Blog

Reisverhaal schrijven

Reizen en op vakantie gaan is deze zomer niet een vanzelfsprekendheid. Veel mensen zien hun vakantieplannen in het water vallen of moeten hun bestemming bijstellen. Moet je de grens wel over willen? Wat als je per se naar het buitenland wilt, ga je dan met het vliegtuig of met de auto of neem je het openbaar vervoer en hoe veilig is dat? Ben je wel verzekert als je halsoverkop je vakantie moet afbreken omdat het gebied waar je bent plotseling wordt afgesloten vanwege een opvlamming van het virus? Moet je dan verplicht in quarantaine als je terugkomt? Het is zaak om de reiswijzer van de ANWB in de gaten te houden en op de veiligheidsrisico’s te letten. Reizen kun je natuurlijk ook in je hoofd doen. Ga terug naar vorige vakanties en haal herinneringen op. Of maak een virtuele reis. Gebruik je verbeelding. Stel ik ga naar Tel Aviv en wat wil ik daar gaan doen en bezoeken tijdens die dagen? Hoe leuk is soms de voorpret van een grondige voorbereiding, het vooruitzicht dat je iets gaat doen wat je nog nooit eerder gedaan hebt! En ja helaas zal de echte trip dit jaar – in mijn geval – niet plaatsvinden. Dit experiment zal ik in deze vakantieperiode een aantal malen toepassen. En we beginnen vandaag met een reisverhalenseminar. Zomer 2018, op het Neude in Utrecht heeft de ANWB zojuist een nieuw kantoor geopend. Naast de winkel is er ook een eigen café. Een plek om even je e-mail te checken en vooral om gezellig van een kop koffie met iets lekkers te genieten. ‘Een ontmoetingsplek voor een gesprek van mens tot mens, een twijfel of een schaterlach,’ zoals de ANWB het zelf op hun website omschrijft. ‘Het café organiseert allerlei activiteiten zoals workshops, boekpresentaties en filmavonden.’ Dus je kunt er ook dingen leren. In de Kampioen lees ik dat er een workshop reisverhalen schrijven is. Ik ben geïnteresseerd en meld me aan in de veronderstelling dat ik te laat ben en het seminar volgeboekt zal zijn. Maar gelukkig er is plaats voor mij in de nieuwe herberg… Vrijdagmiddag, bijna dertig graden, de zon brandt op de klinkers van het plein en met een verhit hoofd meld ik me bij de balie. ‘Dat is boven, meneer, daar de trap op.’ Naast het bargedeelte is een lichte ruimte met veel houttinten en een moderne minimalistische inrichting, een muur met groengeel gekleurde kussens in allerlei maten en verschillende tafels, stoelen en zitjes. De cursusleidster heet me hartelijk welkom. En heet is het! Ik zoek een plekje waar ik niet in de zon zit die door het glas naar binnen schijnt dat een kant van de ruimte in beslag neemt. Met een grote zakdoek veeg ik mijn voorhoofd droog. Niet dat het helpt, maar voor het idee. Langzaam druppelen de medecursisten binnen. We mogen koffie, thee of iets anders halen in het café. Ik hou het bij water. Als iedereen –  denken we – binnen is, trapt Miranda af. Ze heeft net de bedoeling en opzet van deze schrijfmiddag uitgelegd, als er gestommeld klinkt op de trap en de deur openzwaait. Een vrouw met in haar kielzog een meisje beladen met tassen van de bekende modemerken die je in elke Nederlandse winkelstraat treft, stormt naar binnen. Blijkbaar hebben ze bij hun bezoek aan Utrecht het nuttige met het aangename gecombineerd. De serene rust is meteen verstoord en omstandig legt de mevrouw uit dat ze zich hebben aangemeld en waarom. Het lijkt haar namelijk enig om reisverhalen te kunnen schrijven! Ook de reden van de verlate binnenkomst wordt breedvoerig maar zonder enig excuus in de groep gegooid. En passant meldt ze nog dat het hele gezin logeert op een camping op de Veluwe. Ik zie wat mensen fronsen. Na de onderbreking doet Miranda een poging om haar aanpak nogmaals uit te leggen. We gaan wat gerichte schrijfoefeningen doen, die we als de tijd die we daarvoor krijgen, verstreken is, aan elkaar zullen voorlezen. Het is niet de bedoeling dat we een discussie over datgene wat voorgelezen is, gaan beginnen. Om het werkbaar te houden splitsen we ons op in groepjes van vier. Ik wil mijn schaduwplekje behouden en betaal daar achteraf de tol voor. De laatkomers komen in mijn groep en omdat de dochter niet van haar moeder gescheiden wil worden, zijn we met zíjn vijven. De eerste opdracht is simpel. Je krijgt een open zin die je moet afmaken: Als ik aan reizen denk… Schrijven is voor mij… Nu ik hier ben… Deze zinnen zijn bedoeld om het schrijfproces op gang te brengen en je moet eigenlijk zonder je pen van het papier te tillen schrijven wat er in je op komt. Een vingeroefening, een opwarming van de schrijfgeest, zeg maar. We krijgen daar een paar minuten voor en lezen het resultaat aan elkaar voor. Ik merk dat de dochter niet echt mee doet en eigenlijk niet zit te schrijven. Ze staart met een enigszins verveeld gezicht voor zich uit. Al snel denk ik, o er is iets met haar aan de hand en de moeder is een soort oppas, die zelf graag dit seminar wil volgen, en haar dochter noodgedwongen heeft meegenomen. Ik moet het loslaten en me op mijn eigen schrijven richten, maar dat is bijna onmogelijk. De moeder en daarmee de dochter zijn dwingend aanwezig, ze houden zich niet aan de regels, en zijn ronduit gezegd een storende factor. Ik zie ook bij anderen en vooral Miranda – de irritatie groeien. Ze blijft vriendelijk maar moet steeds ingrijpen om de middag toch in goede banen te leiden. Het liefst zou ze de dames met tas en al achter het nieuwe felgekleurde behang willen plakken. Bij de vervolgopdrachten kom ik voor mezelf gelukkig in de schrijfmodus en kan ik me op de opdrachten concentreren. Stel je wilt je vakantieverhalen tot iets leesbaar terugbrengen, of je pakt het groter aan en wilt voor een krant of een ander medium een reisverhaal schrijven dan is het zaak dat je vertelt met oog voor details, dat je het adagium Show, don’t tell toepast, en niet in een toen en toen-stijl schrijft. Je moet op zoek gaan naar een thema. Bijvoorbeeld reizen in de voetsporen van Lord Byron. Of je wilt weten hoe religie beleefd wordt in je vakantieland. Ik noem maar een zijweg. Je moet weten wat je de lezer wilt meegeven. Bij reisverhalen gaat het zeker om ontmoetingen, want die brengen je verhaal tot leven. Voor mij is de workshop op deze verhitte middag zeker een bijzondere ontmoeting: met een moeder en een dochter die tijdens zo’n middag wel voor een verhaal zorgen dat je door wilt vertellen. Maar bovenal is het een leerzame ontmoeting met een collega schrijfcoach. Het biedt een leuk kijkje in haar keuken. Al hoop ik nooit zo’n aandacht vragende cursist te zullen treffen.

De dood in de ogen kijken

De eerste week van juli zal altijd een speciale periode blijven. Mijn vader is al vanaf zijn tweeënvijftigste hartpatiënt. Hij heeft alle medische ontwikkelingen die er in de cardiologie bestaan meegemaakt: openhartoperatie, dottertechnieken en hij blijkt taai, want iedere keer weet hij er doorheen te komen. De laatste jaren van zijn leven houdt hij vanwege hart- en ander orgaanfalen vocht vast waardoor hij kortademig en benauwd wordt. Het is altijd lastig om dat aan te zien en mee te maken. Er zijn allerlei middelen om het leed te verzachten, het beruchte tabletje onder de tong, de plastabletten, ademhalingstechnieken en het mee-ademen als hij dreigt te hyperventileren, en zelfs EPO om rode bloedcellen aan te maken die voor het vervoer van zuurstof zorgen. In de koelkast ligt een voorraad waar een professionele wielrenner jaloers op zou zijn.

Als de klachten dermate ernstig zijn moet hij voor vochtafdrijving opgenomen worden in het ziekenhuis. Hij ziet daar altijd vreselijk tegenop. Na afloop is het ademen weer even wat makkelijker maar het proces zelf ervaart hij als een martelgang. Er moet een katheter in de plasbuis worden aangebracht, en op de een of andere manier lukt dat nooit in een keer. Bij zijn laatste ziekenhuisbezoek zijn ze er twee dagen mee bezig.

Samen met mijn moeder bezoeken we hem trouw elk spreekuur en je ziet dat het iedere dag een beetje beter gaat. Na drie weken krijgt hij het bericht dat hij na het weekend terug mag naar mijn moeder, waar hij erg naar uitziet. We mogen hem om elf uur halen. Zover komt het echter nooit.

Op zaterdagmiddag laat hij ons trots raden wat hij gegeten heeft. Nou zijn er een aantal zaken waar je hem blij mee kunt maken, een rolmops is daar een van, maar dat zal het absoluut niet zijn geweest. Nee, hij heeft een banaan gehad en niet één, hij heeft er maar liefs drie opgepeuzeld. Aan de lach op zijn gezicht kan je zien dat hij er nog steeds van geniet. Het is een gezellig uurtje en hij maakt een opgewekte indruk.

’s Avonds – anderhalf uur later – volgt het avondspreekuur. Het is altijd een rush want in de tussentijd moet er gegeten worden en mijn moeder wil natuurlijk niet het pand verlaten voordat de afwas gedaan is. Dus we moeten opschieten om weer op tijd in het ziekenhuis te zijn. Voor het gehannes met de rolstoel van mijn moeder moet altijd extra tijd worden uitgetrokken. Vandaag trouwt prins Albert van Monaco en mijn moeder is wel geïnteresseerd in de jurk van de bruid Charlene. We kijken naar de trouwdienst en vertrekken daardoor te laat richting ziekenhuis.

We verkeren in een uitgelaten stemming. Dat slaat om als we de kamer betreden waar mijn vader ligt. De drie kamergenoten hebben hun bezoek al, maar iedereen kijkt geschrokken naar ons… Ik zie dat het witte gordijn rond het bed van mijn vader is dichtgetrokken. Voordat ik een blik achter het gordijn kan werpen, staat er een zuster achter ons. ‘Familie Meints, wilt u even met mij meekomen?’ In het zusterverblijf krijgen we de onheilstijding. Mijn vader is tijdens het avondeten plotseling onwel geworden en heeft het erg benauwd gekregen. Er is ooit een niet-reanimeren verklaring ondertekend, maar uit eigen beweging is hij toch weer bij kennis gekomen. Zijn conditie is echter belabberd, zo slecht zelfs dat hij het niet lang meer zal maken en eigenlijk direct naar een apart kamertje gebracht moet worden. Het liefst naar de ic als daar plek is. Dit komt aan als een mokerslag. Zo in tegenspraak met onze indruk van het middagbezoek.

Vanaf dat moment gaat alles in een stroomversnelling. ‘Zijn er nog andere kinderen die gewaarschuwd moeten worden?’ Ja, die zijn er… Op een soort automatische piloot ga je handelen. Ik maak de fout dat ik eerst nog even bij mijn vader wil kijken. Hij slaat zijn ogen op en is blij me te zien, maar geeft wel zelf aan dat het niet goed met hem gaat en dat het een uur geleden kantje boord is geweest. Ik moet echter mijn zus gaan bellen dat ze onmiddellijk moet komen, maar mijn vader houdt mijn hand stevig vast. Met moeite kan ik me los wringen. Ik wil niet in zijn bijzijn de rest van de familie inlichten over de prognose.

Mijn zus is met haar man op Ameland. Ze dineren in een restaurant en hebben de mobiele telefoon niet aanstaan. Mijn nichtje biedt aan dat ze iedereen zal bellen, zodat ik me verder met mijn moeder en vader kan bezighouden. Pa wordt naar de ic gebracht. Om hem te helpen stellen ze voor om hem morfine te geven en een inslaper, omdat hij constant naar adem hapt. Maar dan zal hij geen afscheid meer kunnen nemen. Hij kiest ervoor om het uit te stellen totdat hij iedereen die hem dierbaar is heeft gezien. Het is vreselijk afzien voor hem die komende uren. Hij heeft het zo benauwd en we zien alle genuttigde bananen in een bepaalde vorm voorbij komen.

Nadat hij in volle overtuiging afscheid heeft genomen, vraagt hij of we de zuster willen roepen. Daarvoor geeft hij aan dat we hem los moesten laten, omdat fysiek contact het afscheid voor hem onmogelijk maakt. De zuster brengt hem in slaap en de waarden op de monitor zijn beroerd en gaan steeds verder naar beneden. Op een zeker moment zal de flatline verschijnen.

In de vroege zondagochtend kan hij het loslaten en geeft letterlijk zijn laatste snik. Die wij als dierbaren niet zo ervaren, want hij heeft dat gedurende de nacht al een paar maal gedaan, om na een lange onderbreking opnieuw te gaan ademen. Maar nu is het echt voorbij…

De jonge zuster die hem en ook ons de gehele nacht heeft bijgestaan, komt achter me aan als ze hoort dat ik de begrafenisondernemer ga bellen. Ze pakt mijn hand beet en nadat ze me gecondoleerd heeft, zegt ze: ‘Mag ik je uit eigen ervaring een raad geven. Je gaat nu alles in het werk stellen om de begrafenis van je vader te regelen, je komt in een stroomversnelling terecht, maar besef dat in deze hectiek dit de laatste dagen zijn dat je nog bij je vader kunt zijn, dat je hem nog beet kunt pakken. Neem de tijd om op jouw manier afscheid van hem te nemen als je daar behoefte aan hebt.’

Ik ben haar erg dankbaar voor de levensles die ze me heeft gegeven.

In overleg met de begrafenisondernemer mogen we gezamenlijk mijn vader wassen, scheren, aankleden en in de kist leggen. Ook een goede ervaring – misschien griezelig – maar goed om mee te maken dat iemand niet plotseling mooi opgebaard in zijn kist ligt.

De les van de zuster vertel ik ook aan mijn moeder. ‘Mam, als je naar pa wilt – hij ligt opgebaard in de aula – dan zeg het maar en ik ga in de auto met je mee.’ Op dinsdagavond nadat het een drukke dag met veel aanloop en geregel is geweest, geeft mijn moeder aan dat ze graag even bij haar man wil kijken. Het is na tienen, maar we hebben een sleutel en kunnen elk moment naar hem toe. In de zomerschemer rijden we naar hem toe en zitten een uur bij hem in de koude ruimte. Het is goed, ik maak ook nog een wandelingetje, zodat mijn moeder alleen met hem kan zijn. Achteraf hebben we door dat bezoek onze nachtrust verpest, want we kunnen vervolgens de slaap niet meer vatten… maar het voelt goed om tijd voor mijn vader te nemen en de dood in de ogen te zien.

Gift

Samen met een collega bereiden we een tv-programma voor en voeren veel gesprekken met betrokkenen en doen de nodige research. Op een dag bezoeken we een grote instelling en daar zullen we de gehele dag in de archieven verblijven. Rond het middaguur begint de inwendige mens op te spelen en we gaan op zoek naar de bedrijfskantine. In alle rust hebben we ons onderzoek kunnen doen, maar nu blijkt dat we niet de enige mensen zijn die in dit gebouw actief zijn. Noodgedwongen sluiten we achter aan in een lange rij. We pakken een tray en maken een keuze voor de lunch. De broodjes zien er verleidelijk uit. De geur van soep en frituur dringt onze neus binnen. Het is moeilijk om te kiezen. Langzaam schuiven we met de buit richting kassa.

‘Mag ik uw pasje even?’ vraagt de dame als ze de dingen op mijn tray heeft aangeslagen.

Ik wil mijn pinpas pakken, maar ze schudt met haar hoofd. ‘Nee, uw bedrijfspas, graag.’

‘Die heb ik niet, ik werk hier niet, dat wil zeggen ik ben vandaag te gast in het archief.’

‘Dan moet u contant betalen,’ is de kille conclusie vanachter de balie.

Ik heb geen munten of papiergeld bij me en kijk naar mijn collega. Die moet me echter teleurstellen. Hij heeft ook geen cash bij zich. Vervelend, nou. ‘Er is waarschijnlijk geen geldautomaat waar ik kan pinnen?’ probeer ik nog.

‘Drie straten verder op.’

We overleggen hoe we dit gaan aanpakken. Wie gaat geld pinnen? Maar dan wordt de soep en het broodje kroket koud. ‘Mogen we straks betalen?’

De dame raakt geïrriteerd door het oponthoud. Terwijl we nog staan te bakkeleien hoe we dit onverwachte incident gaan oplossen, groeit de rij achter ons met eveneens hongerige mensen die niet begrijpen waarom de rij stokt. Een eindje verder in de rij bemoeit een man zich met het voorval.

‘Zet maar op mijn rekening, Annie.’ We draaien ons verbaasd om. Dat is alleraardigst, want dan is het oponthoud voor nu opgelost. Als de man merkt dat mijn collega met hetzelfde probleem zit, mag ook hij gebruikmaken van het aanbod. ‘Harstikke bedankt, u krijgt het bedrag zo van ons terug.’

Gegeneerd zoeken we een plekje in de overvolle kantine. Ik houd de man die zo vriendelijk was voor ons te betalen in de gaten waar hij gaat zitten om straks de schuld bij hem in te lossen. Met een beetje vertraging nuttigen we onze lunch, die opeens iets minder lijkt te smaken.

Dan loop ik naar de man die ons eten heeft voorgeschoten. Ik bedank hem nogmaals allerhartelijkst voor zijn hulp, en vraag waar ik hem straks in het gebouw kan vinden.

‘Waarom?’ vraagt hij.

‘Nou, dan kan ik u zo meteen het geld teruggeven.’

Maar de man weigert pertinent het aanbod. ‘Geen sprake van, dat krijgen jullie van mij.’

‘Dat kan ik niet aannemen en het is helemaal niet nodig, we hebben wel geld alleen niet contact bij ons, dus ik ga zo even pinnen en dan krijgt u het van mij terug.’

‘Dat hoeft niet.’

‘Jawel, ik sta bij u in het krijt.’

Hij wil er niks van weten en praat op een gegeven moment met zijn collega’s verder, alsof het hiermee afgedaan is.

Ik ben een beetje van mijn stuk gebracht. Met de staart tussen mijn benen druip ik af. Ik leg aan mijn collega uit wat de uitkomst van het gesprek is, en ook hij schudt met zo’n hoofd. ‘Aardig, maar dat had echt niet gehoeven.’

Als we uitgegeten zijn rest ons niks anders dan de lege tray naar de daarvoor bestemde trolley te brengen. Bij het verlaten van de kantine steek ik nogmaals als dank mijn duim op in de richting van de gulle gever. Hij ziet het niet eens.

De gehele middag houdt de gift me bezig. Wat een ruimhartig gebaar. De man was zo behulpzaam, maar met alle liefde hadden we het geld terugbetaald. Je voelt je bijna schuldig, een soort van profiteur. Het is moeilijk om zo’n vriendelijke geste te accepteren. Een gift van een onbekende aan onbekenden. Het is erg verwarrend en het kost me veel moeite om me weer op de research te concentreren. Bij wijze van spreken voel ik het geld in mijn zak branden. Ik blijf maar denken hoe ik hem kan bedanken.

Bijscholing

Om mezelf eens te trakteren en natuurlijk ook uit het oogpunt van bijscholing schrijf ik me in voor de cursus ‘De kunst van het kijken’. Schrijfster Manon Uphoff en haar dochter Iris van Vliet, scripteditor en filmdocent, geven zes avonden les in het Louis Hartlooper Complex in Utrecht over storytelling in film en televisieseries. Erg benieuwd verzamelen zich de kersverse leerlingen in de gang voor zaal 5 op de eerste woensdagavond in januari. Overal hangen prachtige zwart-wit posters van belegen filmsterren en er staan twee bakbeesten van oude projectoren. De klok tikt weg naar zeven uur. Manon heb ik al gespot, omdat ze een paar maal naar buiten is gekomen en naar beneden ging. De techniek blijkt de docenten in de steek te laten. Alles is geïnstalleerd voor het gebruik van de beamer, maar na het aansluiten van de laptop is er geen beeld. Uiteindelijk mogen we toch naar binnen. Elke stoel is bezet en ik zit vooraan. Manon legt uit dat er een probleem is en dat de technicus van het filmtheater is gebeld om het te verhelpen. ‘Sorry mensen, heel vervelend dit.’

Gelukkig is er wizzkid in de zaal die de juiste aanwijzingen geeft en het blauwe doek veranderd in de eerste sheet met de titel van de cursus. We zijn begonnen. Een voorstelronde volgt. Iedereen is op de een of andere manier beroepsmatig of privé geïnteresseerd in het vertellen van verhalen, in allerlei vormen.

‘Verhalen nemen ons mee naar een andere wereld. Lokken ons in tekst en beeld naar de bioscoop, naar de boekwinkel, naar Netflix. Maar waarom vinden we het ene verhaal zo verrassend, goed en prikkelend en stelt het andere ons zo teleur? Wat maakt eigenlijk een goede vertelling? En kijken we zelf wel aandachtig genoeg? Aan de hand van inspirerende beeld- en tekstfragmenten en kleurrijke voorbeelden uit geprezen films en series gaan we op zoek naar antwoorden op deze vragen,’ is de summiere cursusomschrijving. Zes avonden over: genre, personage, arena, dialoog, ritme, vorm en stijl van verhalen

Net zoals uiteindelijk de lezer het boek tot zijn recht laat komen, hebben we bij het kijken naar film ook een actieve rol. Al kijkend brengen we vanzelf een logisch verband aan. Dat hebben we jong geleerd. Kleine kinderen hebben al het vermogen om verhaaltjes op te bouwen. Ik – jij – en iemand buiten, dat is de oervorm van het verhaal.

Het zijn leerzame avonden en de vrouwen zijn goed op elkaar ingespeeld. Je merkt dat ze dit vaker doen. Als ik later een verhaal over ze lees in het weekendmagazine van de Volkskrant is het beeld me helemaal duidelijk. Moeder en dochter verdwijnen met liters koffie naar de zolderruimte en verschansen zich achter twee computerschermen om daar eindeloos filmfragmenten uit te zoeken voor hun schrijf- en scenariocursussen. ‘Uren kunnen ze daar zo zitten, eindeloos associërend, analyserend, over duisterheid, over vrolijkheid, over de ander (en dus over zichzelf), net zolang tot hun konten van hout zijn en de staafjes en kegeltjes in hun kop zowat in de fik staan, maar hun geest weer volledig is gerevitaliseerd.’ (citaat uit het VK-artikel).

Gelukkig komt daar voor ons dan een gedegen cursus uit voort met een duidelijke rolverdeling, dochterlief zorgt steeds dat de juiste fragmenten voor staan en vult aan als moeders iets is vergeten te vertellen.

Ik zal niet de gehele cursus voorbij laten komen, wellicht is het leuk om er zelf ooit eentje te volgen, maar op een bepaalde avond gaat het over het belang van dialogen. Een goede definitie van dialoog is moeilijk te geven. Het omvat meer dan alle conversatie tussen personages. In het Grieks betekent het ‘door spraak’ dia-logos. Ook monologen en gedachten en lichaamstaal, de non-verbale communicatie die personages gebruiken, vallen daaronder. Als schrijver of filmmaker moet je daar allemaal rekening mee houden. Een dialoog heeft meerdere functies. Het moet de actie in een verhaal opgang brengen en houden. Vaak gaat het over een beslissingsproces in het leven van de hoofdfiguur en wat daaraan vooraf ging. Je moet het aantrekkelijk maken voor je lezer. Door een dialoog te laten leven, kun je laten zien wat de sfeer is en hoe de personages zich voelen. Een dialoog zegt vooral iets over de relatie tussen de hoofdpersonages in het verhaal. Daarbij moet je als maker beseffen dat iedereen een eigen manier van praten heeft.

Manon komt met een mooie metafoor. Daar is ze goed in en ik kan ook iedereen haar laatste boek ‘Vallen is als vliegen’ aanraden over het misbruik door haar vader zonder het woord zelf te gebruiken. Van mij mag ze vanavond de Libris literatuurprijs 2020 winnen, maar dat geheel terzijde. Ze zegt: ‘Dialogen kun je zien als een ijsberg. Het werkelijke gesprek is het topje van de ijsberg, maar onder water zit het grootste gedeelte. Er zit nog veel meer onder de uitgesproken dialoog. Je hebt te maken met datgene dat niet gezegd wordt (unsaid): gedachten en gevoelens. Maar er is nog een diepere laag, datgene wat vermeden wordt (unsayable). Je kan niet alles zeggen, er zijn codes en afspraken wat je wel of niet kan zeggen, er zijn taboes. Je moet weten wanneer het wenselijk is te zwijgen. Je kan bijvoorbeeld niet zomaar over iemands handicap beginnen.’ Met al deze lagen moet je bij het schrijven van een dialoog rekening houden.

Aan het einde van de avond doet Manon een openbaring. ‘Tijdens schrijflessen merk ik hoe onervaren schrijvers zich kunnen vergalopperen met dialogen. Hoe houterig het is, of hoe tenenkrommend of niet-werkend. Wat mensen tegen elkaar zeggen werkt alleen als je daarin ook kunt weergeven wat ze niet tegen elkaar zeggen. Anders is het verloren ruimte invullen. Je moet je personages goed kennen om te weten wat ze niet tegen elkaar zeggen.’

Bij het schrijven van een filmscript werkt de scenarist vaak tot op het laatst aan de dialogen. Eerst bedenkt men wat is het verhaal, wat gaat er gebeuren, wie zijn de personages, hoe houden we het spannend? En later volgt pas de invulling van de dialoog.

Eigenlijk vliegen de twee lesuren voorbij en de docenten zouden wat mij betreft nog uren mogen doorgaan. Het is fijn om je aan hun analyses te laven.

Moet dat nou?!

De balkondeur staat open. Het is heerlijk weer en de vogels zorgen met hun vrolijke getwitter voor werklust. Ik hoor een geluid dat ik niet thuis kan brengen. Bassende mannenstemmen verstoren de rust. Ik sta op en ga kijken. Een hoogwerker is bezig mijn straat binnen te manoeuvreren. Een man schreeuwt aanwijzingen.

Wat is er aan de hand? Komen ze de lantarenpalen controleren? Gaat iemand verhuizen? Of liever nog gaan ze mijn ramen wassen, nadat die vreselijk duif precies op het grote raam – waar ik niet bij kan –  een dikke flats heeft achtergelaten? Dat zou een aardige geste zijn. Of is een buurman in coronatijd zo dichtgegroeid dat hij alleen via een hoogwerker zijn appartement kan verlaten?

De man in het bakje stijgt omdat de hydraulische arm steeds verder uitschuift. Hij heeft het op de boom in onze straat voorzien. Is hij van de eikenprocessierupsenbestrijding. Maar het is helemaal geen eik! Van het rijtje bomen dat jaren geleden gepland is, heeft deze groene makker een flinke groeispurt in gezet, de andere vijf zijn zielige stompjes vergelijken met dit exemplaar. Dat is blijkbaar ook het probleem. Met een ferme armzwaai slaat de man een motorzaag aan. Ik wil schreeuwen ‘Moet dat nou?!’ Maar hij heeft oordoppen over zijn gele helm. Hij kan me totaal niet horen. In een paar halen is het lot voltrokken. Drie takken worden afgezaagd. De tweede man legt ze keurig op het trottoir. De hoogwerker daalt en verlaat achteruitrijdend de straat. Waarom is dit nodig vraag ik me af? Het enige groen dat de buurt nog aanzien geeft en zorgt voor een prettig leefklimaat, wordt brut gesnoeid! Waarom hebben ze daar dan ooit bomen neergezet? Ontstemd ga ik weer naar binnen en ga verder met mijn werk.

Als ik later die dag een wandeling wil maken, bestudeer ik de gesnoeide boom. De takken die in de richting van de straat groeiden zijn rücksichtslos verwijderd. Alle bomen in de wijk hebben eenzelfde beurt gehad. Overal liggen takken op de straat. Er is flink huisgehouden deze ochtend. Ik merk dat ik kwaad word. Waarom? Zodat een auto er beter kan parkeren, of een vrachtwagen niet tegen de takken aan schuurt. Het moet niet gekker worden. Een boom die CO-2 opneemt moet wijken voor een hoop blik dat juist verantwoordelijk is voor die grote uitstoot van koolmonoxide. De omgekeerde wereld, wie heeft dit verzonnen?

Een beetje ontspannen door het bos wandelen is er niet meer bij. Ik zit mezelf op te naaien en merk dat ik steeds harder ga lopen. Het zit me niet lekker. Ik krijg er gewoon buikpijn van. De behoefte om er iets over te schrijven groeit. Ik kan niet wachten totdat ik thuis ben. Een veelheid aan gedachten tolt door mijn hoofd. Je hoopt dat we door deze crisis zaken anders gaan benaderen en aanpakken: klimaatverandering, geen eten verspillen terwijl er elders honger is, lokale leveranciers steunen, die verschrikkelijke plasticsoep in onze oceanen voorkomen. Misschien draaf ik door, maar ik merk dat ik kwaad ben.

Op een picknicktafel ga ik zitten en haal mijn mobiel te voorschijn om in Notes dit verhaal te noteren. Zo snel mijn vingers het kunnen bijhouden, typ ik mijn aantekeningen. Maar ook als de ruwe schets gemaakt is, blijft het incident door mijn hoofd spoken. Hoe vaak moet ik niet tijdens het wandelen bukken om niet het lot van Absolom te ondergaan, betekent dit dat ik de volgende keer maar een kapmes mee kan nemen om alle laaghangende takken weg te kappen?

Het is maar goed dat de hoogwerker uit mijn buurt verdwenen is. Als ik ze zou zijn tegenkomen, hadden ze alsnog de volle laag gekregen, zo geïrriteerd ben ik. De volgende dag komt er opnieuw een luidruchtige oranje-gele colonne door de straat, de takken worden opgehaald en gaan meteen in de hakselaar. Bio-massa? Ik houd me in, ik heb mijn zegje hier gedaan.

Verkeersboetes

Een auto is een fijn en praktisch vervoermiddel. Bij ons thuis hadden we geen auto, dus sinds de dag dat ik er zelf een heb, is het een heilige koe voor me. Wat heb ik in mijn jeugd die regen en wind vervloekt, en alles maar op de fiets te moeten doen. Nu geeft een eigen auto me een enorme vrijheid om te kunnen gaan en staan waar ik wil. Niet op tijden van openbaar vervoer te hoeven letten. Geen klamme regenjas aan te moeten trekken, omdat het regent en je er toch uit moet. Heerlijk. Ik doe alles met die auto. Te veel wellicht, het zou voor lijf en leden, en milieu goed zijn daar bewuster mee om te gaan en eens wat vaker de fiets te nemen om boodschappen te doen of de trein te nemen om een stad te bezoeken. Maar de verleiding en het gemak is zo groot. Zeker in deze tijd is het hebben van eigen vervoer een grote pre boven een mondkapje moeten dragen in het openbaar vervoer.

Een auto is echter ook een behoorlijke melkkoe. De overheid verdient er goed aan. Als je een avondje gaat stappen in Amsterdam en je parkeert in het centrum dan ben je zo veertig euro kwijt. Dat is natuurlijk een keuze. Er zijn alternatieven. Autorijden is duur. Je moet om de weg op te kunnen wegenbelasting betalen. Hoe zwaarder je bent, hoe meer euro’s je mag neertellen. Er moet benzine in, en je denkt: ik heb toch aan het begin van de week de tank volgegooid, hoe kan het dat het oranjelampje nu alweer brandt? Een appje van de garage dat je 15.000 duizend kilometer hebt gereden en je auto nodig aan een servicebeurt toe is. Zonder rare dingen: 350 euro. ‘Hier meneer, uw auto, kunt u weer fijn een tijdje vooruit!’

En dan heb ik het nog niet over de verkeersboetes. In het verkeer bestaan regels waar je je aan dient te houden en als je dat niet doet, en je wordt betrapt, dan zul je dat voelen in je portemonnee.

Vorig week voor het eerst sinds de lockdown weer de snelweg op geweest en ik realiseerde me dat al enkele maanden een nieuwe maximumsnelheid geldt overdag. Gevoelsmatig zit er wel een verschil tussen 130 kilometer per uur of 100. Wat gaat dat traag, voor je het in de gaten hebt, rijd je 20 kilometer te snel. Oei, ik zal daar echt rekening mee moeten gaan houden, want anders betaal ik mij de komende maanden blauw. Toch maar die cruisecontrol gaan gebruiken, dat kan nuttig zijn.

Menigmaal valt bij mij zo’n enveloppe met een paars randje op de mat. Het banknummer van het CJIB staat standaard in mijn betalingsvoorkeuren. De vergrijpen zijn verschillend. Als het te hard rijden in de bebouwde kom van Hilversum is dan zal het rond de 40 tot 60 euro zijn. Maar het wil ook voorkomen dat ik bij de kleine spoorbomen bedenk dat ik toch niet linksaf wil, omdat er een trein aankomt en je daar behoorlijk lang kunt staan te wachten. Dus op het allerlaatste moment verwissel ik van rijbaan en besluit toch rechtdoor te rijden. Geen politieagent, of andere handhaver te bekennen, tenminste ik heb niks gezien, en toch twee weken later zo’n paars geval. Bij het openvouwen wens je dat je het geduld had gehad om te wachten en niet voor een alternatieve route had gekozen, want nu wordt je vriendelijk verzocht voor een bepaalde datum 239 euro over te maken. Er zit een tijdje tussen de aanslag en de datum van uiterste betaling, dus je denkt uit pure frustratie: ze wachten nog maar even! Maar o wee als die rekening onder op het stapeltje komt te liggen en je wacht te lang, dan is een forse verhoging van het genoemde bedrag het gevolg. Nog meer zuur geld. De les is om het verlies maar meteen te nemen en het bedrag direct over te maken.

Je gaat met de auto naar het centrum. Je wilt even vlug een boodschap doen. Zin om een parkeergarage in te gaan heb je niet en je probeert zo dicht mogelijk bij de winkel te komen. Gelukkig, laat er nou net een plekkie vrij zijn. Parkeren, auto afsluiten, rennen naar de winkel, onderweg denken: shit, ik had geld in de automaat moeten doen, ach ik ben hooguit even weg, om nu weer terug te gaan. Een paar minuten later wappert er een wit papiertje onder je ruitenwisser. Bah, parkeren op een invalideplek! Een dubbele aanslag. Geen wonder dat die plek nog vrij was, niet opgelet, stom. Volgende keer niet weer doen. Haastige spoed is zelden goed. Dure les, Jan!

Op de snelweg heb je lekker de vaart erin. Je denkt nog wat rijdt iedereen plotseling langzaam, terwijl je op de linkerbaan voortraast. Je hebt de flitser die verdekt stond opgesteld niet gezien en betaald daar later een pittig prijsje voor.

Je nadert een stoplicht en wilt afslaan naar rechts, er rijden auto’s voor je en je schat in dat je net door het oranje licht kunt glippen. Pech, de auto voor je doet er langer over om de bocht te nemen, je bent doorgereden en ziet in je achteruitkijkspiegel een flits. Je nummerbord herkenbaar op de foto van de flitspaal, verkeerslicht duidelijk op rood. Een foto die je liever niet had gezien.

Je organiseert een vrijgezellenfeestje. Van alle windstreken komen vrienden naar Amersfoort, de meesten met de auto. Je bereidt alles zorgvuldig voor en zoekt een gratis parkeerplek in de buurt van de eerste afspraak en vermeldt dat in de uitnodiging, compleet met routebeschrijving. Op de zaterdag van het feest zijn er werkzaamheden en het parkeerterrein is afgesloten met hekken. Je bent nog niet ter plekke of je wordt via app en telefoon op de hoogte gehouden dat er iets niet klopt in je planning. Om elkaar niet kwijt te raken, besluit je te wachten tot iedereen er is en in de wijk een andere parkeermogelijkheid te zoeken. In colonne rijden we een woonbuurt in en vinden een mooie plek nabij een school om onze auto’s te parkeren. Na een geslaagde dag komen we ’s avonds bij de parkeerplek terug. De eerste roept: ‘Ik heb een bon!’ ‘Nee, ik ook!’ Zeven bekeuringen, kassa, weg fijn gevoel. We lopen naar het begin van de straat om te zien of we een bord gemist hebben. Waar zijn hier dan parkeerautomaten? Nee, nergens te vinden. Procederen omdat je vindt dat de boete onterecht is en afgewezen worden. We waren zonder het in de gaten te hebben een gebied binnen gereden waar parkeren alleen mogelijk was voor mensen met een parkeervergunning. Blijkt dat er aan het begin van de wijk een algemeen bord stond over dit parkeerbeleid.

Het stemt je niet vrolijk. Hoe vaak neem ik me niet voor: let op, mag ik hier staan? Hoelang zal ik hier zijn? Wat is de maximumsnelheid? En toch blijft de overheid me verblijden met paars gerande enveloppen. Dus nu moet ik echt gaan opletten en me beter aan de regels gaan houden, want je kunt zoveel andere leuke dingen doen met het bedrag dat je jaarlijks overmaakt naar Leeuwarden of de gemeente Hilversum.

Edelfigurant

In mijn eerste woning in Hilversum, een studentenhuis, woont een naamgenoot. Hij is mijn overbuurman. Helemaal computergek, fanatiek gothicfan en alles is zwart: zijn kleding, zijn nagels, zijn kamer en onze gezamenlijke gang die hij behangen heeft met zijn zwart-witontwerpen die hij voor een jongerencentrum maakt. Eén keer hebben we voor de grap alle punaises verwisseld. Overal waar hij in het wit een witte punaise had geprikt, hebben we die omgewisseld met de zwarte punaise uit de zwarte gedeelten. Eens kijken wanneer het hem zou opvallen? Nou, hij is nog niet thuis of we horen hem bulderen op de gang wie toch met zijn jatten aan zijn flyers heeft gezeten? Al tierend gaat hij driftig aan de slag om alles weer in de oude stijl te herstellen.

Nu heeft hij voor een amateurvereniging in Almere een opdracht gekregen om de poster van de toneelvoorstelling te maken en het programmaboekje te ontwerpen. Dagen is hij ermee bezig en we worden van alle veranderingen op de hoogte gehouden en zelfs om advies gevraagd. Uiteindelijk is de opdracht voltooid en krijgt hij een aantal vrijkaartjes voor de voorstelling.

Met zijn drieën gaan we naar Almere en verheugen ons op een avondje lachen. We hebben via onze huisgenoot al gehoord waar het stuk over gaat en dat er een jonge acteur is die van zichzelf vindt dat hij goed toneel kan spelen. De regisseur zit echter met zijn handen in het haar en heeft spijt van zijn keuze, maar er is geen weg meer terug.

Het toneel is over de gehele breedte in drie parten verdeeld. Er is geen voordoek en het licht gaat aan in het decor waar de scene zich afspeelt. In het donker worden in de andere twee gedeelten de decorstukken in orde gemaakt voor de volgende scenes. Modern toneel, dus. Eerlijk gezegd leidt het vreselijk af, want je bent toch nieuwsgierig hoe er gewisseld wordt in het donker. Soms hoor je dat iemand ergens tegen aanloopt of iets laat vallen. We houden ons meer bezig met het changement dan het toneelstuk zelf. In een van de locaties staat bij de deur een oude kapstok, zo eentje met van die krulpoten. Op het moment dat het licht in dit gedeelte aangaat zien we meteen dat er een essentieel onderdeel ontbreekt in de set. We stoten elkaar verwachtingsvol aan. En ja hoor daar komt de jonge hoofdrolspeler binnen die bezig is met zijn glansrol. Hij doet nonchalant zijn jas uit en wil die aan de kapstok hangen die er echter niet is. Onhandig staat de acteur met de jas in zijn handen. Hij heeft niet het vermogen om van het ontbrekende decorstuk een grapje te maken of de situatie anderszins op te lossen. Sterker nog hij is compleet uit het veld geslagen en staat volkomen sprakeloos op het toneel, totdat zijn tegenspeler de draad weer oppakt. Drie mensen zitten heerlijk te gniffelen om het tafereel.

De onfortuinlijke hoofdrolspeler ziet er erg aantrekkelijk uit. Een mooie blonde kop en een goed lijf. Daar is niks mis mee. Mijn goede vriend die naast me zit heeft ook al gemerkt dat ik deze jongeman wel interessant vind. Na afloop van het toneelstuk doen we nog een drankje en hij doet verwoede pogingen om de aandacht van de jonge acteur te trekken en hem bij ons aan het tafeltje uit te nodigen. Ik zit een beetje met mijn mond vol tanden, leuk dat hij zo dichtbij komt, maar ik weet van de weerslag niks uit te brengen, alsof ik nu mijn tekst ben vergeten. Maar erg is het niet, want de acteur toont geen enkele interesse in mij. Dat verandert als mijn vriend zich laat ontvallen dat ik regisseur ben en tv-programma’s maak, waarvoor ik vaak op zoek ben naar acteurs.

In principe is daar geen woord aan gelogen. Op dat moment maak ik een nieuwe serie Ambulance en we zoeken vaak figuranten voor de reconstructie van het ongeluk en wat daaraan vooraf ging. De jonge acteur is meteen alert en geïnteresseerd. We wisselen telefoonnummers uit en ik beloof dat ik aan hem zal denken als ik iemand nodig heb.

Een paar weken later ben ik bezig met het verhaal over een jonge blonde fotograaf wiens carrière ruw verbroken wordt door een auto-ongeluk waardoor hij in een rolstoel terechtkomt. In het scenario heb ik een scene geschreven waarin we de fotograaf aan het werk zien met het maken van een bruidsreportage. Er gaat een telefoontje naar Almere met de vraag of de acteur zin heeft om de rol van fotograaf te spelen?

‘Natuurlijk, dat wil ik graag doen, stuur me de tekst maar op.’

‘Nou, het is meer een nagespeelde scene. Er zit geen belangrijke tekst in, je hoeft niet een uitgebreide dialoog te repeteren.’

Ik merk enige aarzeling maar de jongeman ziet een glansrijke carrièrekans en zet de afspraak in zijn agenda.

Op de opnamedag spelen twee collega’s het bruidspaar, alleen dat al maakt de draaidag amusant en daarnaast is het een weerzien met de leuke acteur uit Almere. Hij krijgt een oude Hasselblad in zijn handen gedrukt en kleding uit de jaren zeventig, want het speelt zich in die periode af. Vol verve acteert hij de fotograaf en ik geniet ervan om hem zo enthousiast bezig te zien. Hij vraagt andermaal naar tekst, maar ik zeg dat je in de uiteindelijke montage alleen wat aanwijzingen zult horen en dat er dus niet echt een dialoog in zit.

De opnames verlopen voorspoedig en in een fotostudio in Hilversum maken we nog wat opnamen met hem waarin hij de gemaakte bruidsfoto’s ontwikkelt en in een album doet. Hij heeft een topdag – en ik ook – en vraagt wanneer het op de televisie komt. Ik zeg dat ik dat nog niet kan zeggen, maar dat de serie vanaf september uitgezonden zal worden. Ik beloof hem op de hoogte te houden. ‘En als je het leuk vindt mag je wel een keertje bij me thuis komen om het eindresultaat te zien voordat het op de tv is. Wel zo leuk, toch?’

Met groot enthousiasme ga ik met het materiaal aan de slag en als de eindmontage van de aflevering klaar is, nodig ik hem uit. Ik vind het best wel spannend, niet dat ik ontevreden ben met het eindresultaat, maar het feit dat hij bij mij over de vloer komt, maakt me zenuwachtig. Terence Trent D’Arby zit in de cd-speler, omdat ik weet dat hij daar fan van is. Ik start de VHS-recorder. In een vloek en een zucht is de scene waarin hij zit voorbij. Je hoort hem nauwelijks iets zeggen, want de voice-over vertelt het verhaal over de echte fotograaf.

‘Zal ik het nog even terugspoelen?’

‘Ja, graag! Is dit het?’ vraagt hij een beetje teleurgesteld.

Langer kon ik het echt niet maken, denk ik. ‘Ja, een hoop werk, hè, voor drie minuten televisie.’

‘Zeg dat wel.’

‘Ik hoop dat je het leuk vond om eraan mee te werken?’

‘Het was wel een ervaring, maar ik dacht echt dat ik langer in beeld zou zijn.’

‘Een volgende keer, misschien…’

Als hij een uurtje later weg is, staan mijn huisgenoten meteen in mijn kamer. ‘En??!’

‘Wat zal ik zeggen, leuk om naar te kijken, maar verder durfde ik niet te gaan.’

De jongens moeten lachen. ‘Gelukkig hebben we de opnamen nog, moet je maar denken.’

Die volgende keer is er nooit van gekomen.

Eazzzy

Je hebt wel van die ochtenden dat je geradbraakt wakker wordt. Je hebt hoofdpijn en alles voelt klam aan. Als je je bed uitstapt heb je het idee dat je nog steeds moe bent. Of je komt niet in slaap en gaat dan maar uit puur ellende tv-kijken, in de hoop dat je door het geleuter van een talkshow in slaap valt. Op een nacht word ik wakker en hoor ik een lange reclame op RTL-4. ‘Heeft u last van pijn in de nek, schouders en rug, of wordt u wakker met hoofdpijn? Dan is het nieuwste Eazzzy topdekmatras iets voor u. De comfortabele en ergonomische toplaag zorgt voor een optimaal slaapcomfort! U wordt uitgerust wakker…’ En zo ronkt de wervende reclamestem nog even door. Mijn aandacht is gewekt.

De volgende ochtend zoek ik de site op en bestel blindelings het topdekmatras in mijn afmeting. Als het niet bevalt, kun je het pakket binnen 30 dagen retourneren. Nou, daar kan ik me toch geen buil aan vallen. Ik kan het wellicht proberen.

Na de bestelling krijg ik een bericht dat het product niet meteen leverbaar is. Een paar dagen later opnieuw: uw bestelling laat nog even op zich wachten. Ik zou toch niet beet genomen zijn? Tweeëneenhalve week later stelt een bericht van PostNL me gerust: morgen tussen 11 en 13 uur komt uw bestelling.

Ik kijk er hunkerend naar uit en verheug me op de eerste nacht proefslapen. Met gepaste afstand wordt het pakket bij me voor de deur afgeleverd. Ik open de doos, het zeven centimeter dikke matras zit dubbelgevouwen, opgerold en in plastic vacuüm gezogen verpakt. Het plastic ruikt vreemd, maar verder besteed ik daar geen aandacht aan. Vanochtend heb ik mijn bed afgehaald, zodat ik vanavond in een fris en schoon bed slaap. Ik gooi het matras over het oude en maak het bed op. Er zit wel een vouw in de topper, maar die zal er straks onder mijn gewicht snel uit gaan.

Om half elf ‘s avonds houd ik het niet meer, ik verlang naar de update van mijn bed. In eerste instantie ligt het – op de vouw na – goed en ik voel mijn lichaam ergonomisch in de toplaag zakken. Maar als ik in mijn favoriete slaaphouding ga liggen, ruik ik toch een onbestemde geur die ik niet thuis kan brengen. Het is niet zurig, maar wat eigenlijk wel? Mijn neusgaten vullen zich met de penetrante lucht en ik raak het niet meer kwijt. Het zal nieuwigheid zijn, denk ik nog. Het lukt me gewoon niet om in slaap te komen, omdat het toch behoorlijk stinkt. Alles gaat er ook naar ruiken, mijn kussen en het fris gewassen dekbedovertrek. Ik blijf worstelen en bewegen van de ene op de andere zij. De slaap krijgt me niet te pakken. Ik haal een T-shirt uit de kast en bind dat voor mijn mond en neus als een soort grote mondkap om de topper maar niet te ruiken. Het mag niet baten. Ook het schone shirt neemt de onaangename geur aan.

Terwijl ik lig te woelen, vraag ik me af wat die stank veroorzaakt? Er vormt zich een beeld in mijn hoofd. Het product was niet leverbaar, is dit een matras van iemand die het weer geretourneerd heeft? Het matras zag er ook niet meer kaarsrecht uit. Ik dacht dat dit door de wijze van verpakken kwam en dat één kant in de verdrukking was gekomen. Meteen schrik ik. Zou dit ontsmettingsmiddel zijn wat ik ruik? Wat is er met dit matras gebeurd? Het begint te jeuken op mijn rug en tussen de haartjes op mijn onderbenen. Het gaat van kwaad tot erger. Ik krab aan mijn gezicht en in mijn haar. Jakkes, mijt, neten, wantsen, schurft?!! Ik heb het niet meer. Ik spring uit m’n bed. Op de wc inspecteer ik mijn lichaam, ik denk rode bultjes te zien. Een beetje een hypochonder ben ik wel. Het gaat nog meer jeuken. In het volle ganglicht probeer ik mijn rug te inspecteren. Jan, rustig dat kan toch niet. Daarnaast blijft die vreselijke geur me omringen.

Midden in de nacht duik ik onder de douche en was grondig mezelf en mijn haar. Daarna pak ik het logeermatras om nog een paar uurtjes in de woonkamer op de grond te slapen. Ik probeer niet te denken dat ik last van jeuk heb en moet me vooral beheersen niet als een gek te gaan krabben. Van een goede nachtrust is natuurlijk geen sprake. Wat mijn eerste, heerlijke nacht moest zijn, is in een nachtmerrie veranderd.

Eén ding is duidelijk: dat matras gaat morgenvroeg linea recta terug naar Tommy Teleshopping. Ik zit al vroeg achter de laptop om te zien hoe ik dat moet regelen. Ook lees ik – te laat – de reviews van andere gebruikers, nergens kom ik een opmerking over de merkwaardige geur van het matras tegen, maar wel veel klachten van ontevreden klanten.

Ik haal terwijl ik zo weinig mogelijk probeer in te ademen, het bed af. Gooi alles in de wasmachine, met extra wasmiddel dit keer, en ik bedenk een strategie om het matras terug in de oorspronkelijke verpakking te krijgen, zoals in de retourvoorwaarden vermeld staat. In de gang klap ik het matras dubbel – de vouw is nog zichtbaar dus dat is nu in mijn voordeel – en doe het in het plastic zodat het niet meer terugvalt. Maar als ik wil gaan rollen werkt de lucht in het plastic niet mee. Ik kom tot een halve rol en krijg het gewoon niet voor elkaar. Bij de tweede poging probeer ik met één hand het plastic voor me uit te schuiven, zodat het niet om het matras blijft zitten, maar dit is ook niet de methode. Het is niet bepaald easy. Dan maar met brute kracht, ik gebruik nu het elastiek dat je om het andere matras kunt doen als middel om de flappen bij elkaar te houden. Met mijn beide knieën als klem begin ik te rollen, maar ik krijg de rol niet op het juiste formaat zodat het in de bijgeleverde doos past. Ondertussen moet ik bijna kokhalzen van de lucht. Bij de zoveelste poging probeer ik de nog steeds te grote rol in de doos te proppen, maar ik merk dat het karton dan zeker gaat scheuren. Nog één poging, dat klote matras moet erin!! Als een wilde man werp ik me op de topper. Ik begin met een zo klein mogelijk rolletje. Het zal door de woede-uitbarsting komen dat het me lukt om het ding nu tot een redelijke rol te maken. Aan het eind heb ik twee dikke elastieken klaargelegd die postbodes altijd gebruiken. Met mij gehele lichaam de rol in bedwang houdend, trek ik het eerste elastiek om het opgerolde matras. Dat lukt. Ook de tweede krijg ik erom. Nog steeds is het niet een kwestie van gemakkelijk in de verpakking laten glijden, maar ik durf nu door te drukken. Dat stinkding zal het niet van me winnen! Ik hoor het karton scheuren, maar de rol zit erin en met Gaffer tape krijg ik de doos wel gerepareerd. Na drie kwartier martelen staat het pakket klaar voor verzending. Het voelt alsof ik een vieze indringer de deur heb uitgewerkt. Tot slot kost het vier dagen luchten om die ellendige geur uit mijn slaapkamer te verwijderen.

Een blokje om

  Het voordeel van elke dag een wandeling maken is dat je je eigen buurt beter leert kennen. Door hooikoorts het bos uitgedreven loop ik letterlijk een blokje om. Er zijn verbazingwekkend veel containers in het straatbeeld. Mensen die hun huis opruimen of volledig strippen voor een verbouwing. Veel kinderspelen, het aloude hinkelen op de straatstenen uitgetekend of andere kleurrijke kinderkunst van stoepkrijt. Anderen zijn volop met de tuinaanleg bezig, waarbij sommigen – wellicht uit praktisch oogpunt – kiezen om de gehele voortuin te betegelen met grote saaie grijze betontegels. Onderhoudsvriendelijk maar niet goed voor de waterafvoer. En zeker geen lust voor het oog. Ook de reclame in de bushokjes valt op: die is vervangen door een Hollandse kitschposter. Je verzint voor jezelf een uitdaging: als ik nu nog een blok doorloop waar kom ik dan uit? Als ik parallel aan de route terug wil, maar niet weer dezelfde straat wil nemen, hoe moet ik dan lopen? Je ontdekt geschutte paadjes achter de huizen, onverwachte speeltuintjes. Je ondergaat de schoonheid van de Oude Haven. Zelfs industrieterreinen kunnen hun bekoring hebben. Slootjes met woonboten. Soms stuit je onverwacht op een begraafplaats en kun je daar even genieten van de rust en het gezang van vogels. Op weg naar ‘s-Graveland is een boer net zijn weiland aan het gieren. Niet bepaald mijn idee van een frisse neus halen. Zo is elke dag weer een ontdekkingstocht. Het in de gaten houden van de medewandelaars is een sport geworden. Een fietser die langs me raast, scheldt me de huid vol. Of ik niet uit kan kijken, krijg ik naar mijn hoofd geslingerd met wat aangeplakte verwensingen en private lichaamsdelen! Ik heb hem niet horen aankomen door mijn oordoppen en ik schrik me een hoedje. De mevrouw die achter me loopt, haalt haar schouders op. ‘Trek het je niet aan.’ Misschien ook wel de beste reactie. Dat zijn dan je sociale contacten tijdens zo’n wandeling. Je moet het hebben van de blik van de jogger, die even glimlacht als je hem de ruimte geeft om in zijn eigen tempo te blijven lopen. Overmorgen gaat mijn zwembad weer open. De laatste week was er al druk appverkeer. ‘Zie ik je dan weer?’ Nou, ik wacht het nog even af. Welke regels gaan ze hanteren? En wanneer is eventueel de beste tijd? Probleem is dat ze liever niet hebben dat je de toiletten gebruikt, terwijl ik juist zeker weet dat na een kilometer zwemmen de nood hoog is. Om dat dan nog twintig minuten op te houden voordat ik weer thuis ben, gaat een uitdaging worden. Ook bij mijn favoriete filmtheater zal ik niet de eerste zijn die een van de vijfentwintig beschikbare stoelen wil bemachtigen. Hoe erg ik het naar de film gaan ook mis. Wel heb ik ze een idee aan de hand gedaan hoe ze de zalen coronaproof kunnen inrichten. Tijdens mijn vakantie in Finland kwam ik in een filmzaal met fauteuils en tafeltjes terecht die inderdaad de mogelijkheid bieden om afstand te houden en ook een veilige looproute te creëren. Nee, ik loop bij dat ‘nieuwe normaal’ niet voorop. Ik laat mijn krullen nog lekker even wild groeien en zie wel hoe de versoepeling van de regels zich ontwikkelt. De hooikoorts is over zijn hoogtepunt heen dus ik waag me op zonnige dagen weer in bos en heide, zo kan ik mijn coronakilootjes in bedwang houden.

Zing gewoon dat liedje

Deze week zou Rotterdam bruisen, het zou gezellig druk zijn in de stad, uitgelaten fans vanuit geheel Europa zouden samenkomen en samen feest vieren. Gisteravond zou in de Cruise Terminal de openingsceremonie van het Eurovisie Songfestival 2020 zijn geweest. De stad zou bezig zijn de miljoenen die in het organiseren van het grootste muziekfestival ter wereld zijn gestoken terug te verdienen via horeca, hotels en winkels. Zou en normaal gesproken, maar er is in een paar maanden veel gebeurd en – in eerste instantie – is terecht besloten het festival te annuleren. Op grond van de maatregelen die de Nederlandse en buitenlandse overheden hebben genomen heeft de European Broadcasting Union (EBU) besloten de stekker eruit te trekken. Een moeilijke beslissing maar het is in het belang van de gezondheid van artiesten, medewerkers, fans en bezoekers, alsook de situatie in Nederland, Europa en de wereld.

Zijn er alternatieven overwogen? Wellicht. Hoe langer ik er over nadenk hoe meer ik het eigenlijk een blamage vind dat er niet voor een alternatief is gekozen. Zwaar woog daarbij dat het songfestival een feest is waar veel mensen op afkomen en dat is een essentieel onderdeel van het concept geworden; een vol Ahoy, mensen uitgedost met vlaggen en in vrolijke kledij. Als deze randvoorwaarden er niet zijn dan is er voor de fancommunity niet veel meer aan. Zingen zonder publiek zou de ziel uit het festival hebben gehaald.

Maar na de annulering verscheen elke vrijdagavond op YouTube: Eurovision Home Concerts. Een uur lang de deelnemers die hun lied brachten vanuit de huiskamer. Daarnaast zongen ze een door het publiek gekozen cover van een oud-songfestivallied. Dat leverde mooie bijdragen op. Het vreselijke lied Hard rock hallelujah van Lordi nu gevoelig gebracht op piano, bijvoorbeeld. Wie niet kan zingen valt bij de akoestische versies meteen door de mand.

Het festival had natuurlijk op een nieuwe, andere manier door kunnen gaan. Het gaat in eerste instantie toch om het liedje, wie heeft het beste, het meest aansprekende lied? Die verkiezing was gewoon nog te realiseren. Liveoptredens vanuit verschillenden landen is technisch niet zo moeilijk te regelen. Ieder land had vanuit een eigen studio een optreden kunnen geven en Europa had kunnen stemmen zonder dat iemand de deur uit hoeft. De technische middelen hebben we en het zou beslist geen houtje-touwtje-televisie hoeven te worden, zoals de huisconcerten bewezen. Voor het gillen en de vlaggetjes had iedereen dan zelf thuis op de bank moeten zorgen. In drie avonden hadden we het hele repertoire kunnen afwerken.

Ja, maar dan zou het geen eerlijke concurrentie zijn, is het tegenargument. Het ene land heeft meer geld en middelen tot zijn beschikking waardoor de look en feel er per land verschillend uit zou zien. Daarom is een en hetzelfde podium in Ahoy nodig. Nou, laat me verklappen dat in de financiële middelen per land elk jaar al verschil heeft gezeten. Ieder land krijgt de basisfaciliteiten aangeboden – lees het decor dat opgebouwd is in Ahoy. Alles wat je extra wilt daar zul je zelf voor moeten zorgen – lees betalen. Zodoende werd de juiste lamp vorig jaar bij het optreden van Duncan Laurence speciaal met spoed vanuit België ingevlogen en was er extra laserlicht door Nederland ingehuurd. Zo liet Poetin persoonlijk zijn wereldkampioen kunstschaatsen Jevgeni Plushenko optreden om met Dima Bilan eindelijk de lang verlangde overwinning binnen te slepen. En zo zijn er allerlei voorbeelden. Als een land graag wil winnen dan kan het op allerlei fronten zijn best doen.

Het songfestival had in een nieuwe vorm – wellicht eenmalig – gewoon door kunnen gaan. In de 65-jarige geschiedenis van het festival zijn er steeds aanpassingen geweest. In 1999 besloot men definitief het orkest aan de kant te zetten en werd het lied live gezongen met een soundtrack. Toen al sprak men dat de show verworden was tot een soort soundmixshow, een verzameling MTV-clips op een rijtje. Lang daarvoor was al besloten dat ook groepen aan de competitie mee mochten doen. De puntentelling en jurering waren vaak aangepast en ook de taal waarin het liedje gezongen mocht worden. Zo had men dit jaar noodgedwongen voor een nieuw (tijdelijk) format kunnen kiezen.

Ik vrees dat de economie de doorslag heeft gegeven. De commercie achter en om de wedstrijd heen is het hoofdmotief geweest om het festival in zijn geheel af te lasten. De mogelijkheid om een deel van de geïnvesteerde miljoenen terug te verdienen voor de stad Rotterdam en Nederland zou niet kunnen worden gerealiseerd als iedereen thuis moest blijven. De opbrengst verschilt per land en varieert van 8 miljoen (Baku) tot 24 miljoen (Wenen) en daarbij rekent men ook de extra toeristen die later in het jaar naar Rotterdam en Nederland komen op grond van wat ze gezien hebben tijdens de show.

Het niet doorgaan is extra sneu voor bepaalde deelnemers die er in de lijstjes van ESC-fans en bookmakers goed voorstonden. Op de dag van annulering was Bulgarije de winnaar, gevolgd door IJsland en Zwitserland.

Inmiddels hebben de meeste landen besloten dat hun afgevaardigde artiest – gekozen of aangewezen – voor volgend jaar dezelfde blijft, alleen zal iedere artiest op grond van de EBU-regels met een nieuw liedje moeten komen. Extra zuur is het voor Litouwen, dat dit jaar ook een grote kans maakte om te winnen. Zoals de meeste Scandinavische landen houden ze daar de komende winter een nieuw selectieproces, omdat er een compleet circus van voorrondes achter zit met diverse tv-avonden die de omroepen voor geen geld willen missen.

Voor Nederland is het goed dat Jeangu Macrooy opnieuw mee mag doen, maar met een andere song. Eerlijk gezegd ben ik daar niet rouwig om, want ‘Grow’ had niet veel televoters opgeleverd en die heb je nodig om hoog te eindigen. Winnen was uitgesloten geweest, al denkt de artiest daar zelf anders over – en maar goed ook want daaruit blijkt dat Jeangu zich ten volle inzet om te winnen. De act zou opnieuw door Hans Pannecoucke zijn vormgegeven. De kracht van het liedje zat in de eenvoud en de langzame opbouw. Ze wilden die naakte kwetsbaarheid opbouwen naar iets hoopvols en euforisch. De zanger zou in zijn eentje op een leeg podium beginnen en later zouden ook de backing vocals het licht instappen. Helaas we zullen het nooit zien en weten wat het gedaan had.

In Spanje heeft men met de ingezonden clips wel een verkiezing gehouden en daar scoorde Nederland totaal niet. De Spaanse deelnemer won, maar dat is logisch als de Spanjaarden ook op hun eigen land mogen stemmen.

Het is nog de grote vraag of het lukt om volgend jaar mei het festival in Ahoy te organiseren, iedereen heeft in principe zijn bereidheid uitgesproken maar het zijn ongewone tijden, en misschien is het wel helemaal financieel niet-haalbaar en moet Nederland de organisatie teruggeven aan de EBU. De gevolgen van de economische crisis worden in de komende periode geïnventariseerd. Daarnaast heeft Rutte gezegd dat zolang er geen vaccin is er geen grote evenementen in ons land mogen plaatsvinden. Dus ESC Rotterdam 2021 is nog lang geen zekerheid. Ik zie het somber in.

Voorlopig heb ik mijn kaartje voor de halve finale nog! Ik wacht met spanning af.

Komende zaterdag krijgen we op het tijdstip van de finale een surrogaatuitzending om ons toch een beetje verbonden te voelen met elkaar, als pleister op de wonde. De deelnemers zingen een flardje van hun lied, en veel sing a long en sing together met als uitsmijter What’s another year van Johnny Logan en Shine a little light van Katharina and the Waves. Twee ex-winnaars. Ik zal er speciaal voor thuisblijven (haha).