Blog

Wildplassen

Wildplassen is natuurlijk niet chique, maar lucht wel enorm op en de schatkist wordt er rijk van. Even je behoefte doen in de bosjes of tegen een boom kan je duur komen te staan. Ik las in de krant dat vorig jaar vijfduizend meer wildplassers op de bon geslingerd zijn dan het jaar ervoor. Dat kostte de betrapten in totaal 2,4 miljoen euro, zo blijkt uit cijfers van het CJIB. In totaal ging het in 2019 om 17 duizend boetes voor mannen en vrouwen die tegen een lantaarnpaal, boom, in een portiek of ergens anders waar dat niet mocht urineerden. Dat komt neer op een gemiddelde van 46 wildplasboetes per dag. Je behoefte doen op een plek waar dat niet mag, kost je zo 140 euro. Dat is nogal een bedrag dat in de staatskas verdwijnt en ik mag aannemen dat het niet de hoofdprioriteit van de politie is, het is meer bijvangst.

Het is niet bij wet verboden om te plassen of poepen in het wild. Gemeenten kunnen er zelf voor kiezen om regels over wildplassen op te nemen in de Algemene Plaatselijke Verordening. Vaak wordt er dan besloten dat het verboden is je behoefte te doen binnen de bebouwde kom. In de grote (studenten)steden werden de meeste mensen betrapt op wildplassen, blijkt uit het krantenartikel.

De beroemdste wildplasser van Nederland, de in opspraak geraakte militair Marco Kroon noemt zijn wildplasactie tijdens carnaval vorig jaar in Den Bosch ‘pure overmacht’. Hij kon echt niet anders, vertelde hij aan de militaire kantonrechter. Toen hij werd aangehouden kon hij zelfs niet stoppen en plaste rustig door terwijl hij daarna een kopstoot gaf aan een agent. Daar kreeg hij honderd uur taakstraf voor. Maar voor Marco is de wildplasboete een principekwestie geworden. Hij legt het nog een keer haarfijn aan de rechter uit: ‘Elk jaar loop ik dezelfde route met carnaval (zou dat militairen eigen zijn, vaste routines?). Elk jaar plas ik op dezelfde plekken (dus meerdere malen), maar nu was in een straat de looprichting veranderd in verband met de veiligheid. Ik kon het niet meer ophouden. En in de toiletten was het zo druk dat ik het niet meer hield.’

Maar had Kroon daar dan geen rekening mee moeten houden, wil de rechter van hem weten. ‘Had u niet minder kunnen drinken?’

‘Het ligt niet aan de hoeveelheid drank, ik heb een chronische urologische aandoening waardoor ik vaker naar het toilet moet dan de gemiddelde man.’

De officier van justitie vindt dat Kroon maar een luier had moeten dragen of desnoods in zijn broek had moeten plassen als hij zo graag carnaval wil vieren met zijn aandoening. Kroon gaf als reactie dat hij voor niemand in zijn broek plast. Het lijkt wel een soap inmiddels. De rechter heeft vorige week uitspraak gedaan: 140 euro.

Over de blaas van mijn vader heb ik me ook altijd verbaasd. Als we samen op het land aan het werk zijn en bijvoorbeeld een rij jonge bietenplantjes aan het schoon krabben zijn, staat hij na elke rij op om te plassen. Ik denk wat een zeikerd, niet in de figuurlijke zin want het is een uiterst beminnelijke man. Maar nu ik zelf ouder ben, begrijp ik dat leeftijd daarop ook van invloed is. Ik denk weleens: Jan, moet je nou alweer, als ik voor de tweede keer mijn bed uit moet in de nacht.

Er staat me een mooi staaltje van wildplassen van mijn vader bij. Mijn oudste neef is net geboren en mijn ouders gaan op kraamvisite. Ze komen met een kennis die chauffeert langs Kampen om mij op te halen. Toevallig is een goede vriendin bij mij voor een bakkie koffie. Het is mooi weer en ze vraagt of ze ook mee mag. Ze heeft wel zin in een verzetje. Dat vindt mijn moeder goed, want ze ziet in haar de potentiële schoondochter. Onder het motto hoe meer zielen hoe meer vreugd vertrekken we naar het kraamschudden.

Op de terugweg zegt mijn vader plotseling tegen de kennis: ‘Stop heel even hier, ik zie een mooie plek, ik moet nodig plassen.’ De kennis zet de auto aan de kant van de weg en mijn vader stapt uit en loopt naar de eerste de beste boom. Het is zaterdag en vrij druk, een toeterserenade is zijn deel. Mijn vriendin kijkt met grote ogen toe, zoiets en zeker de onbevangenheid ervan heeft ze nog nooit eerder meegemaakt. Maar mijn vader is opgelucht en vraagt een half uurtje later om de actie nogmaals te herhalen, want ja als je de sluis eenmaal hebt opengezet blijf je wateren. Of heeft hij te veel thee gedronken op zijn kersverse kleinzoon?!

Het kan soms pijn doen die laatste minuten als je het moet ophouden. Ik geef toe dat ik ook weleens dankbaar gebruik heb gemaakt van een boom, een grasveld of struik.

Taxi

De septemberochtend is vochtig. Flarden mist hangen tussen de flats. Op weg naar de fysio, te laat eigenlijk, ik moet me haasten. Gelukkig is het vlakbij. Als ik de wachtkamer binnenkom zit daar een ouder echtpaar. Normaliter heerst er een serene rust en zijn er geen andere bezoekers. Zij heeft halflang grijs haar en een beetje kromme rug. Hij oogt vitaal, draagt een blauw houthakkersshirt met moderne bretels. Zij kijkt naar het weerbericht op de televisie. Hij bestudeert zijn gerimpelde handen. Ik leg mijn handdoeken op de tafel en wacht tot Max me komt halen. Op de gang hoor ik voetstappen. Daar zal je hem hebben. Nee, het is de receptioniste die even haar post heeft verlaten. ‘Mevrouw en meneer Schenkel zitten jullie hier nog?’

Zij zucht. Hij zegt: ‘We hebben een afspraak om kwart over tien.’

‘O, dat duurt nog even, het is nog geen kwart voor.’

‘Ja, de taxi was vroeg.’

‘We zijn afhankelijk van de regiotaxi, hè. We hadden ook liever een uurtje langer in bed gelegen, maar ja…’ Hij schudt zijn hoofd.

‘Ik heb de ergotherapeut al gezien, zal ik even kijken of ze nu tijd heeft voor u?’

Het echtpaar knikt simultaan. De gastvrouw verdwijnt.

Even later is ze alweer terug. ‘Helaas, ze is nog bezig met iemand.’

Goh, waarom verbaast me dat niet, denk ik.

‘Kan ik jullie iets aanbieden?’ vraagt ze ter compensatie.

‘Nee, dank u wel.’

‘Nou, ik lust wel een kopje thee.’

De gastvrije dame loopt naar het keukenblok.

‘Goedemorgen.’

‘Hoi, Max.’ Ik pak mijn handdoeken. In de gang komen we de receptioniste tegen met een dampend glas water voor mevrouw Schenkel.

‘Hoe gaat het met de schouder?’ vraagt de fysiotherapeut als we in de behandelkamer zijn.

‘Gelukkig is hij minder gevoelig, ik merk dat ik baat heb bij de oefeningen die je me hebt gegeven. En het zwemmen gaat ook steeds beter. Niet dat ik als een rat door het water schiet, ik zwem eerder met een slakkengang, maar de schoolslag doet steeds minder pijn.’

‘Goed om te horen, zullen we eens gaan kijken?’

Ik trek mijn shirt uit en ga op de bank liggen waarop Max mijn handdoeken heeft gedrapeerd.

Hij pakt mijn rechterarm en strekt hem zo ver mogelijk uit. Om me af te leiden vraagt hij hoe mijn week is geweest. Ik begin te ratelen. Af en toe bijt ik op mijn lip. Het is gevoelig maar het dient een goed doel. En eerlijk gezegd zijn er in de afgelopen maanden sessies geweest waarbij de pijn groter was.

‘Mooi, ik ben tevreden. Kom maar even rechtop zitten.’

Ik sta langzaam op en ga met mijn rug naar de fysiotherapeut zitten. ‘Je mag je beide armen zo hoog mogelijk uitstrekken.’

Ik steek mijn armen in de lucht alsof ik betrokken ben bij een overval en me vrijwillig overgeef. ‘Grappig,’ zegt Max, ‘je rechterarm komt nu verder dan je andere arm.’

Ik moet lachen. ‘Nou, dan zal ik die de komende week ook meenemen bij mijn oefeningen, want links mag natuurlijk niet achterblijven.’

Ik trek mijn T-shirt weer aan en ga tegenover hem aan het bureau zitten. Max houdt de administratie bij en stelt voor om elkaar over drie weken voor een laatste keer te zien. Ik stem toe en neem afscheid.

In de wachtruimte zit de familie Schenkel nog steeds te wachten. Ik groet ze en wens ze een prettige dag. Ik hoop dat ze alvast de taxi naar huis gereserveerd hebben zodat ze na hun behandeling niet nog een uur of langer hoeven te wachten voordat ze thuis zijn.

Mindfucking

Als je Praag een mooie stad vindt dan kan ik je zeker Bratislava aanbevelen, de hoofdstad van Slowakije. Dezelfde sfeer en ingrediënten, maar dan op een kleinere, menselijke schaal. Handzaam en overzichtelijk. Een mooie middeleeuwse binnenstad, bruggen over de Donau, waarvan de UFO-brug echt futuristisch is. Vanuit de glazen koepel bovenop de brug heb je een prachtig uitzicht over de stad en ‘de omgekeerde tafel’, het kasteel van Bratislava. Een ware belevenis/sensatie. Een ervaring die je niet mag missen.

Ik kom aan met de trein uit Wenen. Eerst ervaar je een soort cultuurschok. Geen statig en deftig station zoals in Oostenrijk, maar slordig en chaotisch. Je raakt verdwaald tussen mensen die sjouwen met onmogelijk grote pakketten alsof er net een vluchtelingenstroom is binnengekomen. Ook aan de taal en de teksten moet je even wennen, maar Bratislava is zo’n stad waar je je meteen thuis voelt.

Voor dit lange weekend heb ik een appartement gehuurd. Vanaf twee uur kan ik erin. Ik ben iets te vroeg en laat vanaf een terras de binnenstad op me inwerken. Overal lopen jongeren in galakleding met bloemen. Er is blijkbaar een examenuitreiking geweest. Als ik bel dat ik bij de woning ben gearriveerd, zegt de man aan de telefoon dat hij een mannetje met de sleutel zal sturen. Binnen een mum van tijd verschijnt er een jongen die de enorme oude deur, het lijkt wel een stadspoort, voor me opent. We komen op een binnenhof terecht. Ik uit mijn bewondering over de oase die zich voor mijn ogen ontvouwd, maar de jonge begeleider geeft geen kick. Al gauw blijkt dat hij geen Engels verstaat. Als we in het appartement zijn belt hij zijn baas die me via de telefoon de huisregels uitlegt en vertelt waar ik de wifi-code kan vinden. Aan de jongen geef ik de verschuldigde huur mee. Het is een mooi en ruim appartement. De binnenhof straalt met haar tuin een bepaalde rust uit, en je zou niet zeggen dat ik middenin een drukke winkelstraat logeer waar een tram doorheen stommelt. Het pand is lekker koel. Hier ga ik me uitstekend vermaken.

Het bezoeken van musea in Bratislava is een belevenis. Neem de National Gallery. Er is niemand, terwijl het buiten in de nauwe straatjes van de oude stad een drukte van belang is. Dat zal vanwege het mooie weer zijn. De Slowaakse suppoosten zijn allemaal van het vrouwelijke geslacht. Type stevig, waar de bedrijfskleding met moeite omheen getrokken is. Allemaal lijkbleek alsof ze jarenlang geen daglicht hebben gezien. Je wordt bij elke zaal vriendelijk opgewacht en begroet. Ze spreken geen of nauwelijks buitenlandse talen, maar dat maakt hen niet uit, ze doen hun verhaal toch wel en hopen dat je er iets van begrijpt. Bij de volgende zaal loopt er een nieuwe vrouw met me mee. Dit principe is van toepassing bij ieder museum dat ik bezoek. Soms doen ze in de zaal het licht aan, en als je dan de zaal verlaat hoor je het klikje waarmee de lampen weer uit gaat.

Het Palffy kasteel is de volgende kans om kunst op te snuiven. Van madonnaverering tot abstracte kunst. Hier pakt de suppoost me letterlijk bij de hand. We lopen naar een zaaltje dat in gebruik is voor vergaderingen of waar lezingen kunnen worden gegeven. Ik schrik, wat is de dame van plan? Maar daarachter blijkt de tentoonstelling te beginnen. Opmerkelijk is het werk van Matej Krén. Als je door de deur gaat, kom je in een ruimte met allemaal opgestapelde boeken – een waar walhalla voor mij. Je kunt alleen de overkant bereiken door over een zwarte plank te lopen, die verraderlijk kraakt. Het is erg mindfucking en af te raden voor mensen met hoogtevrees. Want naast de plank blijken spiegels geplaatst die de boekenwand weerkaatsen zodat het lijkt alsof je in een oneindige boekenafgrond kunt storten. Heel erg fraai deze installatie. Het heet Passage en je kunt een filmpje ervan op internet vinden. https://youtu.be/RAtWk62jzRA

Nog zo’n aangename verrassing is het Danubiana Meulensteen Art Museum. Dat ligt zo’n twaalf kilometer buiten de stad aan de Donau. Je kunt er per bus, maar ook via een rondvaart over de rivier naartoe. Dat laatste heb ik gedaan. Echt een ervaring. Na zo’n anderhalf uur kom je bij het schiereiland aan en daar staat een modern museum. Gelukkig zonder opdringerige suppoosten. Met zoals de naam al doet vermoeden, Nederlandse inbreng. Meulensteen is een kunstverzamelaar uit Eindhoven. Rondom het museum is een beeldentuin. Terwijl iedereen van de boot naar de kassa loopt, ga ik meteen naar de beelden, nu het daar nog rustig is. Het is een grote snoepwinkel. Met nationale inbreng: een beeld van Karel Appel, Rein Dool, een beeldhouwer uit Dordrecht en zelfs een sculptuur van onze ex-koningin Beatrix.

Een gedeelte van het museumcomplex is in verbouwing en van de buitenwereld afgeschermd met zeil, waarop foto’s te zien zijn van de Franse fotograaf Gérard Rancinan, die binnen exposeert. Ik fotografeer me rot en ben onder de indruk van zijn werk. De sterke wind heeft vat op het zeildoek en daardoor is het moeilijk de opnamen scherp te kunnen krijgen. Dan snel naar binnen, want ik zit in een strak tijdschema, over drie kwartier vaart de boot terug naar Bratislava. Rancinans werk is voorzien van teksten van Caroline Gaudriault. Het is een goede combi. De foto’s zijn lekker rauw en ruw. Het doet me een beetje denken aan het werk van Erwin Olaf maar minder gestileerd. Of in ieder geval is het in scene zetten minder opvallend. Het werk is smeriger, nasty en geil. Andere termen heb ik er niet voor. Maar zeker imponerend. Ik schrik van de prijs van het boekwerk van de tentoonstelling en ben blij dat ik zowel binnen als buiten zoveel foto’s heb kunnen maken. Nog vol adrenaline eet ik op de boot mijn meegebrachte bammetjes op, ik was zo bezig dat ik de inwendige mens totaal vergeten ben.

Een volgende traktatie is een groot nieuw winkelcentrum Eurovea. Wat is daar nou aan zou je kunnen denken, maar de surprise zit hem in het nabijgelegen stadstrand aan de Donau. En voor mensen die walgen van zand tussen de tenen, het is een grasterras. Heerlijk om daar te liggen luieren. Voor je de bedrijvigheid op de rivier, vissers, speedboten en kitesurfers. Om je heen gezinnen met kinderleed en op een badlaken opbloeiende kalverliefde en ander geflikflooi. En achter je prachtige appartementen, die waarschijnlijk een fortuin kosten, maar daar zou ik wel kunnen wonen. Voorlopig blijf ik hier even liggen.

Op zoek naar Amy

Midden in de Donau, ter hoogte van Wenen, ligt een kunstmatig eiland waarop elk jaar het openluchtfestival Donauinselfest plaatsvindt. Tijdens mijn vakantie val ik met de neus in de boter. Het is het grootste gratis festival in Europa en de komende drie dagen worden er drie miljoen bezoekers verwacht.  Hoe dichter ik in de buurt van het eiland kom hoe meer de grootsheid van het festival zich aan mij opdringt. Het is de dertigste editie van dit evenement met een breed scala aan concerten van rock, pop, rap, hip hop, elektronische muziek, dj’s, folk, metal, en alles wat er tussen zit. Naast muziek is er van alles te doen op gebied van sport en spel. Voor jong en oud. Wenen zit midden in een hittegolf. Het warme weer zorgt ervoor dat iedereen luchtig gekleed is. Er zwemmen nog mensen in de Donau. Vanuit de metro begeef me in een woud van lijven in allerlei afmetingen. Alles krioelt door elkaar. Rondom de kraampjes met snuisterijen zoals vlaggen, hoedjes en zonnebrillen ontstaan opstoppingen. Bij de eettentjes is er echt geen doorkomen aan. Ik zweet me kapot, ondanks dat de zon langzaam ondergaat. Het blijft zwoel en de mensenmassa biedt geen gelegenheid voor een verfrissend briesje. Als Lowlandsganger ben ik wel wat gewend, maar hier zijn toch wel erg veel mensen. Hoofddoel van mijn bezoek is Amy Macdonald, die op podium acht rond half tien zal optreden. Ik heb me totaal verkeken op de omvang van het eiland dat maar liefst eenentwintig kilometer lang is en tweehonderdvijftig meter breed. Ik ben aan de verkeerde kant het eiland opgestapt en zal van podium dertien terug moeten lopen. Nou, zeg maar schuifelen, want erg makkelijk kun je je niet bewegen. Noodgedwongen blijf ik bij een schlagerpodium steken. Niet meteen mijn favoriete muzieksoort, maar de totaal in witte outfit gestoken mannen zien er stuk voor stuk appetijtelijk uit. Norwand heet de groep, zegt mijn programmaboekje. Gelukkig komt er na een nummer of vier weer schot in de zaak en kan ik verder schuifelen. De Weense muggen hebben me inmiddels ook ontdekt. Als ik ergens wat drink word ik meteen lek geprikt. Niet alleen benen en armen, zelfs op mijn voorhoofd. Waarschijnlijk zijn ze dol op mijn zweet. Ik vlucht weg, maar dat helpt niet. Ondertussen begin ik hem te knijpen, want ik ben nog lang niet in de buurt van podium acht. De tijd dringt en de rij mensen staat opnieuw muurvast. Met wild door de meute heen banjeren zal ik geen vrienden maken, dus ik houd me in. Langzaam kom ik weer een podium verder. Elke vrije ruimte benut ik om vooruit te komen in de eindeloze file. Uiteindelijk ben ik in de buurt van de bühne waar Amy zal optreden. Drie grote videowalls kondigen haar komst aan. Opgelucht blijf ik op een immens grasveld staan. Overal liggen en zitten mensen. Het podium is nog ver weg, maar ik ben het dringen en schuifelen zat en heb geen zin om een poging te ondernemen om dichter bij het podium te komen. Ik zoek een plekje waar ik nog een beetje ruimte heb en waar ik goed zicht heb op de schermen. Ik deel mijn schaarse ruimte met de weerbarstige muggen. Een luid gejoel klinkt uit het publiek als de eerste klanken van de band over het veld rollen. De meeste fans gaan staan. Kippenvel ondanks de hitte als de zangeres in een rood zomerjurkje met een zwarte hoed het podium betreedt. Door de grote schermen kan ik haar goed zien. Give me a guitar and I’ll be your troubadour Give me a stage and I’ll be your rock and roll queen Pas bij het derde nummer kom ik erachter dat er iets niet klopt. Ik blijk achter het podium te staan. Hoeveel mensen zijn er dan wel niet aan de voorkant? Nu snap ik die miljoenen bezoekers per dag wel. Ook Amy is onder de indruk van de grote opkomst als ze ons toespreekt met dat prachtige Schotse accent. ‘And the next track is Don’t tell me that it’s over.’ Om het plaatje perfect te maken staat de volle maan boven het podium en zorgt zo voor extra ambiance. ‘Have you seen the full moon? I turn into a weerwulf under the full moon, so watch out.’ Voor mij zwaait een zee van handen van links naar rechts. Ik geniet met volle teugen van haar performance. ‘Thank you for having us tonight, I hope you have a wonderful day.’ Luid applaus. ‘This last track is a song called This is the life.’ Opnieuw luid handengeklap. De toegift is haar grootste hit. And you wake up in the morning and your head feels twice the size Where you gonna go, where you gonna go, where you gonna sleep tonight? Ik besef dat ik mijn oorspronkelijke plan om nog even te gaan kijken bij het optreden van Johnny Logan – ja, die van het Eurovisiesongfestival – wel kan vergeten. Zijn concert is op podium tien en het zal een eeuwigheid duren voordat ik daar ben. Ik ga in het gras zitten om na te genieten. Mijn voetzolen branden van het lange staan. Al snel word ik weer door de muggen belaagd. Gaan die krengen dan nooit slapen? Het heeft geen zin ze weg te wuiven. Ik moet andermaal vluchten. Moeizaam kom ik overeind en zie dat de lucht achter me steeds donkerder kleurt. Zal het gaan onweren? Bij de dichtstbijzijnde brug besluit ik naar de U-bahn te schuifelen. Dat is best wel een gevaarlijke klus, want in het donker zie je de kuilen en oneffenheden niet. En ik moet er niet aan denken om tijdens mijn vakantie een verstuikte enkel of erger op te lopen. Bij de brug zie ik dat er nog steeds mensen naar het eiland komen. Gelukkig arriveer ik heelhuids bij het metrostation. Een enorme politiemacht probeert alles in goede banen te leiden. Het is dringen om de metro binnen te komen. Ik sta in een bundel opgepompte mannen, al dan niet in een bezonken staat. Een van de bodybuilders hangt zwaar over me heen. Ik vind het niet erg. Hij is beter gezelschap dan de muggen. And where you gonna go, where you gonna sleep tonight? dreunt na in mijn hoofd. Prompt vergeet ik bij de juiste halte uit te stappen en moet ik voor straf een eind teruglopen naar mijn appartement. Eenmaal binnen ervaar ik eindelijk ruimte, bewegingsvrijheid en rust. En geen muggen!

Slakkenspoor

Grote kleurrijke slakken trekken een spoor door Riga als richtingaanwijzers naar de attracties van de Letse stad. Het exemplaar op het stadhuisplein is gifgroen. Moet ik in een slakkengang de stad tot me nemen? Welke marketeer heeft dit bedacht? Liefhebbers van oude architectuur komen in de hoofdstad van Letland ruimschoots aan hun trekken. Geen wonder dat grote delen van de stad verklaart zijn tot werelderfgoed. Riga lijkt een middeleeuwse stad. Bij sommige doorkijkjes in de kleine straatjes word ik honderden jaren teruggeworpen in de tijd, maar schijn bedriegt. Veel gebouwen zijn door oorlogen verwoest en overheersing verwaarloosd en pas na de onafhankelijkheid van Letland, begin jaren ’90, volledig gerestaureerd. Begin van deze eeuw is het Huis van de Zwartkoppen, de publiekstrekker op dit plein, volledig naar waarheid herbouwd. Het pand staat op een plek waar vroeger executies, markten en feesten plaatsvonden. De gotische trapgevel van dit gildehuis voor Duitse kooplieden komt sterk overeen met onze Hollandse gildehuizen. Door de stad stroomt de rivier Daugava. De oude binnenstad is autovrij dus raast het verkeer in groten getale langs het water. Als ik aan de kade met de rug ernaartoe ga zitten en me concentreer op het klotsende water en de voorbij varende boten, merk ik het minder. Ik volg de rivier en duik nog even niet het voetgangersgebied in en kom uit bij de Centrale Markt, vijf stalen bedrijfshallen die met elkaar verbonden zijn. Hier kun je goedkoop levensmiddelen inslaan. De gebouwen zijn voormalige zeppelinhangars, zegt men. Maar dit is een fabel. Ze zijn daarvoor namelijk niet hoog genoeg. Bij de bouw is zo’n soort hangar wel als voorbeeld gebruikt. Elke hal verkoopt zijn eigen waar: vis, zuivel, groenten en kleding. Het is er gezellig druk, en een mooie plek om te schuilen als het regent. Een fraai stadspark vormt de scheiding tussen het oude en nieuwe gedeelte van Riga. Ooit stonden hier de stadsmuren die helaas afgebroken zijn. Via het vrijheidsbeeld, bewaakt door strak in het gelid staande militairen, kom ik in het art nouveau gedeelte van de stad. Bij mijn wandeling door Riga volg ik niet alleen de slakken, maar ik heb ook het idee dat ik door de vele fietstaxi’s word achtervolgd, die me steeds op een flirterige manier proberen te verleiden tot een ritje. Ik weiger op hun avances in te gaan en wijs ze op mijn sterke benen. Maar ze blijven volhouden. Een blonde jongen toont me zijn spierbundels – die zien er door het vele fietsen inderdaad imposant uit – ik kan de wedstrijd niet van hem winnen. Ik geef hem een klap op zijn gespierde rug en wens hem bij andere toeristen meer succes. Aan het begin van de twintigste eeuw groeide de stad explosief. De jugendstil was op haar hoogtepunt. Ik durf te zeggen dat Riga de mooiste art nouveau stad ter wereld is. Dus niet Parijs, Barcelona of Wenen. Architecten als Mikhail Eisenstein – de vader van de beroemde Russische regisseur Sergei Eistensten – ontwierpen gebouwen in een verbluffend fantasierijke stijl: de gevels staan bol van de decoratieve elementen; boven de kroonlijsten vind ik muzen, saters, obelisken, sfinxen, leeuwen, pauwen, vazen, bloemen en andere motieven die verwijzen naar overvloed en naar de viering van het leven. Riga telt ongeveer achthonderd art nouveau gebouwen. De meeste vind je aan de Albertastraat en in de nabijgelegen ‘ambassadewijk’. Ik krijg last van een stijve nek door het steeds maar naar boven turen om weer nieuwe details en ornamenten aan de rijkeluishuizen te ontdekken. Het is goed om even van het toeristische slakkenpad af te wijken en een straatje verder te kijken in deze wijk, dan zie ik dat er hard wordt gewerkt aan het renoveren van veel van deze gebouwen. Zou dat te maken kunnen hebben met de legende die over de stad de ronde doet? Elke honderd jaar steekt de duivel zijn kop boven het water van de Daugava uit om te vragen of Riga al af is. O, wee als het antwoord ‘ja’ is. Dan stroomt de rivier snel buiten zijn oevers om de stad mee naar de bodem te nemen. Riga zal dan verder de toekomst ingaan zoals het verhaal van Atlantis, de verzonken stad. Dat de stad bouwkundig alsmaar in beweging is, zou hier zo maar mee te maken kunnen hebben. Als ik nog wat verder buiten het centrum rondloop, kom ik vanzelf ook enkele van de duizenden oude houten huizen van Riga tegen. Hierin woonde de middenklasse. Voor filmmakers vormen deze huizen een walhalla, want die gebruiken ze als filmset. Sommige zien er goed onderhouden uit, andere kunnen wel een opknapbeurt gebruiken. Op de terugweg schitteren de gouden koepels van orthodoxe kerk in de zon. Het verhaal van de Geboorte van Christuskathedraal is bijzonder. Tijdens de Russische overheersing was de kerk verboden en deed het gebouw dienst als kroeg, genaamd ‘Gods oorlam’. Ook binnen gloort het goud me tegemoet vanaf de pilaren, iconen en het altaar. Er is een eredienst met mooi sacraal gezang. Het klinkt heel goed. Devoot loop ik door de ruimte en probeer me voor te stellen dat het een grand café is, dat moet een heel aparte ervaring zijn geweest. Onder de bezoekers van het café werd gefluisterd dat je zacht moest praten, want God luisterde mee. Dat kun je in het licht van de geschiedenis tweeërlei opvatten. Aan het einde van de tocht trakteer ik mezelf op het Livuplein op het lokale drankje Riga’s Black Balsam. Dat moet ik proeven, want de slogan luidt: ‘If you haven’t tasted it, you have not been in Riga’. Het is een kruidenbitter, het smaakt goed na zo’n dag sjouwen. De jongens van de fietstaxi’s crossen om de tafeltjes heen. In een pauzerend groepje herken ik mijn krachtpatser. Ik hef het glas naar hem. Hij moet lachen en steekt zijn duim op. Been there, done that. Het is alsof de slakken die ik trouw gevolg heb naar me glimlachen, het zal wel de balsam zijn.  

Inishmore

Op het kleine stukje zandstrand bij de havenmond van Inishmore is het een drukte van belang. Enthousiaste aanmoedigingen krijsen over het drooggevallen zand. Gaelic, dus onverstaanbaar. Een groep jongelui speelt een potje strandvoetbal. Opgestapelde tassen dienen als doel. Meteen denk ik: dit is het openingsshot van de documentaire die ik ga maken over dit Ierse eiland. Vlug neem ik een paar foto’s. Ik beschouw het als een mooie toegift na een week research.

Ik ken de Aran Islands een beetje. Het is het favoriete uitstapje als ik bij een vriendin logeer die woont en werkt in Galway. Het eiland heeft een enorme aantrekkingskracht op me en al een tijdje loop ik rond met het idee om de ontwikkelingen op het eiland op een reality-achtige manier te gaan volgen. Met name hoe het zit met de krimp, de vergrijzing. Hebben de jongeren van Inishore wel een toekomst op het eiland, of vliegen ze in de puberteit uit, om alleen nog als bezoeker bij hun ouders terug te keren. Hoe gaan de bewoners daarmee om en welke maatregelen treffen ze?

Inishmore is eigenlijk een kalksteenformatie, vrij vlak maar delen van de kust bestaan uit hoge kliffen. Eeuwenlang was het eiland van de buitenwereld afgesloten. Pas op een memorabele kerstavond in 1975 kon voor het eerst de hoofdschakelaar omgehaald worden die voor een vaste stroomtoevoer naar het eiland zorgde. De bewoners maakten op het rotsachtige terrein akkers om aardappelen, rogge en hun eigen groenten te verbouwen door het terrein af te schermen met muurtjes van losse stenen. Door aarde uit de rotspleten te halen en zeewier als bemesting te gebruiken, probeerden ze het land vruchtbaar te maken. De weilanden zijn redelijk groen en de hier gefokte koeien worden naar het vasteland verkocht vanwege hun goede kwaliteit. Visserij is altijd belangrijk geweest voor het eiland. Ze gebruiken nog steeds hun met huiden beklede vissersboten, de currachs, hoewel deze nu met een buitenboordmotor zijn uitgerust. Naast landbouw en visserij wordt het toerisme steeds belangrijker als inkomstenbron. Mensen komen er voor de rust, de uitgestrekte wandelingen en de schitterende flora en fauna. Er zijn veel resten van prehistorische monumenten te vinden, zoals het rotsfort Dún Aengus.

Je zou het eiland kunnen kennen van de beroemde documentaire ‘Man of Aran’ van Robert Flaherty uit 1934, die steevast in het bezoekerscentrum wordt vertoond. Tot voor kort droegen de bewoners nog de traditionele klederdracht, waarvan de Aran sweater het bekendst is. Iedere familie had een eigen patroon, zodat de vissers makkelijk te herkennen waren als ze verdronken.

Inishmore is het grootste eiland van een groep van drie. Er wonen ongeveer negenhonderd mensen (we spreken begin 2006). Er zijn drie scholen, een dokter en twee verpleegsters. Veertien dorpjes liggen verspreid over Inishmore. Al is dorpje in dit opzicht een betrekkelijk begrip. De grootte varieert van enkele tientallen tot zo’n vier á vijf huizen. Kilronan is het grootste dorp. Het heeft een goede diepe haven, waar de ferry’s vanaf het vasteland kunnen aanleggen. Die zorgen ook voor de enorme toevoer van dagjesmensen. In hun hart zijn de bewoners blij met het groeiend aantal toeristen, maar aan de andere kant zijn ze als de dood ook maar iets van hun eigenheid prijs te geven. Ze hebben de grootste moeite een goed evenwicht te vinden en hun eiland ‘bewoonbaar’ te houden.

Ik heb een aantal markante bewoners gesproken om te kijken wat hun verhaal is en of ze tot de potentiele kandidaten behoren om voor de film te gaan volgen. Het is vooral een kwestie van vertrouwen winnen, en daarbij is het jammer dat ik geen Gaelic spreek.

Michael, het hoofd van de secondary school is enthousiast en zeer behulpzaam bij het vinden en spreken van eilanders. Ook waardeer ik het dat ik uiteindelijk Cathy, de co-op, zeg maar de burgemeester van het eiland, heb kunnen spreken. Fijn dat Vincent, die traditionele manden vlecht, en Sarah, een breister met een eigen winkeltje, enthousiast zijn over mijn plan. ’s Avonds probeer ik in de kroeg contact te leggen met de jongeren, dat gaat allemaal wat moeizamer. Ik merk een terechte argwaan, wat wil die rare snuiter van me. Ook ben ik blij met Dara, een Keltische priester. Omdat het eiland afgelegen lag werden er al vanaf de vijfde eeuw kloostertjes gesticht door vrome monniken, waaronder St. Enda, waarin ze zich uit de wereld konden terugtrekken.

Met een goed gevoel verlaat ik het eiland. De schooljeugd is ook aan boord gegaan van de ferry om naar hun studie op het vasteland te gaan. In mijn hoofd speelt zich eigenlijk al een verhaal af. Ja, ik mag terugkijken op een vruchtbaar bezoek. Hierover kan ik wel een format gaan schrijven en dan begint de moeizame weg om dit mooie project gefinancierd te krijgen.

 

Een literaire wandeling

Je zou het bijna een pelgrimstocht kunnen noemen. Een paar jaar geleden ben ik op een aangename zomerdag met twee vrienden naar Zeeland gereden om met eigen ogen het landschap van de dichter en dagboekschrijver Hans Warren te ervaren. Met de blauwe Renault Coupé – lastig voor de passagier op de achterbank – vertrokken we in de vroegte naar Borssele. Op de Zeedijk aan de Westerschelde stond op nummer 323 het dijkgraafhuis waar Hans in 1921 geboren is. Na de watersnoodramp is de woning afgebroken dus echt een bezichtiging is niet meer mogelijk. Het is gokken waar het huis gestaan heeft. Aan de hand van een oude foto zou het dicht bij een lichtboei moeten zijn geweest. De horizon is inmiddels vervuild door de koepel van de kerncentrale en een spuuglelijk industrieterrein. Het vogelparadijs uit Warrens jeugd is verdwenen. Loom varen de grote zeecontainers over de Westerschelde.

Mijn liefde voor Hans Warren begon toen ik het eerste deel van zijn Geheim dagboek (1942-1944) las. Dat was op het strand van Sithonia in Griekenland. Zo door het verhaal in beslag genomen verbrandde ik volledig. Noodgedwongen moest ik de rest lezen in de schaduw van een boom naast mijn tent. Af en toe kwam een schaapherder met zijn magere kudde voorbij en zwaaide ik naar hem met het boek.

Het voelt alsof ik Hans Warren persoonlijk ken, zo openhartig is hij in zijn dagboeken die ik door de jaren heen alle drieëntwintig heb gelezen. Soms zat ik hunkerend uit te kijken naar het volgende deel.

Hans Warren heeft een bewogen leven achter de rug. Hij overlijdt in 2001 op tachtigjarige leeftijd aan leverklachten. Het dagboek van dat vreselijk moeilijke jaar met veel lichamelijke malheur en echtelijke ruzies wordt door uitgever Bert Bakker meteen na zijn dood uitgebracht, terwijl de serie nog midden in de jaren ‘80 zit. Van zijn dagboeken heb ik veel opgestoken. Bijvoorbeeld hoe je als mantelzorger een ouder iemand moet helpen opstaan. Ga niet een partijtje zitten sjorren aan armen, schouders of benen, de pijn die dat veroorzaakt, heeft Warren mij met zijn uitvoerige beschrijvingen aan den lijve laten voelen.  

We verlaten de Westerschelde en rijden naar het dorpje Borssele en bezoeken daar zijn graf. Een liggende steen van wit Carraramarmer, met onderaan een streep zwart graniet, daarop de enige tekst: Hans Warren – dichter. Dat was zijn uitdrukkelijke wens. We lopen op Het Plein langs het dorpshuis dat vroeger zijn lagere school was waar de hoofdonderwijzer een verlegen jongentje de liefde voor de natuur bijbracht. Met een verrekijker en tekenpen trok Hans er dagelijks op uit om vogels te spotten.

Vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog begint Warren een dagboek bij te houden, waarin hij aanvankelijk vooral over zijn natuurobservaties schrijft. Maar al snel wordt het dagboek ook een uitlaatklep voor de spanningen in zijn ouderlijk huis: zijn ouders zijn pro-Duits (hoewel geen lid van de NSB) wat tot heftige ruzies met hun zoon leidt, die niets van de Duitse sympathieën van zijn ouders moet hebben.

Naast gedichten en natuurboeken schrijft hij literaire recensies voor de Provinciale Zeeuwse Courant en later de GPD-kranten, wat hij bijna tot aan zijn overlijden zal volhouden.

Warren heeft een tijdje verkering met Maria de Roo, de Sybille uit Goes, de latere vrouw van Jan Wolkers. Door zijn homoseksualiteit is deze relatie gedoemd te mislukken. Toch is hij drieëntwintig jaar getrouwd geweest met een Engelse vrouw (‘Mabel’ in Geheim Dagboek), met wie hij in 1952 trouwt nadat ze zwanger van hem is geraakt. Ze krijgen drie kinderen.

Het gezin vertrekt kort na hun huwelijk naar Parijs omdat Mabel daar een baan als docente aangeboden krijgt. In het Parijse nachtleven komen door contacten met vooral Noord-Afrikaanse jongens bij Hans Warren zijn onderdrukte homoseksuele gevoelens weer boven; dat zorgt voor spanningen in het gezin, maar het voedt ook zijn dichtader. In zijn Parijse jaren verschijnen drie dichtbundels.

In 1958 keert het gezin terug naar Zeeland. Er breekt een weinig creatieve periode aan voor Warren, die zich voornamelijk wijdt aan vertalingen van vogel- en natuurboeken. Drie jaar nadat zijn huwelijk met Mabel op de klippen loopt, ontmoet Warren de veertig jaar jongere Mario Molegraaf. Ze hebben een stormachtige liefdesrelatie, die duurt tot het overlijden van Hans. Molegraaf werkt veel met Warren samen. Zo publiceren ze een vertaling van het complete dichtwerk van de Griekse dichter Konstandínos Kaváfis, gedichten van Jorgos Seféris, de werken van Plato en Epicurus en de vier evangeliën uit de Bijbel.

Ruim zestig jaar heeft Hans minutieus elke dag zijn dagboek bijgehouden. Als er geen tijd is om te schrijven probeert hij dat later in te halen. Zijn aantekeningen zijn niet een-op-een overgenomen, samen met zijn levenspartner heeft hij wel een bepaalde redactie gevoerd zonder echter ernstige censuur op zijn belevenissen en ervaringen toe te passen. Hij spaart de geit en de kool niet.

We mogen natuurlijk niet verzuimen om een bezoek te brengen aan Kloetinge. Na terugkeer uit Parijs gaat het gezin wonen aan het Pijkjeswegje. Het arbeidershuisje waar Hans tot zijn dood heeft gewoond is moeilijk te vinden. Het wordt min of meer aan het zicht onttrokken door de hofstede ‘Welgelegen’. Je wilt niet als een stel onbehouwen toeristen het erf van de boerderij op lopen en gaan kijken. Node missen we de verrekijker van Hans om toch een kijkje door de boomgaard te kunnen nemen.

Na een bezoek aan Goes en Middelburg waar in de Zeeuwse Bibliotheek een omvangrijke papieren nalatenschap te vinden is, nemen we op een zonnig terras een heerlijk biertje op de bedevaart naar de auteur. Fragmenten uit het Geheim dagboek zijn vandaag voor mij tot leven gekomen. Toen ik in 2009 het laatste deel gelezen had, voelde het als een groot verlies. Nooit meer zou ik kunnen grasduinen in het leven van deze Zeeuwse man die mij  – als een literaire vader – zoveel van het (homo)leven geleerd heeft.

Net uit

Het is de eerste keer dat ik hem zie nadat hij gezegd heeft dat het uit is tussen ons. De mededeling sloeg in als een bom en kwam voor mij totaal onverwachts. We hadden twee jaar een relatie en sinds een paar maanden was ik overtuigd geraakt dat dit weleens een blijvertje zou kunnen zijn. Daarom had ik voor mezelf besloten dat ik iets meer terug mocht leunen en laten blijken dat ik soms ook tegen dingen aanliep die voor mij moeilijk waren. Dat vond hij maar lastig. ‘Als ik jouw problemen er ook bij krijg, wordt me dat teveel,’ was zijn reactie.

Het is zomer 1998, de week van de Gay Games in Amsterdam. Een week om openlijk je homoseksualiteit te kunnen uiten. Om trots te zijn op wie je bent. De eerste keer dat dit evenement buiten Noord-Amerika plaatsvindt. Een week lang sport, cultuur en feesten in de stad die bekend staat als een tolerante stad. Sommigen noemen het ook wel the gay capital of the world.

We hebben afgesproken in de Reguliersdwarsstraat ter hoogte van de April, een van de zenuwcentra wat betreft de straatfeesten. Of het wel zo’n goed idee is, weet ik niet. Het is namelijk ontzaglijk druk. Duizenden – voornamelijk – mannen lopen arm in arm, zoenend en knuffelend. Op een balkon van een bovenwoning staan strippende matrozen. Er wordt gelachen en gejoeld. Het lijkt alsof homo-zijn voor één keer de norm is. Hier zou ik me thuis moeten voelen, hiervan zou ik moeten genieten, maar de relatiebreuk is nog te vers.

Overal hangen banners boven de straat en vlaggen van alle deelnemende landen. In elke vlag is het rood vervangen door roze. Deelnemers, de sporters, zijn te herkennen aan hun badges met daarop een foto, hun naam, welke sport ze doen, en de stad en het land waar ze vandaan komen. Sommigen lopen trots met een medaille op hun borst. Het is een makkelijke manier om een wildvreemde aan te spreken, want je kunt hem gewoon feliciteren met de winst.

Tussen de wirwar van mensen zie ik mijn ex. Ik herken zijn nonchalante manier van lopen. Hij slaat een bruine lok uit zijn gezicht. Ik krijg een koude kus op de wang.

‘Hey, hoe gaat het?’

‘Het is wel eens beter geweest.’

‘Wat is het druk, hè?’

We bestellen een biertje bij de buitenbar. Het doet pijn om hem weer te zien, ik zou hem zo graag willen knuffelen. Hand in hand willen lopen en van dit unieke feest willen genieten. Nee, eigenlijk zou ik hem willen beetpakken, door elkaar willen schudden en uitschreeuwen: ‘Waar ben je mee bezig?! Is dit wat je echt wilt?! Waarom?!’ Ik houd me in en probeer gezellig te zijn.

In de maand juli is alles in een stroomversnelling gekomen. De omslag zet in tijdens onze vakantie naar Praag. Terwijl we ongedwongen flaneren langs de Moldau, het astronomisch uurwerk bekijken op het plein in de oude stad, bereikt hem het bericht dat zijn lievelingsoom plotseling is overleden. Hartaanval, dood gevonden op het toilet. Omdat morgen al de begrafenis is, pakken we onze spullen en rijden met een noodgang terug naar Nederland, zodat hij bij het afscheid nog aanwezig kan zijn. Ik ben persona non grata. Sterker nog, niemand van zijn familie is op de hoogte van onze relatie. De dode oom is de enige die ik ooit in levende lijve heb ontmoet en die ons samen een warm hart toedroeg. Ik zet mijn vriend een paar straten voor het huis van zijn ouders af. Schoorvoetend loopt hij naar huis, want hij heeft iets uit te leggen…

Een week lang is het stil. Hij reageert niet op mijn telefoontjes en als hij zelf eindelijk contact opneemt, zegt hij dat hij zaterdag bij me langskomt. Hij wil per se uit eten bij de Generaal in Baarn. Het is een mooie zomerdag en na de maaltijd stelt hij voor dat we een wandeling door de bossen van Juliana en Bernard gaan maken. We zijn nog niet binnen de hekken of hij komt met de onheilstijding. ‘Ik moet je iets zeggen wat je erg vervelend zult vinden, maar het is uit tussen ons.’

Ik zak bijna door de grond van ellende en vraag naar de reden. Hij sluit zijn verklaring af met de opmerking dat hij mij zo waardevol vindt dat hij graag goede vriendjes wil blijven. Het overvalt me, ik kan niet anders dan het beamen. Na de vreselijkste wandeling uit mijn leven zet ik hem op de trein.

En nu zien we elkaar weer op de eerste dag van onze nieuwe vriendschap. Hoe wrang is het dat dit ook juist het motto van de Gay Games is: friendship. Verloren loop ik met hem tussen de massa. Lopen is niet het juiste woord, we schuifelen eerder achter elkaar aan. Zo druk is het. Iedereen is uitgelaten. Misschien is de sfeer te vergelijken met tieners die hun eindexamen hebben gehaald en nu de bloemetjes buiten zetten in Lloret de Mar of Chersonissos. Tijdens het schuifelen wordt er ondeugend gevoeld en geknepen door voorbijgangers, seks hangt in de lucht. Biertjes gaan over de hoofden naar de andere kant van de straat. Dreunende bassen weerkaatsen tegen de gevels. Het overstemt het geknisper van de plastic bekers onder onze voeten. Ik probeer de lol ervan in te zien, maar dat gaat me moeilijk af. Ik ben niet in de stemming voor een feestje. Het is allemaal anders nu ik weer naast hem loop en met hem praat. Op alle feestlocaties in de stad is het hetzelfde liedje. Het bier smaakt me niet en ondanks de duizenden uitgelaten, vrolijke mensen om me heen voel ik me zielsalleen. Ik kan moeilijk omgaan met de nieuwe status. Aan het eind van de Warmoestraat geef ik aan dat ik de laatste trein wil halen en neem afscheid van mijn ‘nieuwe’ vriend. Ik ben diep bedroefd. De vrolijke mannen in de coupe merken het, ze mijden me als de pest. Met een rouwende man maak je geen gezellig praatje.

Vlak voor de kerst heb ik een vervelend bericht voor mijn ex door definitief een einde te maken aan onze vriendschap. Ik kan dit niet, ik ben nog steeds verliefd. Ik moet mezelf niet langer kwellen door wekelijks met hem om te gaan.

Waarom vakantie?

Uiterst brak sta ik met mijn koffer bij de incheckbalie op Schiphol. Handig dat zelf inchecken maar welke balie moet ik hebben? Zeven, vier of drie? Het blijkt toch acht te zijn. Hopelijk is het goed gegaan en zit ik straks op mijn vakantieadres niet zonder koffer.

Het is een doorwaakte nacht geweest, ik kon de slaap niet vatten en heb uiteindelijk alle herhalingen van het NOS-journaal gezien, inclusief dat van België. Raar dat vakantie zorgt voor zo’n onbestemd gevoel. Je hebt alles goed voorbereid, je koffer staat klaar, je paspoort is geldig, maar toch is er onderhuids die stress en de angst om je uitgerekend morgenvroeg te verslapen waardoor je het vliegtuig mist. Nu sta ik hier tussen medepassagiers te wachten, eigenlijk ben ik aan de vroege kant, zelfs KLM weet nog niet welke balie de koffers gaat verwerken.

Als ik door de bodyscan loop – wat zien ze daarop precies? – en het alarm is niet afgegaan, omdat ik geen ongewenst metaal op mijn lichaam draag, valt er een beetje spanning van me af.

We moeten gefaseerd plaatsnemen in het vliegtuig. Ik wacht tot mijn zone aan de beurt is. De zitplaats is goed, redelijke beenruimte aan het gangpad. Raamzijde is voor mij niet nodig, dan zit je zo opgesloten. Nog voordat we opstijgen dommel ik in. Een stewardess wekt me als we omringt zijn door een wit wolkendek met een vleugje blauw ertussen. Ze geeft me een broodje warm ei.

Dan schrik ik echt wakker en voel het zachte gras tegen mijn buik…

Het woord vakantie komt van het Latijnse ‘vacant’, leegte. In de vakantieperiode maken we onze agenda even helemaal leeg. We willen de zon op onze huid laten schijnen, we doen ons te goed aan lekker eten, we willen tot rust komen. En we laten de beslommeringen van alledag even achter ons. Het gehaaste ritme van elke werkdag. We drukken op de pauzeknop en laten de teugels vieren. Cynisch is dat we de leegte vaak opvullen met enthousiaste plannen wat we tijdens de vakantie allemaal willen gaan doen.

Mensen hebben vakantie nodig, zowel fysiek als geestelijk. Zware fysieke arbeid kost veel energie en dus moet je ook lichamelijk weer ontspannen. Als je meer psychisch werk doet, met je hoofd werkt, moet je de bovenkamer leegruimen en geestelijk ontspannen. Belangrijk is om even helemaal los te komen van het werk en de accu opnieuw op te laden. De boog kan immers niet altijd gespannen staan. Het is niet goed om altijd maar door, door, door te blijven gaan.

Zeker na dit markante voorjaar waarin alles anders dan anders ging, is het goed om tijd voor bezinning en rust te nemen. Je moet even loskomen van je werk en de werk-privé-balans in evenwicht brengen.

Mijn vakantie bestaat vaak uit een stedentrip, ik wil graag die stad verkennen, musea bezoeken en zo de cultuur van het land proberen op te snuiven. Vaak gaan er een paar boeken mee die al op de stapel lagen, maar meestal ontbreekt de tijd om ze allemaal te lezen, omdat ik in de valkuil trap van een te vol gepland reisprogramma. Op zo’n vakantie probeer ik mijn geest te scherpen, door nieuwe prikkels ook een beetje een ander mens te worden. Jezelf even compleet te verwennen.

Het grappige is dat als ik de dagboeken van die vakanties nalees, kom ik daarin altijd pagina’s vol zelfreflectie tegen. Vaak geschreven op een bankje in een park. Lijstjes met dingen waar je in je leven tegenaan loopt en die je zou willen veranderen. Sommige zaken keren jaarlijks terug. Matigen of stoppen met roken is daar lang onderdeel van geweest, totdat ik na een aantal pogingen definitief ben gestopt, en dit van mijn zorgenlijstje kon schrappen. Gezonder eten is daar op blijven staan. Minder kant-en-klaar maaltijden kopen. De verleiding is groot om het jezelf gemakkelijk te maken, want er niks frustrerender dan een half uur in de keuken te staan en het gekookte binnen vijf minuten naar binnen te schuiven. In die hapklare maaltijden zitten te weinig groenten en vezels, veel verzadigd vet en te veel zout. Meer zelf koken is het advies, maar in de hitte van de werkstrijd verdwijnt er weer een maaltijd in de magnetron en ping klaar! Het gemak dient de Meints.

Meer tijd voor mezelf en voor vrienden nemen, vrijetijdsbesteding in het algemeen. Dat blijft een lastig dingetje, want ik heb erg de neiging om me totaal in het werk te storten en daar geen grenzen aan te stellen. Werken is heerlijk dan hoef je niet over jezelf na te denken. Maar het nekt je op den duur. Je moet natuurlijk wel goed voor jezelf zorgen, niemand doet dat voor jou!

Mijmeren over een mogelijke relatie is ook zo’n terugkerend item. Kortom veel om over na te denken, maar schiet je veel op met piekeren over verleden en toekomst? Het moet natuurlijk niet je stemming tijdens de vakantie gaan vergallen.

Dit jaar ga ik bewust niet op vakantie en de afgelopen drie weken heb ik een beetje achterover gehangen en nagedacht over hoe het gaat. Wie ben ik en wat wil ik, waar word ik nou echt blij van? Een gesprek met mezelf dat ik bij wijze van spreken ook in mijn eigen achtertuin kan voeren.

In het Vondelpark lig ik op mijn buik, omringt door forse bomen. Hun kruinen ogen nog zo goed als vol. Onder het vlekkerige licht dat ze over me heen werpen, kom ik tot rust. De bladeren strijken met hun schaduw over mijn lichaam. Ik sluit mijn ogen en geniet van hun droge geknisper. Verfrist door een hazenslaapje sta ik op. In de lucht trekt een vliegtuig een spoor van condens door de hemelsblauwe lucht. Ik schud mijn hoofd en denk aan de onbekende passagiers met hun bontgekleurde mondkapjes. Laat ze maar verder vliegen naar hun stranden en vakantieparadijzen, naar verre steden die je absoluut gezien moet hebben.

Als we op zoek zijn naar leegte, naar vrijheid kun je dat soort momenten dan alleen ervaren in het buitenland? Er zijn mensen die nu hun uren niet willen opnemen, omdat ze niet naar hun gewenste bestemming kunnen of durven. Een vakantie in eigen land is voor hen geen optie, omdat de kans groot is dat ze slecht weer treffen. Zomervakantie staat voor hen gelijk aan zon, strand en prachtig weer. Alsof we niet weten wat we met onze vrije tijd moeten doen als het regent. Daarom moet die all-inclusive naar Turkije geboekt worden, of die reis naar de Malediven.

Ik ben blij dat ik niet een van hen ben. Gelukkig kan ik reizen in mijn verbeelding.

Zomergasten

Even pauze, een welverdiende lunch. Een bakkie koffie erbij om de geest helder te houden. Natuurlijk met warme opgeklopte melk. In de keuken zoek ik alle ingrediënten bij elkaar, terwijl de koffiepot pruttelt en lawaaiig zijn werk doet. Ik heb ongelooflijk veel zin in een bruine boterham met pindakaas en daaroverheen rijk belegd met banaan. Als de bodem met pindastukjes besmeerd is, pak ik een banaan van de fruitschaal. Eén exemplaar trek ik los van de tros. Meteen word ik omringd door een leger van fruitvliegjes die hun lunch verloren zien gaan. Waar komen die krengen toch vandaan? En waarom zijn ze met zovelen? Het lijkt wel of ze elkaar roepen, kom jongens hier moet je zijn! Ze zullen er hun naam aan hebben ontleend, want ik tref ze met name rond de fruitschaal. Hoe rijper het fruit, hoe meer er zijn. Maar ik kan toch moeilijk die bananen in een keer op eten, of telkens eentje kopen. In de koelkast leggen is ook geen optie, koude banaan is niet lekker. Als de gele jongen versnippert is over de boterham en ik de schil weggooi in de prullenbak word ik opnieuw verrast met een zwerm die zich ontfermt heeft over de fruitresten die blijkbaar nog steeds een lekkernij voor deze rotzakken zijn. Ze irriteren me uitermate. Blijkbaar zijn ze dol op mijn fruit, het liefst bananen die al een beetje zwarte plekjes vertonen. Ze kunnen de gistdampen en de alcohol denk ik ruiken en dat maakt het fruit onweerstaanbaar voor ze.

Ik kijk op mijn mobiel wat eraan te doen is? De fruitvlieg is in de zomermaanden de gehele dag op zoek naar fruit. Het liefst fruit dat al een beetje begint te rotten. Als het vruchtbare vrouwtje een overrijpe peer of nectarine heeft gevonden, lokt ze het mannetje en samen genieten ze van de vondst. En dat niet alleen, ze hebben ook seks op mijn fruit! Na de paring zoekt het vrouwtje een nieuwe rijpe vrucht om haar eitjes in te leggen. Ze voegt wat gejat gist toe aan de broedplaats. Gist waar haar larven op kunnen groeien. Uit het coconnetje komen dan weer nieuwe fruitvliegjes. Het is een cyclus van een week of twee en een vrouwtje legt per keer tientallen eitjes. Zo gebeurt er van alles in mijn keuken. Het blijkt dat als er genoeg eten is andere vrouwtjes inderdaad worden ingeseind om ook vooral langs te komen. Fruitvliegjes hebben natuurlijke vijanden, maar om nu sluipwespen, kevers en spinnen in mijn keuken uit te nodigen, dat is nou ook wat!

Hoofdschuddend loop ik met mijn bord naar het voorbalkon. Ik weet niet wat ik met deze plaag moet. Als ik me geïnstalleerd heb, besef ik dat ik de koffie vergeten ben. Ik loop terug naar de keuken, pak m’n Cobramok en schenk het zwarte vocht in. Giet de melk er overvloedig overheen en schep nog een extra laagje room uit de melkschuimer. Dan zie ik een bruin puntje. Ach nee, is het filter weer eens dubbel geklapt en de maling langs het filter gestroomd. Als ik de filterhouder open klap, is er niets aan de hand. Meteen cirkelen de fruitvliegjes weer om me heen, bang dat ik de rest van de bananen weg zal pakken. Er is maar een conclusie: er zitten ook fruitvliegjes in mijn koffie. Nu moet het toch ophouden! Ik vis de krengen uit de mok, maar ben er niet zeker van of ik ze allemaal te pakken heb. De koffieverkeerd smaakt een stuk minder lekker.

Je moet alle ramen en deuren tegen elkaar open zetten, lees ik op internet. Fruitvliegjes houden niet van tocht. Je hebt de neiging om het tegenovergestelde te doen en alles hermetisch gesloten te houden. Er zijn bepaalde geuren waar ze niet van houden: lavendel, eucalyptus of basilicum. En je kunt ze in de val lokken. Maak een bakje, doe hier overrijp fruit, honing of siroop in. Dek het af met folie waarin je een paar minuscule gaatjes prikt. Met de geur lok je ze, en dan graven ze uiteindelijk hun eigen graf, omdat ze er niet meer uit kunnen. Dat zal ze leren die ongewenste zomergasten.