme halen de gele tandenrij. De smaak van mint bijt jouw verhemelte uit. Je spoelt en spuugt. Laat spetters achter op de onderkant van de spiegel. Witte klodders gorgelen door het putje van de wasbak naar het sifon. Je legt de tandenborstel terug op het wit marmeren plankje dat vol ligt met allerlei zalfjes, deodorant, scheerschuim, nagelschaartje, et cetera.

Je gaapt intens, slaat een hand voor je mond, realiseert je dat je gapen prettig vindt – die luchtbel achter in je mondholte die uitdijt tot hij je schedel vult en daarbij tranen in je ogen doet springen, en dan is verdwenen en jij weer gewoon bent waar je was. Je gaapt zo volmondig dat je tegen je eigen huig aan kijkt en de amandelen die er als een trosje omheen hangen.

De huid van je gezicht is rood. De roodheid overwoekert de sproeten die eronder zitten. Het gezicht van je vader verschijnt. Ook hij had een bol gelaat met rode schaduwzones op zijn wangen, kin en kaken omdat hij altijd buiten was. Je ziet de overeenkomsten met jezelf. Maar jij bent een binnenkind. De roodheid in je gezicht wordt in de winter veroorzaakt door sobroïsche eczeem. Je moet voorkomen dat je jezelf open gaat krabben van de jeuk.

Soms walg je van jouw gezicht en kijk je weg. Soms ben je er tevreden mee en zie je de voordelen van je sympathieke uitstraling. De kuiltjes in je wangen dragen daar positief aan bij.

Met je hand voel je aan de eendaagse – voornamelijk witte – stoppels. Ze kunnen nog wel een dagje mee. Je inspecteert je linkeroorlel, de gaatjes van de ringen die je hebt gedragen zijn dichtgegroeid maar nog wel zichtbaar. Je slikt, jouw ademsappel gaat op en neer. Je brengt je gezicht nog een keer naar de spiegel, als een laatste check. Je probeert te bevatten dat jij dat bent. Dat achter de huid boven je ogen een elektrische spanning rondsiddert die je als je gedachten kunt beschouwen. Ze draaien op volle snelheid. Je grijnst even en denkt aan wat je vandaag gaat doen. Je trekt aan het koordje en je spiegelbeeld hult zich in het donker. Je bent klaar voor de dag.

Reünie

Hoe dingen snel kunnen veranderen. Een jaar geleden had ik een reünie van oude makkers. Een weerzien met omhelzingen en elkaar aanraken. Dicht op elkaar gepropt in een volle kroeg. Nu sta ik wat dat betreft al maanden droog en lijd ik aan een zekere vorm van huidhonger.

Het was een meeting met vrienden waarmee ik minimaal tien jaar lang elk weekend uitging. De concrete aanleiding was dat iemand zijn veertigste verjaardag samen wilde vieren. Bij binnenkomst van onze stamkroeg bleek het interieur nauwelijks veranderd. Inmiddels was het hoekje met de ronde tafel waar we vaak te vinden waren, een rookhok geworden. Opmerkelijk een deel van de barmensen werkt er nog steeds.

Het is goed om elkaar weer te zien. Soms is iemand geen spat veranderd, anderen zijn grijs geworden, hebben een buikje gekregen of hebben een leesbril nodig omdat ze anders de kleine lettertjes op hun mobiel niet meer kunnen ontcijferen. Anderen zijn er juist beter uit gaan zien dan ooit. Wat hebben ze ontdekt dat ik niet weet of waarom zijn ze plotseling wel in een krachthonk te vinden of lopen ze nu ineens de marathon in drie uur?

Wat is de reden dat je in de tussentijd het contact bent verloren? Het samen bier drinken in de kroeg is uiteengevallen omdat er eentje ging verhuizen, een andere volgde, er ging er eentje trouwen, en nog een. Snel volgden er kinderen die het onmogelijk maakten om elke avond uit te gaan. Compleet andere levensritmes. Op zondagochtend kan je niet meer brak in je bed liggen, want de kinderen zijn onwijs vroeg wakker en staan aan je hoofd te jengelen.

Tijdens de reünie ben je binnen no time dertig jaar terug in de tijd en blijkt dat de onderlinge verhoudingen niet veranderd zijn. Je ziet het geijkte rollenpatroon. Wat dat betreft is het bij een reünie net zoals bij een bezoek aan je ouders, je kunt je meteen weer kind voelen. Er is weinig veranderd. Ja, iemand is noodgedwongen geheelonthouder geworden. Als hij twee jaar geleden niet cold turkey was afgekickt was hij er misschien niet méér geweest. Dapper dat hij het aandurft om het onvermijdelijke drinkgelag met een colaatje te weerstaan. Petje af.

Het duurt niet lang of oude adresjes worden gebeld voor een lijntje wit. Mensen verdwijnen iets langer in het toilet. Beginnen te stotteren of worden ouderwets aanhankelijk. Oude tijden herleven. Vertrouwde verhalen worden van stal gehaald. Als iemand begint te vragen: wat was de beste seks die je ooit gehad hebt? Dan weet je hoe laat het is. Een onvermijdelijk vragenrondje volgt. Iedereen moet met de billen bloot. Je kan er natuurlijk een draai aan geven wanneer je geen zin hebt in persoonlijke ontboezemingen. Maar dan nog! Je weet ook waar de groep – in ieder geval de diehards – zal eindigen. Bij de buren voor een vet broodje shoarma met heel veel knoflook. Er is niks veranderd.

Jammer dat ik in de achterliggende jaren heb ontdekt dat alcohol en ik geen vrienden zijn. Ik kan er steeds minder tegen, of laat ik het zo zeggen, de naweeën zijn erger dan vroeger. Kon je toen nog drie avonden aaneen doorgaan, nu ben je de rest van het weekend maximaal brak. Je gaat al met koppijn naar bed en ook de volgende dag blijf je je beroerd voelen. Dus voordat we bij de buren belanden heb ik afscheid genomen. Wellicht heb ik daarbij de onvermijdelijke afsluiter moeten missen: dit moeten we weer vaker doen!