Kattenkwaad

Die schattige huisdieren blijven natuurlijk ook als ze gedomesticeerd zijn hun oerinstinct volgen. Samen met poes Slimmie woon ik drie hoog in Kampen. Ze kan niet naar buiten, ja via het raampje van de oude douche en een bloembak kan ze op het balkon komen. Op een ochtend word ik wakker van een raar geluid. Ik mijn halfslaap kan ik niet helemaal plaatsen wat er aan de hand is. Dan zie ik mijn zwarte poes parmantig de slaapkamer binnen lopen. Ze heeft iets in haar bek. Ik schrik en denk dat het een muis is. Maar als ik beter kijk zie ik dat het een klein vogeltje is. Waarschijnlijk een huismus. Trots presenteert Slimmie haar buit. Na een rondje om het bed, legt ze de prooi naast mijn kussen. Het beestje hijgt amechtig. Ik spring op. Slimmie kijkt me verbaasd aan. Ze is trots op haar vangst en vind het raar dat ik geen waarderende woorden uitspreek over haar meegebrachte gift. Paniek wat moet ik doen? Kat en vogel scheiden dat is mijn eerste gedachte. Uit de kast pak ik een schoenendoos. Ik zoek naar een handdoek die zijn beste tijd heeft gehad en drapeer die in de doos. Slimmie staat op het bed en kijkt naar het vogeltje. Alsof ze nadenkt, wat ga ik er mee doen als de baas hem niet wil hebben? Dat is een verkeerde inschatting. Ik wil het vogeltje wel hebben, maar dan om het te redden. Voorzichtig leg ik het gewonde beestje in de doos en loop de slaapkamer uit. Slimmie volgt me meteen. Wat ga je doen?

Ik zoek naar een plek waar het beestje tot rust kan komen van haar trauma. De logeerkamer lijkt me een veilige plek. Onder het raam zet ik het op de grond. Alsof het helpt dat ze in haar benauwde staat nog naar de blauwe lucht kan kijken. Meteen zit de kop van Slimmie in de doos. Ik pak haar tegen haar zin in op en sluit de deur goed af.

De gehele dag is het een kat-vogel-baas-spel. Slimmie blijft voor de logeerdeur heen en weer lopen, start een klagelijk miauwen. Kijkt me verontwaardigd aan als ik de deur niet voor haar open doe. Ze begint te krabben aan de deurpost. Vaag hoor ik het angstige gepiep uit de kamer. Van werken en studeren komt vandaag weinig. Om het uur ga ik kijken naar de doos. Ik hoop dat het gevleugelde slachtoffer er weer bovenop komt. Ik breng wat water en broodkruimels. Het ziet er niet goed uit. Van het bestaan van een dierenambulance had ik nog nooit gehoord, laat staan van een vogelopvang.

Ik wacht het met spanning af. Evenals Slimmie die niet bij de deur weg te slaan is en zich op de grond heeft neergelegd. Het is een kwestie van afwachten. Ik vrees het ergste. Een onrustige nacht voor ons drie├źn volgt. Maar de volgende ochtend ligt het vogeltje op zijn rug. De reddingspoging is mislukt. Ik loop met de doos naar buiten en leg het dode diertje tussen de struiken. Ik zou het verder ook niet weten. Terug boven word ik met de nek aangekeken door mijn huisgenoot die een roofdier blijkt te zijn. Ik ben van slag en probeer het met een extra portie Sheba weer goed te maken. Het voelt alsof ik de misdaad beloon.

Geef een reactie