Mentor

De grond naast mijn oor is warm, om me heen fluiten de voorjaarsvogels. In de verte razen auto’s over de A27. Voor een dringend advies om vooral thuis te werken zijn er nog veel mensen onderweg. Ik lig uit te hijgen, ik moet toegeven dat ik een conditie van een oude sok heb.

Even sluit ik mijn ogen om op adem te komen. Als ik ze weer open, kijk ik tegen een blauwe hemel aan met uitbollende stapelwolken. Meteen ben ik weer een klein jongetje en probeer allerlei figuren te onderscheiden.

Sterker nog, ik lig in het hooiland van mijn vader, hij is vlakbij druk aan het werk. Hij fluit ten teken dat hij het naar zijn zin heeft. Ik verdoe mijn tijd met het verzinnen van verhaaltjes die zich in de wolken afspelen. Twee hondjes die achter elkaar aan zitten. Een grote boze beer die toekijkt. Het is een onbezorgde tijd. Ik heb nog geen besef wat zich allemaal afspeelt in de wereld. Geen flauw benul van zwarte gaten waar je in kunt verdwijnen of allerlei planeten in het uitdijende heelal lichtjaren ver weg. Of een man met een baard die me later bestraffend zal toespreken. Nee, de eerste mens moet nog op de maan landen.

Een sportvliegtuigje haalt me uit mijn dagdroom. De wolken die in eerste instantie verstard leken, trokken in vlot tempo verder, opgejaagd door de heerszuchtige wind.

Sinds kort heb ik mijn Mentor van stal gehaald. Ik ben dat eeuwige wandelen zo zat, steeds datzelfde blokje om, terwijl ik liever in het zwembad lig. Mentor ziet er nog goed uit, al moet ik hem wel uit het stof en de spinnenwebben tevoorschijn halen. Ik heb zijn banden opgepompt en de volgende dag waren ze niet leeggelopen, dus ik durf het aan om een stukje met hem te gaan fietsen.

Enkele weken geleden heb ik met een vriendin een rondje om de IJssel gefietst. Zwolle, ’s Heerenbroek, Wilsum, Kampen, Zalk en dat is zo goed bevallen dat ik me afvroeg: waarom fiets ik eigenlijk nooit meer?

En zie daar, nu maak ik dagelijks een tochtje. Ik heb de kortste en mooiste route door het bos naar het zwembad in Bussum gevonden. Met heimwee heb ik even door de glazen naar binnen gegluurd. Het water lag er rimpelloos bij. Rondje Loosdrecht, Lage Vuursche, Tienhoven, verzin het maar, de mogelijkheden in het Gooi zijn legio. Het is wel wennen als je eigenlijk jaren niet meer op een fiets hebt gezeten.

De eerste middag had ik rode strepen in mijn handen omdat ik het stuur zo krampachtig vasthield. Ik realiseerde me dat het best wel snel gaat als je het vergelijkt met lopen. Mijn achterwerk moet nog erg wennen, totaal geen vlees op de botten, terwijl ik toch dagelijks zit, maar het zal aan de onwennige beweging liggen. En mijn rechterknie speelt op. Bij een vorige vorstperiode in 2011 ben ik uitgegleden en heb ik hem geblesseerd. Zeker als het nu een beetje omhoog gaat, merk ik dat er iets aan de hand is.

Langzaam sta ik op en bestijg mijn stalen ros om terug naar huis te fietsen. Even ben ik vergeten dat er ook nog zoiets bestaat als tegenwind en dat je dan een tandje extra moet trappen. Doordat ik met een open bakkes fiets, vind een vliegje het fijn om mijn keelgat binnen te vliegen. Ik proest het uit. Niet zo handig als hoesten en niezen in het openbaar taboe is. Maar ach, wat zit ik te klagen, mijn territorium is enorm uitgebreid en ik kom nog eens ergens…

Geef een reactie