Blog

Eazzzy

Je hebt wel van die ochtenden dat je geradbraakt wakker wordt. Je hebt hoofdpijn en alles voelt klam aan. Als je je bed uitstapt heb je het idee dat je nog steeds moe bent. Of je komt niet in slaap en gaat dan maar uit puur ellende tv-kijken, in de hoop dat je door het geleuter van een talkshow in slaap valt. Op een nacht word ik wakker en hoor ik een lange reclame op RTL-4. ‘Heeft u last van pijn in de nek, schouders en rug, of wordt u wakker met hoofdpijn? Dan is het nieuwste Eazzzy topdekmatras iets voor u. De comfortabele en ergonomische toplaag zorgt voor een optimaal slaapcomfort! U wordt uitgerust wakker…’ En zo ronkt de wervende reclamestem nog even door. Mijn aandacht is gewekt.

De volgende ochtend zoek ik de site op en bestel blindelings het topdekmatras in mijn afmeting. Als het niet bevalt, kun je het pakket binnen 30 dagen retourneren. Nou, daar kan ik me toch geen buil aan vallen. Ik kan het wellicht proberen.

Na de bestelling krijg ik een bericht dat het product niet meteen leverbaar is. Een paar dagen later opnieuw: uw bestelling laat nog even op zich wachten. Ik zou toch niet beet genomen zijn? Tweeëneenhalve week later stelt een bericht van PostNL me gerust: morgen tussen 11 en 13 uur komt uw bestelling.

Ik kijk er hunkerend naar uit en verheug me op de eerste nacht proefslapen. Met gepaste afstand wordt het pakket bij me voor de deur afgeleverd. Ik open de doos, het zeven centimeter dikke matras zit dubbelgevouwen, opgerold en in plastic vacuüm gezogen verpakt. Het plastic ruikt vreemd, maar verder besteed ik daar geen aandacht aan. Vanochtend heb ik mijn bed afgehaald, zodat ik vanavond in een fris en schoon bed slaap. Ik gooi het matras over het oude en maak het bed op. Er zit wel een vouw in de topper, maar die zal er straks onder mijn gewicht snel uit gaan.

Om half elf ‘s avonds houd ik het niet meer, ik verlang naar de update van mijn bed. In eerste instantie ligt het – op de vouw na – goed en ik voel mijn lichaam ergonomisch in de toplaag zakken. Maar als ik in mijn favoriete slaaphouding ga liggen, ruik ik toch een onbestemde geur die ik niet thuis kan brengen. Het is niet zurig, maar wat eigenlijk wel? Mijn neusgaten vullen zich met de penetrante lucht en ik raak het niet meer kwijt. Het zal nieuwigheid zijn, denk ik nog. Het lukt me gewoon niet om in slaap te komen, omdat het toch behoorlijk stinkt. Alles gaat er ook naar ruiken, mijn kussen en het fris gewassen dekbedovertrek. Ik blijf worstelen en bewegen van de ene op de andere zij. De slaap krijgt me niet te pakken. Ik haal een T-shirt uit de kast en bind dat voor mijn mond en neus als een soort grote mondkap om de topper maar niet te ruiken. Het mag niet baten. Ook het schone shirt neemt de onaangename geur aan.

Terwijl ik lig te woelen, vraag ik me af wat die stank veroorzaakt? Er vormt zich een beeld in mijn hoofd. Het product was niet leverbaar, is dit een matras van iemand die het weer geretourneerd heeft? Het matras zag er ook niet meer kaarsrecht uit. Ik dacht dat dit door de wijze van verpakken kwam en dat één kant in de verdrukking was gekomen. Meteen schrik ik. Zou dit ontsmettingsmiddel zijn wat ik ruik? Wat is er met dit matras gebeurd? Het begint te jeuken op mijn rug en tussen de haartjes op mijn onderbenen. Het gaat van kwaad tot erger. Ik krab aan mijn gezicht en in mijn haar. Jakkes, mijt, neten, wantsen, schurft?!! Ik heb het niet meer. Ik spring uit m’n bed. Op de wc inspecteer ik mijn lichaam, ik denk rode bultjes te zien. Een beetje een hypochonder ben ik wel. Het gaat nog meer jeuken. In het volle ganglicht probeer ik mijn rug te inspecteren. Jan, rustig dat kan toch niet. Daarnaast blijft die vreselijke geur me omringen.

Midden in de nacht duik ik onder de douche en was grondig mezelf en mijn haar. Daarna pak ik het logeermatras om nog een paar uurtjes in de woonkamer op de grond te slapen. Ik probeer niet te denken dat ik last van jeuk heb en moet me vooral beheersen niet als een gek te gaan krabben. Van een goede nachtrust is natuurlijk geen sprake. Wat mijn eerste, heerlijke nacht moest zijn, is in een nachtmerrie veranderd.

Eén ding is duidelijk: dat matras gaat morgenvroeg linea recta terug naar Tommy Teleshopping. Ik zit al vroeg achter de laptop om te zien hoe ik dat moet regelen. Ook lees ik – te laat – de reviews van andere gebruikers, nergens kom ik een opmerking over de merkwaardige geur van het matras tegen, maar wel veel klachten van ontevreden klanten.

Ik haal terwijl ik zo weinig mogelijk probeer in te ademen, het bed af. Gooi alles in de wasmachine, met extra wasmiddel dit keer, en ik bedenk een strategie om het matras terug in de oorspronkelijke verpakking te krijgen, zoals in de retourvoorwaarden vermeld staat. In de gang klap ik het matras dubbel – de vouw is nog zichtbaar dus dat is nu in mijn voordeel – en doe het in het plastic zodat het niet meer terugvalt. Maar als ik wil gaan rollen werkt de lucht in het plastic niet mee. Ik kom tot een halve rol en krijg het gewoon niet voor elkaar. Bij de tweede poging probeer ik met één hand het plastic voor me uit te schuiven, zodat het niet om het matras blijft zitten, maar dit is ook niet de methode. Het is niet bepaald easy. Dan maar met brute kracht, ik gebruik nu het elastiek dat je om het andere matras kunt doen als middel om de flappen bij elkaar te houden. Met mijn beide knieën als klem begin ik te rollen, maar ik krijg de rol niet op het juiste formaat zodat het in de bijgeleverde doos past. Ondertussen moet ik bijna kokhalzen van de lucht. Bij de zoveelste poging probeer ik de nog steeds te grote rol in de doos te proppen, maar ik merk dat het karton dan zeker gaat scheuren. Nog één poging, dat klote matras moet erin!! Als een wilde man werp ik me op de topper. Ik begin met een zo klein mogelijk rolletje. Het zal door de woede-uitbarsting komen dat het me lukt om het ding nu tot een redelijke rol te maken. Aan het eind heb ik twee dikke elastieken klaargelegd die postbodes altijd gebruiken. Met mij gehele lichaam de rol in bedwang houdend, trek ik het eerste elastiek om het opgerolde matras. Dat lukt. Ook de tweede krijg ik erom. Nog steeds is het niet een kwestie van gemakkelijk in de verpakking laten glijden, maar ik durf nu door te drukken. Dat stinkding zal het niet van me winnen! Ik hoor het karton scheuren, maar de rol zit erin en met Gaffer tape krijg ik de doos wel gerepareerd. Na drie kwartier martelen staat het pakket klaar voor verzending. Het voelt alsof ik een vieze indringer de deur heb uitgewerkt. Tot slot kost het vier dagen luchten om die ellendige geur uit mijn slaapkamer te verwijderen.

Een blokje om

  Het voordeel van elke dag een wandeling maken is dat je je eigen buurt beter leert kennen. Door hooikoorts het bos uitgedreven loop ik letterlijk een blokje om. Er zijn verbazingwekkend veel containers in het straatbeeld. Mensen die hun huis opruimen of volledig strippen voor een verbouwing. Veel kinderspelen, het aloude hinkelen op de straatstenen uitgetekend of andere kleurrijke kinderkunst van stoepkrijt. Anderen zijn volop met de tuinaanleg bezig, waarbij sommigen – wellicht uit praktisch oogpunt – kiezen om de gehele voortuin te betegelen met grote saaie grijze betontegels. Onderhoudsvriendelijk maar niet goed voor de waterafvoer. En zeker geen lust voor het oog. Ook de reclame in de bushokjes valt op: die is vervangen door een Hollandse kitschposter. Je verzint voor jezelf een uitdaging: als ik nu nog een blok doorloop waar kom ik dan uit? Als ik parallel aan de route terug wil, maar niet weer dezelfde straat wil nemen, hoe moet ik dan lopen? Je ontdekt geschutte paadjes achter de huizen, onverwachte speeltuintjes. Je ondergaat de schoonheid van de Oude Haven. Zelfs industrieterreinen kunnen hun bekoring hebben. Slootjes met woonboten. Soms stuit je onverwacht op een begraafplaats en kun je daar even genieten van de rust en het gezang van vogels. Op weg naar ‘s-Graveland is een boer net zijn weiland aan het gieren. Niet bepaald mijn idee van een frisse neus halen. Zo is elke dag weer een ontdekkingstocht. Het in de gaten houden van de medewandelaars is een sport geworden. Een fietser die langs me raast, scheldt me de huid vol. Of ik niet uit kan kijken, krijg ik naar mijn hoofd geslingerd met wat aangeplakte verwensingen en private lichaamsdelen! Ik heb hem niet horen aankomen door mijn oordoppen en ik schrik me een hoedje. De mevrouw die achter me loopt, haalt haar schouders op. ‘Trek het je niet aan.’ Misschien ook wel de beste reactie. Dat zijn dan je sociale contacten tijdens zo’n wandeling. Je moet het hebben van de blik van de jogger, die even glimlacht als je hem de ruimte geeft om in zijn eigen tempo te blijven lopen. Overmorgen gaat mijn zwembad weer open. De laatste week was er al druk appverkeer. ‘Zie ik je dan weer?’ Nou, ik wacht het nog even af. Welke regels gaan ze hanteren? En wanneer is eventueel de beste tijd? Probleem is dat ze liever niet hebben dat je de toiletten gebruikt, terwijl ik juist zeker weet dat na een kilometer zwemmen de nood hoog is. Om dat dan nog twintig minuten op te houden voordat ik weer thuis ben, gaat een uitdaging worden. Ook bij mijn favoriete filmtheater zal ik niet de eerste zijn die een van de vijfentwintig beschikbare stoelen wil bemachtigen. Hoe erg ik het naar de film gaan ook mis. Wel heb ik ze een idee aan de hand gedaan hoe ze de zalen coronaproof kunnen inrichten. Tijdens mijn vakantie in Finland kwam ik in een filmzaal met fauteuils en tafeltjes terecht die inderdaad de mogelijkheid bieden om afstand te houden en ook een veilige looproute te creëren. Nee, ik loop bij dat ‘nieuwe normaal’ niet voorop. Ik laat mijn krullen nog lekker even wild groeien en zie wel hoe de versoepeling van de regels zich ontwikkelt. De hooikoorts is over zijn hoogtepunt heen dus ik waag me op zonnige dagen weer in bos en heide, zo kan ik mijn coronakilootjes in bedwang houden.

Zing gewoon dat liedje

Deze week zou Rotterdam bruisen, het zou gezellig druk zijn in de stad, uitgelaten fans vanuit geheel Europa zouden samenkomen en samen feest vieren. Gisteravond zou in de Cruise Terminal de openingsceremonie van het Eurovisie Songfestival 2020 zijn geweest. De stad zou bezig zijn de miljoenen die in het organiseren van het grootste muziekfestival ter wereld zijn gestoken terug te verdienen via horeca, hotels en winkels. Zou en normaal gesproken, maar er is in een paar maanden veel gebeurd en – in eerste instantie – is terecht besloten het festival te annuleren. Op grond van de maatregelen die de Nederlandse en buitenlandse overheden hebben genomen heeft de European Broadcasting Union (EBU) besloten de stekker eruit te trekken. Een moeilijke beslissing maar het is in het belang van de gezondheid van artiesten, medewerkers, fans en bezoekers, alsook de situatie in Nederland, Europa en de wereld.

Zijn er alternatieven overwogen? Wellicht. Hoe langer ik er over nadenk hoe meer ik het eigenlijk een blamage vind dat er niet voor een alternatief is gekozen. Zwaar woog daarbij dat het songfestival een feest is waar veel mensen op afkomen en dat is een essentieel onderdeel van het concept geworden; een vol Ahoy, mensen uitgedost met vlaggen en in vrolijke kledij. Als deze randvoorwaarden er niet zijn dan is er voor de fancommunity niet veel meer aan. Zingen zonder publiek zou de ziel uit het festival hebben gehaald.

Maar na de annulering verscheen elke vrijdagavond op YouTube: Eurovision Home Concerts. Een uur lang de deelnemers die hun lied brachten vanuit de huiskamer. Daarnaast zongen ze een door het publiek gekozen cover van een oud-songfestivallied. Dat leverde mooie bijdragen op. Het vreselijke lied Hard rock hallelujah van Lordi nu gevoelig gebracht op piano, bijvoorbeeld. Wie niet kan zingen valt bij de akoestische versies meteen door de mand.

Het festival had natuurlijk op een nieuwe, andere manier door kunnen gaan. Het gaat in eerste instantie toch om het liedje, wie heeft het beste, het meest aansprekende lied? Die verkiezing was gewoon nog te realiseren. Liveoptredens vanuit verschillenden landen is technisch niet zo moeilijk te regelen. Ieder land had vanuit een eigen studio een optreden kunnen geven en Europa had kunnen stemmen zonder dat iemand de deur uit hoeft. De technische middelen hebben we en het zou beslist geen houtje-touwtje-televisie hoeven te worden, zoals de huisconcerten bewezen. Voor het gillen en de vlaggetjes had iedereen dan zelf thuis op de bank moeten zorgen. In drie avonden hadden we het hele repertoire kunnen afwerken.

Ja, maar dan zou het geen eerlijke concurrentie zijn, is het tegenargument. Het ene land heeft meer geld en middelen tot zijn beschikking waardoor de look en feel er per land verschillend uit zou zien. Daarom is een en hetzelfde podium in Ahoy nodig. Nou, laat me verklappen dat in de financiële middelen per land elk jaar al verschil heeft gezeten. Ieder land krijgt de basisfaciliteiten aangeboden – lees het decor dat opgebouwd is in Ahoy. Alles wat je extra wilt daar zul je zelf voor moeten zorgen – lees betalen. Zodoende werd de juiste lamp vorig jaar bij het optreden van Duncan Laurence speciaal met spoed vanuit België ingevlogen en was er extra laserlicht door Nederland ingehuurd. Zo liet Poetin persoonlijk zijn wereldkampioen kunstschaatsen Jevgeni Plushenko optreden om met Dima Bilan eindelijk de lang verlangde overwinning binnen te slepen. En zo zijn er allerlei voorbeelden. Als een land graag wil winnen dan kan het op allerlei fronten zijn best doen.

Het songfestival had in een nieuwe vorm – wellicht eenmalig – gewoon door kunnen gaan. In de 65-jarige geschiedenis van het festival zijn er steeds aanpassingen geweest. In 1999 besloot men definitief het orkest aan de kant te zetten en werd het lied live gezongen met een soundtrack. Toen al sprak men dat de show verworden was tot een soort soundmixshow, een verzameling MTV-clips op een rijtje. Lang daarvoor was al besloten dat ook groepen aan de competitie mee mochten doen. De puntentelling en jurering waren vaak aangepast en ook de taal waarin het liedje gezongen mocht worden. Zo had men dit jaar noodgedwongen voor een nieuw (tijdelijk) format kunnen kiezen.

Ik vrees dat de economie de doorslag heeft gegeven. De commercie achter en om de wedstrijd heen is het hoofdmotief geweest om het festival in zijn geheel af te lasten. De mogelijkheid om een deel van de geïnvesteerde miljoenen terug te verdienen voor de stad Rotterdam en Nederland zou niet kunnen worden gerealiseerd als iedereen thuis moest blijven. De opbrengst verschilt per land en varieert van 8 miljoen (Baku) tot 24 miljoen (Wenen) en daarbij rekent men ook de extra toeristen die later in het jaar naar Rotterdam en Nederland komen op grond van wat ze gezien hebben tijdens de show.

Het niet doorgaan is extra sneu voor bepaalde deelnemers die er in de lijstjes van ESC-fans en bookmakers goed voorstonden. Op de dag van annulering was Bulgarije de winnaar, gevolgd door IJsland en Zwitserland.

Inmiddels hebben de meeste landen besloten dat hun afgevaardigde artiest – gekozen of aangewezen – voor volgend jaar dezelfde blijft, alleen zal iedere artiest op grond van de EBU-regels met een nieuw liedje moeten komen. Extra zuur is het voor Litouwen, dat dit jaar ook een grote kans maakte om te winnen. Zoals de meeste Scandinavische landen houden ze daar de komende winter een nieuw selectieproces, omdat er een compleet circus van voorrondes achter zit met diverse tv-avonden die de omroepen voor geen geld willen missen.

Voor Nederland is het goed dat Jeangu Macrooy opnieuw mee mag doen, maar met een andere song. Eerlijk gezegd ben ik daar niet rouwig om, want ‘Grow’ had niet veel televoters opgeleverd en die heb je nodig om hoog te eindigen. Winnen was uitgesloten geweest, al denkt de artiest daar zelf anders over – en maar goed ook want daaruit blijkt dat Jeangu zich ten volle inzet om te winnen. De act zou opnieuw door Hans Pannecoucke zijn vormgegeven. De kracht van het liedje zat in de eenvoud en de langzame opbouw. Ze wilden die naakte kwetsbaarheid opbouwen naar iets hoopvols en euforisch. De zanger zou in zijn eentje op een leeg podium beginnen en later zouden ook de backing vocals het licht instappen. Helaas we zullen het nooit zien en weten wat het gedaan had.

In Spanje heeft men met de ingezonden clips wel een verkiezing gehouden en daar scoorde Nederland totaal niet. De Spaanse deelnemer won, maar dat is logisch als de Spanjaarden ook op hun eigen land mogen stemmen.

Het is nog de grote vraag of het lukt om volgend jaar mei het festival in Ahoy te organiseren, iedereen heeft in principe zijn bereidheid uitgesproken maar het zijn ongewone tijden, en misschien is het wel helemaal financieel niet-haalbaar en moet Nederland de organisatie teruggeven aan de EBU. De gevolgen van de economische crisis worden in de komende periode geïnventariseerd. Daarnaast heeft Rutte gezegd dat zolang er geen vaccin is er geen grote evenementen in ons land mogen plaatsvinden. Dus ESC Rotterdam 2021 is nog lang geen zekerheid. Ik zie het somber in.

Voorlopig heb ik mijn kaartje voor de halve finale nog! Ik wacht met spanning af.

Komende zaterdag krijgen we op het tijdstip van de finale een surrogaatuitzending om ons toch een beetje verbonden te voelen met elkaar, als pleister op de wonde. De deelnemers zingen een flardje van hun lied, en veel sing a long en sing together met als uitsmijter What’s another year van Johnny Logan en Shine a little light van Katharina and the Waves. Twee ex-winnaars. Ik zal er speciaal voor thuisblijven (haha).

75 jaar bevrijding

Hoe ironisch of juist symbolisch is het dat we 75 jaar bevrijding niet uitbundig en groots kunnen vieren. Al jaren zijn er stemmen om dat herdenken en vieren rondom WOII af te schaffen. ‘Dat is zo lang geleden, moet dat nou zo nodig, het is een oorlog uit een vorige eeuw.’ Onterecht naar mijn mening. Als we de herinnering en de herdenking niet in leven houden, neemt de kans op herhaling toe.

Ik ben blij met de verhalen over 75 jaar bevrijding in de kranten en de programma’s die erover worden gemaakt. Onlangs nog de mooi gemaakte documentaireserie Ten Oorlog over de bevrijding van Vlaanderen op Canvas. Goed dat er zo breed wordt stilgestaan bij de meest afschuwelijke periode die ons land, die Europa ooit heeft gekend. Dat moet ook de mensen die de oorlog aan den lijve hebben meegemaakt troost geven, van de weinige overlevenden uit de kampen tot en met de stokoude veteranen. Ons medeleven en ons diep respect voor hen doet hun bij dergelijke herdenkingen nog altijd zichtbaar goed. ‘Men is ons niet vergeten.’

Anderen zeggen: inderdaad we moeten blijven herdenken, maar moeten we het niet breder trekken en andere vormen van onderdrukking, uitsluiting en vrijheidsbeperking erbij betrekken om met name jongeren aan te kunnen spreken hoe belangrijk vrijheid is.

Nou, hoe interactief, hoe aanschouwelijk, hoe aan de lijve willen we het hebben om 4 en 5 mei in een breder kader te plaatsen. De parallellen tussen WOII en coronacrisis zijn er. We waren en zijn ons leven niet zeker. We wisten en weten niet hoe lang het duurt. Het troostvolle is dat er een einde kwam aan die oorlogsverschrikkingen. Zo zal er ook een einde komen aan de huidige strijd tegen een vreselijke onzichtbare vijand. Zoals we onze bevrijders dankbaar waren, zo tonen we nu voortdurend onze dankbaarheid aan artsen, verpleegkundigen, virologen en vaccinontwikkelaars.

Als ik na een werkdag binnen nu naar buiten ga om een vleugje buitenwereld op te zuigen, moet ik vaak denken aan allen die toen ondergedoken zaten. Niet alleen Joden, maar ook verzetsmensen en jonge mensen die dreigden te werk gesteld te worden in Duitsland. Dat was wel een andere vorm van binnen moeten blijven!

De afgelopen weken merken we allemaal persoonlijk wat het belang is van vrij te zijn en vrij te kunnen bewegen. Dit scenario had geen spindokter van het Nationaal comité 4 en 5 mei kunnen of willen bedenken toen vorig jaar de vraag ter tafel kwam hoe gaan we 75 jaar bevrijding aanpakken?

Dit jaar is in dat opzicht een heel leerzame 4 en 5 mei. ‘One has to remember in order to belong.’ Herdenken – met al zijn rituelen – is een gedeelde manier waarin we ons in het hier en nu verhouden tot het verleden. De 2-minuten-stilte, kransleggingen, Last Post en al die andere tradities geven ons een gezamenlijke identiteit en zorgen voor gedeelde emoties. Door de maatregelen tegen coronabesmetting zijn allerlei normen, waarden en rituelen onder druk komen te staan, zoals het dicht bij elkaar ‘samenscholen’ om te herdenken of uitgelaten dansen op de drukbezochte Bevrijdingsfestivals.

Waar we nu behoefte aan hebben is vooruitkijken naar een toekomst, naar een andere samenleving en naar een wereld waarin we hopelijk weer iets herkennen van ons normale leven. Met onze normale vluchtwegen. Maar dat ‘normale’ leven en die ‘normale’ vluchtwegen zijn er mede omdat wij 75 jaar geleden door de geallieerden bevrijd zijn van de nazi-onderdrukking.

Ik hoop dat we volgende jaar de bevrijding van het coronavirus kunnen vieren. Over de periode daarvóór maak ik me weinig illusies. En dat we dan – meer bewust – in volledige vrijheid met elkaar kunnen leven.

Koningsdag, wat nu?

Vandaag is de ultieme test. Als er één dag in het jaar is waarop we met z’n allen naar buiten gaan, in drommen feest gaan vieren, is het Koningsdag. Kunnen we ons beheersen om binnen te blijven? Het oranjefeest zit ons zo in het bloed. We dossen ons uit in de meest vreselijkste kleuren oranje. We willen met de kinderen naar de kleedjesmarkt. We willen bij dat lokale bandje dat elk jaar op de markt speelt, onze vrienden om de hals vallen en lauw bier drinken. Mensen die we een jaar lang niet tegen zijn gekomen, willen we hartelijk kunnen knuffelen. We willen onderuit gezakt op een terrasje zitten en een vieze vette hap eten.

Maar dit jaar wordt er soberheid van ons verwacht. Het is zuur, of in dit geval oranjebitter. We moeten thuisblijven en mogen allemaal de vlag uithangen, en toe vooruit een oranje wimpel – indien voorradig – mag er ook nog bij. Als alternatieve viering worden we om tien uur vanochtend uitgenodigd om gezamenlijk het Wilhelmus te zingen. Buiten op het balkon, voor de voordeur of in onze eigen tuin. Als blijk van onze onderlinge saamhorigheid.

Even een gedachten-experiment. Stel nou dat we die app waar het kabinet zo druk mee was op de appathon al hadden en daarbij zou de overheid kunnen zien of we wel gehoor geven aan deze oproep. Onze mobiel detecteert of we om stipt tien uur buiten ons huis zijn, en of er wel luid wordt meegezongen. Zo niet dan krijg je een rood scherm of een laatste waarschuwing om alsnog in te haken anders zullen er sancties volgen. Verplicht weken binnen zitten zou in dit geval geen straf zijn, maar strafpunten als we ooit zorg nodig hebben of onder aan de wachtlijst geplaatst worden, zou ons misschien wel gevoelig maken om ‘vrijwillig’ mee te doen.

Ja, want dat zijn in mijn geestesoog de gevolgen van het downloaden van zo’n app, ook al zou dat niet verplicht worden, wat kan en doet men er verder mee? Oké, ik weet dat heel veel van mijn privézaken al op straat liggen, omdat ik dagelijks Google gebruik, maar het idee dat mijn gangen worden nagegaan staat me niet aan. En zeker niet de haast en de houtje-touwtje manier waarop er aan zo’n applicatie gewerkt wordt. Ik ben sowieso niet van de apps op mijn mobiele telefoon. Laatst met tegenzin uiteindelijk Tikkie geïnstalleerd. Ik weet niet, maar ik ben toch wantrouwig. Hoewel ik al jaren via mijn laptop bankier, hangt om zo’n app voor mij toch een zweem van onveiligheid en chantagemogelijkheden.

Ben ik blij dat op de persconferentie afgelopen dinsdagavond even niet meer over de corona-app werd gesproken en dat men hopelijk nu wel in de gaten heeft dat de organisatie daarvan niet in veertiendagen geregeld kan worden. Of dat het anders een ondeugdelijke, niet-veilige app oplevert.

Terug naar Koningsdag, iemand heeft ‘Woningsdag’ bedacht, bewaar me!! Volgens mij een idee van de Koninklijke Bond van Oranjeverenigingen. Naast het zingen van het Wilhelmus, is er ook een digitale kleedjesmarkt om twaalf uur, en een digitale thuistoost om vier uur. Alsof ik doordat ik binnen zit, debiel ben geworden en zelf niet kan bedenken hoe ik maandag 27 april, toevallig Koningsdag, moet doorkomen. Nou, zoals elk jaar met Koningsdag trek ik mijn eigen plan. En misschien is het juist wel fijn dat ik me deze keer niet in het feestgedruis hoef te begeven, en dat ik me daar dan ook niet schuldig over hoef te voelen. Fijne dag, vandaag!

Zonnestralen

Eigenlijk zou ik deze week met een vriendin naar Ierland gaan. Ons hoofddoel was Galway waar we elkaar vijfentwintig jaar geleden hebben ontmoet. Deze plannen staan voorlopig in de ijskast en daarom zoek ik naar het dagboek van die vakantie. Erg frustrerend als je die niet kunt vinden. Wel kom ik het schrift van een jaar later tegen toen ik voor de tweede keer naar dat fantastische land ging. In een heerlijk zonnetje nestel ik me op de bank en blader door mijn notities. Bonnetjes, kaartjes, flyers, bierviltjes en andere souvenirs vallen op de grond, ze zitten her en der tussen de pagina’s. Het duurt niet lang of ik ga volledig op in mijn vakantie een kwart eeuw geleden.

Ik lees de eerste pagina nog eens. De vakantie heeft een motto, dat moet ik van te voren bedacht hebben, want het is het eerste dat geschreven is. “Traveling that’s the shit, man. Het sterkt lichaam en geest. Sommige mensen zeggen dat vakantie niets met de realiteit te maken heeft, maar vertel mij dan eens welke levensstijl wel reëel is? Wat is dan wel echt?”

Via de vlucht naar Dublin begin ik de reis zo noordelijk mogelijk in Donegal, en zak dan steeds verder met de bus af langs de westkust naar het zuiden. De eerste dagen regent het vaak en dat slaat over op mijn stemming. Uit mijn verslag merk ik dat ik een beetje met mijn ziel onder mijn arm rondloop. Gelukkig is er in Sligo een Marc Chagall tentoonstelling, en sta ik voor het eerst oog in oog met zijn kleurrijke kunst. Het maakt een onuitwisbare indruk op me.

Na een paar dagen ben ik in Galway en logeer in hetzelfde hostel waar de ontmoeting plaatsvond. Het voelt als thuiskomen en vanaf dat moment verdwijnen de sombere gevoelens. Met de boot ga ik naar de Arans Islands, die in de jaren daarna voor ons beiden een soort toevluchtsoord zullen zijn. Ik huur een mountainbike en verken het eiland. De vele stenen muurtjes zorgen voor een grijze worm door het golvende groene landschap. Je vindt er veel Keltische resten zoals kruizen en graven. Ik moet opletten dat ik links blijf fietsen, soms vergeet ik dat gewoon en dat kan bij een bochtig parcours lelijke gevolgen hebben. Keep left, Johnny! Op de terugweg ontdek ik dat ik verbrand ben door de zon. Zo snel kan het weer in Ierland omslaan.

Het grote avontuur begint in Bantry. Daar laat in mijn zware rugzak achter en met een minimum aan bagage en een gehuurde Falcon Explorer fiets ik een paar dagen over het schiereiland Beara. Van de drie landtongen die daar liggen de minst toeristische. Hier kun je nog vast komen zitten in een kudde schapen die midden op de weg staan en fiets je niet tussen alle touringcarbussen die de Ring of Kerry doen in een dag.

De tocht naar Glengariff gaat naar beneden, dat is lekker om mee te beginnen, bearable, zeker als je niet vaak meer op een mountainbike zit. Het woeste landschap, het vele groen, de heuvels, de puntige rotsblokken, de meertjes en de verrassende baaien. Hier valt de puzzel in elkaar, daarom houd ik van dit land! ‘And God created this, its fucking unbelivable,’ staat er met uitroeptekens in het dagboek. In Castletownbere las ik een rustpauze in. Mijn lunch uit de lokale supermarkt verorber ik op de trappen van de kerk. Een andere biker, een Ierse accountant die in Londen werkt, houdt me gezelschap. Hij raadt me aan te overnachten in Allihies en vraagt me de groeten te doen aan zijn vriend die daar nog logeert. De kabelbaan naar Durland Island is helaas afgesloten vanwege filmopnamen, dus een tijdelijk verblijf tussen de Jan-van-genten zit er vandaag niet in. Als ik daar later met de vriendin nog eens terugkeer, blijkt het een gammele constructie te zijn waarbij je eerst een kruisje wilt slaan omdat je niet zeker bent of je heelhuids de overkant zult bereiken.

Allihies blijkt een gat te zijn: vier pubs en een kerk. Als je hier een scheet laat dan ruikt iedereen het. Het hostel wordt gerund door een Duitser en is erg klein, maar ik heb een bed voor vannacht. In de kroeg drink ik mijn eerste Guinness van die dag. Het viltje spreekt van ‘Scenes from an Irish Summer’. Het zou een mooie titel voor een boek kunnen zijn. Aansluiting is zo gevonden, want de gasten aan de toog zijn nieuwsgierig naar verhalen, en omgekeerd. Het zijn vissers, ze vertellen over hoe ruw de zee hier kan zijn. De mannen van de safequard moeten vaak in een roeibootje uitrukken. Het zijn stoere mannen met stoere verhalen. ‘Fisherman don’t go to hell,’ zingen ze luid als toegift. Buiten – want de temperatuur is nog lekker – ontmoet ik medetoeristen. Richard (Waal) en John (Brit) en Henry (local) die achttien jaar geleden naar dit dorp is gekomen om er fiction te gaan schrijven. ‘Moet je ook doen. Er staan hier veel huizen te koop. Je zult je wel moeten aanpassen aan de regels hier, maar dan heb je een goed bestaan.’

Ik vraag wat hij aan het schrijven is. De laatste tijd is hij echter meer aan het klussen bij allerlei mensen in Allihies en omgeving. De schoorsteen kan blijkbaar niet roken van het schrijven alleen. Ook Richard en John bivakkeren hier al langer en ze proberen me over te halen een tijdje te blijven. Ik lach het aanbod weg. Met veel bier en goed gezelschap blijf ik langer in de kroeg dan ik misschien gewild had, want morgen moet er natuurlijk gewoon gefietst worden.

De volgende ochtend ga ik op aanraden van de jongens toch eerst even langs de tra, het strand. Een prachtig zandstrand – Spanje zou er jaloers op zijn. De zee ligt er rustig bij. Ik durf een ochtendduik te nemen, mede omdat een aantal jonge Paddies me al voor zijn gegaan. Als ik op de fiets stap staat de zon alweer stralend aan de hemel. Het begin is erg steil en ik moet flink op de trappers staan. Dat valt niet mee, soms loop ik een stuk met de fiets aan de hand. Had ik gisteravond ook maar niet zo moeten drinken, flitst door me heen. Ik vraag me af of ik Kenmare wel ga halen en kijk of er een andere route is. Uiteindelijk zeg ik tegen mezelf dat ik toch geen mietje ben en ga ervoor. De route gaat langs de kustplaats Eyeries en er is tot mijn verrassing ook nog een gedeelte bos, dat voor de nodige verkoeling zorgt, want het brandt hard op mijn ingesmeerde velletje. De laatste vijftien kilometer naar Kenmare is vlak, dus ook vandaag zal ik slagen in mijn missie. De douche in het hostel is weldadig en ik verlang naar een hapje in een gezellig restaurant. Ik gun mezelf niet echt tijd om lang op verkenning uit te gaan. Als de inrichting en het menu me aanstaan, vraag ik om een ‘table for one’. Terwijl ik op de grilled salmon wacht, merk ik commotie om me heen. Naast me zit een typisch Engels gezin, aan hun taalgebruik te horen. De vrouw draagt een sweatshirt van Fruit of the loom en een grote zwarte Ray-Ban, hoewel binnen de zon absoluut niet schijnt. Haar man lijkt regelrecht uit de serie Who pays the ferryman weggelopen. Het gezin is compleet met twee kleine kinderen. Maar er is duidelijk iets aan de hand. De vrouw wenkt het meisje dat ons bediend. Ik zie haar in mijn richting knikken en even later verkast het gehele gezin naar een ander tafeltje. Als het meisje later mijn zalm serveert doet ze alsof er niks aan de hand is, maar ik vraag me toch af wat er mis is. Nadat ik me het gerecht heerlijk heb laten smaken, ontdek ik in de spiegel op het toilet wat het probleem is. Ik zie een vuurrood hoofd – what’s new – maar daaroverheen allemaal witte schilfers alsof ik zwaar psoriasis heb. Tja, als ik daar tegenaan moest kijken zou mij de eetlust ook vergaan! Ik maak dat ik zo snel mogelijk het restaurant uitkom, en knik nog even schijnheilig vriendelijk naar het Engelse gezin als ik langs hun nieuwe tafeltje loop. Met Zwitsal crème probeer ik de ergste vellen een beetje te maskeren. Dat wordt vroeg naar bed vanavond, ik durf de deur niet meer uit.

De volgende dag ben ik bijtijds wakker, maak een ontbijtje en probeer de schade aan mijn gezicht zoveel mogelijk te herstellen. In de bescherming van de groene heggen leg ik de laatste vijfenveertig kilometer richting Bantry af. Zo vroeg is het nog heerlijk rustig, en kan ik volop van het golvende uitzicht genieten. Al voel ik me wel gebrandmerkt en heb ik het idee dat zelfs de schapen vandaag de andere kant opkijken.

Nationaal verkeersexamen

Het is mooi winterweer. Zo rond half elf rijden we met de ENG-wagen naar Almere. Achter ons rijdt een leswagen van rijschool Jan ter Beek uit Bussum. Voor het SBS6-televisieprogramma ‘Het nationaal verkeersexamen’ zijn we onderweg naar Ali B voor zijn eerste rijles. In de straat met rijtjeshuizen parkeren we en ik bel aan bij het adres dat op het callsheet staat vermeld. Geen reactie, nog maar eens bellen, nog steeds geen reactie. Terug naar de auto, klopt het adres wel?

De rijinstructeur stapt ook uit de leswagen. ‘Is hij er niet?’

‘Geen flauw idee. Het adres moet kloppen volgens productie. Ik zal zijn mobielnummer eens proberen.’

Ook daar wordt niet opgenomen. Wat te doen? Nog een keertje op die bel hengsten dan maar. Tring… trin… tring…

Op het moment dat ik wegloop, gaat boven een raam open. Een enorme bos donkere krullen komt onder het gordijn vandaan.

‘Hé, hallo, ik zoek Ali B.’

‘Gevonden, man.’

Ik moet eerlijk bekennen dat ik hem niet had herkend, want de pas doorgebroken jonge rapper ken ik alleen van zijn petje met die enorme klep, dat daar zo’n bos krullen onder schuilgaat had ik nooit verwacht. ‘We zijn hier voor je eerste rijles.’

‘Ja, dat is waar ook. Sorry, man, helemaal niet meer aan gedacht. Geef me vijf minuten, ik kom eraan.’

We wachten bij de geprepareerde lesauto. Er zitten diverse kleine cameraraatjes op het dashboard gemonteerd om zowel de leerling als de instructeur te kunnen filmen. De vaste cameraman zal afwisselend op de achterbank meerijden of bij ons in de ENG auto de rijles volgen. We nemen nog eenmaal de instructies door en checken of de techniek werkt. Zes minuten later staat Ali in vol ornaat zoals we hem kennen bij ons. We schudden handen en ik leg uit wat de bedoeling is.

We filmen het instappen van Ali op de bestuurdersstoel. Zonder een hapering rijdt de leswagen weg. Na een rondje rijden ze de straat weer in. Daarna stapt de cameraman achter in, en laat ik Ali nog een keer plaatsnemen achter het stuur. Zo de eerste meters zijn gemaakt. We volgen hen snel met onze auto. Via de zenders kunnen we het gesprek in de lesauto volgen. Het klikt meteen tussen de kersverse leerling en de al wat oudere instructeur.

‘Was het laat gisteravond. Mag ik Ali zeggen?’

‘Ja, man….’

We komen er al snel achter dat dit niet de eerste keer is dat Ali achter het stuur zit.

‘Ja, ik heb weleens in de auto van een neef gereden, man.’

‘Wel meer dan een keertje, merk ik,’ zegt de instructeur lachend.

Ali blijkt een snelle leerling, een pittige rijder die af en toe in zijn enthousiasme een beetje moet worden afgeremd. De lessen die we van hem filmen zijn een prettige ervaring.

Een ander verhaal is dat met Kelly. Voor haar is het de tweede keer dat ze aan het programma meedoet. Vorig jaar is ze gezakt voor het schriftelijke examen. We hebben voor haar een rijschool in Utrecht gevonden, ondanks dat ze in Hilversum woont. Ze doet opnieuw een poging om op deze manier haar rijbewijs te halen. Als item-regisseur zijn de rijlessen van Kelly een cadeautje. Haar chaotische rijden zorgt voor veel materiaal – er moet van haar rijlessen een reportage worden gemaakt. Het is moeilijk kiezen tussen de dingen die er misgaan tijdens de rijlessen en haar vaak hysterisch gillende reacties erop. Ik heb soms medelijden met de instructeur, al zal die in zijn beroep wel gewend zijn aan brokkenpiloten.

Op paaszondag is de live-uitzending. In de televisiestudio leggen de vier BN’ers die meedoen aan dit programma eerst hun theorie-examen af. Als ze daarvoor slagen, mogen ze diezelfde avond afrijden voor hun praktijkexamen in een vooral regenachtig Hilversum. Ik begeleid Ali die avond. Hij is in eerste instantie best een beetje nerveus, maar al snel heeft hij z’n rapperpraatjes weer gevonden.

Het spreekt voor zich dat Ali B. met glans slaagt voor beide onderdelen en met het roze papiertje de studio later die avond verlaat. Voor Kelly houdt het halverwege de uitzending op met het opnieuw niet halen van de vereiste voldoende voor de theorie. Ze zal volgend jaar opnieuw een poging doen.

Leren alleen te zijn

Het alleen-zijn in isolatie voelt voor mij persoonlijk niet als een ingrijpende verandering van mijn levenssituatie. Ik vlieg niet gillend tegen de muren omhoog, ik ben niet meer tegen mezelf gaan praten dan ik al deed. Ik ben dit gewend. Dit overvalt me niet, ik leef zo. Thuisblijven is voor mijn geen straf. Mij valt het niet moeilijk om te voldoen aan die ene opdracht die de overheid gesteld heeft. Het heeft misschien met mijn keurig gereformeerde opvoeding te maken, maar ook met mijn karakter. Ik snap dat thuisblijven en afstand houden nodig is en als dat de enige manier is om meer leed te voorkomen dan werk ik daaraan mee. Als het betekent dat ik familie, vrienden en collega’s niet mag bezoeken, ontmoeten en beet kan pakken dan ben ik bereid dat offer te brengen. Ik heb geen zin om met ademklachten op een ic terecht te komen, dat lijkt me vreselijk, een zekere horror zelfs. Dus ik doe er alles aan om dat te voorkomen. Ik wil niet iemand besmetten of door iemand besmet worden.

Wel verbaas ik me over mensen die toch hun eigen gang gaan. Als ik bij het boodschappen doen nog steeds zie dat een stel samen naar de supermarkt gaat, stijgt mijn verbazing. Inwendig kan ik daar erg kwaad om worden, maar ik ga niet de discussie aan, ik kan niet instaan dat ik mijn verwijt dan speekselvrij zal uiten. Mensenlief, blijf thuis! Nee, hoor, de man hobbelt lekker achter vrouwlief aan de winkel in en vormt daar een extra hindernis in de al krappe winkelgangen. Man, neem even tijd voor jezelf, is dat nou zo moeilijk? Ik zou in zo’n situatie – het de gehele dag op elkaars lip zitten – juist blij zijn dat de ander even weg was.

Idem als ik buiten wandel. Ik begrijp dat als je kleine kinderen hebt dat je die niet alleen thuislaat, maar ik zie ook complete gezinnen waarvan de pubers braaf achter pa en ma aansukkelen. Kunnen mensen dan echt zichzelf niet meer vermaken? Hebben ze niet de gezonde behoefte om even een uurtje zonder die ouders te zijn? Ben ik daarin zo’n rare uitzondering?

De vele sociale acties en uitdagingen die op Facebook worden bedacht, overvallen me. Als ik erover nadenk, snap ik de reden en de goede bedoeling erachter. Mensen zoeken ontspanning, ontsnapping uit die bulk aan coronaverhalen en nieuwsfeiten waar je absoluut niet vrolijk van wordt, dus waarom niet elkaar opdragen om een jeugdfoto van zichzelf op Facebook te plaatsen. Daarmee heb je wat omhanden. Waar zijn de oude fotoalbums? Welke foto zal ik plaatsen? Welk jaar was het? Het bladeren door het fotoboek brengt de nostalgie van die goede oude tijd terug en de daarbij horende herinneringen. Maar was alles toen echt beter? Trouwens je bent er ook even zoet mee, want hoe krijg je die analoge foto nou online? Dus mocht je je echt vervelen, omdat je thuis moet blijven dan kun je alle foto’s scannen en je albums digitaliseren. Achter die uitdaging zit nog een ander slim idee. Doordat je de opdracht via de persoonlijke berichtenbox moet geven, heb je meteen een aanleiding om er nog een berichtje achteraan te sturen: hoe gaat het, houd je het een beetje voel, heb je geen klachten? Kortom socialising.

Toch overviel het me vorig weekend. Wil je er echt in meegaan dan ben je daar zo ineens heel druk mee. Ik ging me zelfs schuldig voelen dat ik mensen aan het werk zette en stuurde snel een berichtje dat ze zich niet verplicht moesten voelen om nog weer een nieuwe foto te zoeken voor de zoveelste uitdaging omdat ze een like hadden gestuurd. Lief en leuk, goed bedoeld, maar ik ben al snel met deze kettingreactie gestopt. Ik hoef niet te bedenken wat kan ik nu toch eens gaan doen? Help, ik verveel me.

Als ik een maand geleden mijn cocon wilde ontvluchten, ging ik naar de bioscoop. Heerlijk twee uur in het donker zitten en me helemaal laten meevoeren. Nu krijg ik om aan die filmbehoefte te voldoen allerlei apps om thuis het huidige aanbod te blijven kijken. Movies That Matter waar ik anders zou zijn geweest, IDFA en IFFR, ze bieden me volop keus. Ook Cineville gaf me een code. Op zondagmiddag logte ik op de laptop in en kwam er achter dat het toch een andere filmbeleving is. De zon scheen en ik betrapte me erop dat ik snel was afgeleid, me niet liet meeslepen door het verhaal en zelfs in de keuken stond om thee te zetten, terwijl de film gewoon doorliep. Ik had hem niet eens op pauze gezet. Dat was dus geen goed idee, toch maar dat hmi-kabeltje zoeken om de verbinding met mijn televisie te leggen en wachten tot het ’s avonds donker is, om dat echte filmgevoel te benaderen.

Ik kan heel goed alleen-zijn. Loop ik daardoor nu voor de troepen uit? Het is niet zo dat ik mensenschuw ben of mensen uit de wegga, maar ik merk nu eens te meer dat mijn leven al jaren zo in elkaar zit en dat ik daar zelf vaak geen moeite mee heb. Ik heb geleerd alleen te zijn. Misschien wel tegen mijn zin in, maar het is eenmaal zo gelopen. Als ik er problemen mee zou hebben, zou ik wel actief naar een oplossing gaan zoeken, toch? Vertoon ik ontwijkend gedrag, probeer ik door bijvoorbeeld veel te werken, niet met mijn alleen-zijn geconfronteerd te worden? Dat zou kunnen en dan is het goed om daar eens bij stil te staan en over na te denken. Deze crisis zorgt er wellicht voor dat we iets meer gaan nadenken over ons leven, over ons functioneren, over de dood misschien en wat we nu echt willen… wat is een goed leven? Misschien zitten we nu nog volop in de overlevingsmodus en gunnen we ons daar op dit moment de mogelijkheid niet voor. Maar ik heb altijd al gedacht: het moet toch niet zo zijn dat ik eerst tegen een boom moet rijden voordat ik het leven dat ik heb, ga waarderen. Die gedachte brengt deze crisis bij mij naar boven. De komende weken is er tijd genoeg, want dit gaat nog wel even duren. Dat deze crisis niet in een vloek en een zucht over is, staat voor mij als een paal boven water. Ik heb me er op ingesteld. En dan is de ellende nog niet voorbij. Vervolgens moeten we mondiaal de geknakte economie weer opgang brengen, als we dat kunnen en willen…

Troost tv

Stoppen op je hoogtepunt of stoppen als de rek eruit is. Afgelopen vrijdagavond kwam er een bewogen einde aan vijftien jaar De Wereld Draait Door. Tot zover. Een ander afscheid dan iedereen in gedachte had. De laatste weken zat Matthijs van Nieuwkerk zonder publiek in de studio en de gasten op gepaste afstand van elkaar. Het format paste zich aan deze veranderde tijd aan. Plotseling werkloze artiesten gaven een klein optreden op het podium van de gedeelde smart.

Er gingen petities rond dat Matthijs moest blijven, zo’n ankerpunt in onze televisiegeschiedenis mocht er niet op deze wijze tussenuit piepen. Juist nu we het programma zo hard nodig hebben, want het is een steun en symbool van hoop geworden waar we nu niet zonder kunnen. In samenwerking met cabaretier Paul Haenen werd in de nachtelijk uren – de tijd waarop DWDD herhaald zou worden – Troost-TV uitgezonden. Vrolijke en troostrijke programma’s uit de oude doos die men nog eens graag terug wilde zien, zoals Love Letters, Spel zonder grenzen, Jiskefet, RUR of Van Kooten en de Bie.

Naar de televisie kijken kan van weinig of geen betekenis zijn, maar ook van grote waarde. Het medium heeft verschillende functies. Allereerst het vervullen van de behoefte aan informatie en het interpreteren van informatie. Moderne samenlevingen bestaan met behulp van informatie; ze overleven alleen als hun burgers goed geïnformeerd zijn. De interpretatie van de enorme hoeveelheid informatie kan misverstanden en paniek bij het publiek voorkomen. Televisie houdt de mensen op de hoogte en brengt de wereld voor hen in beeld: de wonderen van de zee, de landing op de maan, de erbarmelijke omstandigheden in vluchtelingenkampen, het wordt hen allemaal thuisbezorgd.

Een tweede functie is amusement. Vaak moeilijk van informeren te onderscheiden. Veel informatie bevat amusementswaarde en veel amusement informeert of draagt bij tot het waardensysteem van het individu. Amusement kan de horizon van de kijker verbreden, maar heeft als belangrijkste functie dat het mensen de gelegenheid biedt tijdelijk te ontsnappen aan hun spanningsvolle bestaan. Historisch gezien heeft iedere samenleving bepaalde ontvluchtingsmogelijkheden nodig voor haar burgers, variërend van orgiën en dramatische rituelen tot alcohol en drugs. Het medium tv is daarbij vergeleken onschuldig vertier, een ontsnapping die goedkoop is, onmiddellijk werkt en sociaal volledig geaccepteerd is. Het stelt mensen in staat te lachen, ergernis te koesteren, woedend te worden, de tijd te doden of een traan weg te pinken.

Socialisatie wordt gezien als derde taak. De tv laat vaak, zonder dat programmamakers zich daarvan bewust zijn, zien hoe men zich hoort te gedragen, wat goed is en wat slecht, wat ‘in’ is en wat ‘uit’. Dit socialisatieproces kan bijdragen tot de eenwording van de samenleving: zij geeft een beeld van hoe ‘men’ denkt, oordeelt, handelt en optreedt.

Een andere functie, verband houdend met socialisatie, is opleiding. In de mediawet is dit element ook opgenomen en onder andere documentaires en achtergrondprogramma’s vallen onder deze educatieve taak.

De laatste functie die ik in dit rijtje wil noemen, is het bewaken van de samenhang in de samenleving. Televisie kan een bijdrage leveren tot een verantwoordelijke maatschappij. Om deze functie waar te maken, moet de tv aanhoudend aandacht besteden aan de noden en misstanden in de samenleving. Televisie heeft als zodanig een waakhondfunctie doordat het wantoestanden aan de kaak stelt en zo probeert een sociale verandering op gang te brengen.

Op papier klinkt dat natuurlijk erg mooi en misschien een beetje hoogdravend, het heeft alles te maken met hoe groot je het belang van televisie inschat en welk mensbeeld je hebt. Voor veel mensen – zeker nu en vooral voor ouderen – is de televisie het verbindingsnetwerk met de samenleving. Tv is een belangrijke psychologische compensatie voor de gevoelens van frustratie, vervreemding en eenzaamheid of het gebukt gaan onder ziekte, baanloosheid en andere soortgelijke problemen. Televisie is het altijd beschikbare gezelschap. Mensen beleven haar als een vriendelijke gast, sympathiek, interessant en altijd stof tot gesprek biedend. Televisie geeft mensen het gevoel ergens bij te horen. Het grijpt ons aan wanneer we beelden van de neergehaalde MH17 zien of een aardbeving in Groningen. We beleven een immens gevoel van betrokkenheid wanneer het Nederlands elftal het EK wint. Televisie stelt ons in staat mee te leven. In goede en kwade dagen. Met vreugde en leed.

Ten slotte komen we bij de troostfunctie van het medium. Theoloog en oud-directeur IKON, Wim Koole heeft er een geweldig proefschrift over geschreven en hij was een bron van informatie bij

mijn eindscriptie theologie waarin ik de mogelijkheden van televisie onderzocht voor godsdienstige communicatie.

De vraag naar troost leeft op. Of je het nu religieus wilt invullen of ziet als een open speurtocht naar antwoorden op de dilemma’s van onze tijd. Er is geen algemene definitie voor troosten, maar we weten allemaal wat we ermee bedoelen en bovendien, troost is voor iedereen weer iets anders. Waar de een een arm om zich heen nodig heeft, heeft de ander meer aan woorden en weer iemand anders heeft iemand alleen in de omgeving nodig. Als je troost kunt bieden, wil dat niet zeggen dat het oplossingen zijn. Daar zit men over het algemeen ook niet op te wachten, temeer omdat die er meestal niet zijn en alles wat je aan oplossing bedenkt, is niet waar de persoon op zit te wachten.

‘Troost’ definieert Koole als ‘het leren leven met het onvermijdelijke’. In eerste instantie zoeken mensen troost bij vrienden en familie. Maar volgens Koole heeft televisie een paar extra dimensies. Televisie heeft de kracht individuele mensen bij een gemeenschappelijk gevoeld leed te betrekken. Een voorbeeld daarvan is de nationale rouw rond de MH17-ramp. Ik weet zeker dat de beelden van de vliegtuigen die de kisten van de slachtoffers terugbrachten en de stoet van lijkwagens door het land veel mensen tot troost zijn geweest. Door de televisie kon men het meemaken, het is een medium dat de samenleving bindt. Dat moment blijft je bij, ondanks het feit dat het leven doorgaat.

Als je de afgelopen maand naar de tv keek, journaal of talkshows, dan werd je daarvan niet vrolijk, maar wat dichter Gerrit Komrij ooit de ‘treurbuis’ noemde, zou wel eens voor miljoenen een ‘troostbuis’ kunnen zijn. Het kan ons leren omgaan met het onvermijdelijke waar we geen macht over hebben. De beeldbuis is het altijd beschikbare gezelschap dat met programma’s over menselijke ervaringen erkenning en herkenning aanbiedt. Erkenning omdat ik in gesprekken met medemensen elementen van mijn eigen zorgen terugzie. Herkenning omdat ik tot mijn geruststelling kan vaststellen: ik ben niet de enige die daarmee zit. Eventueel: met hem of haar vergeleken heb ik niets te klagen. Mensen hebben behoefte in de donkere coronatijden een hoopvol en positief geluid te horen. Welnu: de NPO gaat door met Troost-TV, en niet alleen in de nachtelijke uren maar juist op primetime op NPO3. Dat past in het voornemen om op alle fronten de komende weken meer troost te bieden. Zo worden ook oude series als Zeg ‘ns Aaa binnenkort herhaald.

Een frisse neus

In deze tijden van corona – al mag ik dat niet schrijven van de taalrubriek in de Volkskrant omdat het nu al een cliché is – moet je creatief zijn. Dagelijks een uur wandelen op de hei is het nieuwe zwemmen voor mij geworden. Het verzet even de zinnen tijdens de quarantaine. Op de Zuiderheide zijn allerlei routes mogelijk: fietspaden, ruiterpaden en kruip-door-en-sluip-doorpaden. Het is er druk, want veel mensen willen zo even een frisse neus halen. Dus moet je soms uitwijken om niet in kluitje hondenbezitters terecht te komen, die zich niet echt aan de houd-afstand-regel houden. Het is lang geleden dat ik zoveel honden heb gezien. Ik denk dat de vele hondenuitlaatbedrijfjes die het Gooi rijk is slechte tijden doormaken want iedereen laat nu zijn eigen hond weer uit.

Ik heb mijn oude Ipod meegenomen. Die gebruik ik niet dagelijks maar het uiterst compacte apparaatje gaat wel altijd mee op vakantie. Het roept meteen allerlei herinneringen op. Hij staat vol met mijn favoriete muziek die je bij je zou willen hebben als je op een onbewoonbaar eiland (hic) zit. Op de cadans van het Talking Headsconcert Stop making sense heb ik er stevig de pas in. Ik moet wel opletten waar ik mijn voeten neerzet, want nog een blessure erbij zou niet fijn zijn. In het begin van de week is het prachtig lenteweer en zie je veel moeders met kinderen, sommigen hebben van een oud kleed een alternatieve schoolklasje gemaakt. Even verder wordt er gevliegerd en een aantal jongetjes zijn bezig een boomhut te bouwen. Het kan nu allemaal. In de lucht scheren de sportvliegtuigjes van het vliegveld Hilversum af en aan. Het gepruttel van de zuigermotoren zorgt zo voor extra leven in de brouwerij. Ik kan de afleiding wel gebruiken want tijdens het wandelen ga je vrees hebben voor de ander: wie is een drager van het virus? Het decor van alles wat vanzelfsprekend leek lijkt verdwenen. Ik laat de drukte om me heen een beetje de route bepalen. Ineens sta ik bij de zandverstuiving. O ja schiet er door me heen, hoe vaak hebben we hier niet in de zomer illegale kampvuurfeesten gehouden?

Als het mooi weer dreigde te worden werd er een datum geprikt en een van de vrienden zorgde ervoor dat er een flink aantal pallets werden ingeslagen. Aan het begin van de avond waren ze nog bedoeld om op te zitten en later natuurlijk om in het vuur te verdwijnen. Iedereen nam drank en hapjes mee. Voor de liefhebbers was er wiet en pillen. Creatieve jongens speelden op hun gitaar en zetten soms een meezinger in. Het was een gezellige boel. Een zomernacht kregen we onverwacht bezoek van twee mannen in het groen. Nu waren onze rooksignalen op de open heide ook wel van ver te zien dus het was geen wonder dat we hun aandacht hadden getrokken. Een fijnprater wist de mannen te paaien. Normaliter zou dit een fikse boete betekenen en moest het feestje meteen geblust worden. We mochten nu echter het vuur – meer een brandstapel – langzaam laten uitbranden en we moesten er bij het verlaten van de zandverstuiving zeker van zijn dat het kampvuur definitief uit was. ‘En wat doen jullie met die pallets?’ was nog de vraag. ‘Die nemen we straks weer mee, meneer.’ Waren wij blij dat ze nog niet op het vuur lagen en dat er alleen takken en strokkelhout in de fik stond. Twee uur later gingen alle pallets natuurlijk boven op het vuur, compleet met de exemplaren die nog in de Transporter lagen, die een eindje verder in het bos stond geparkeerd. Het waren memorabele feesten. De laatste mannen plasten hoogstpersoonlijk de smeulende resten nog even uit. Een luid sissen was hun dank. Beneveld vond iedereen in het donker over de kronkelige en hobbelige paadjes zijn of haar weg weer naar huis.

De Talking Heads zijn in mijn oren inmiddels vrolijk verder gegaan met hun concert:

‘You don’t have to wait for more instructions

No one makes a monkey out of me

We lie on our backs, feet in the air

Rest and relaxation, rocket to my brain’

Ik doe een stapje opzij voor twee joggers die keurig afstand van elkaar houden of heeft de laatste man moeite om het tempo van zijn maat bij te houden? Een half uurtje onderweg en het zweet staat me al op de rug. Dat is de reden waarom ik voor het zwemmen heb gekozen. Op een bankje zit een meisje te schrijven in haar dagboek. Het puntje van haar tong steekt uit haar mond. Ze gaat compleet op in het schrijven. Met haar vrije hand strijkt ze een wilde haarlok achter haar wijduitstaande oor. Ter hoogte van een van de vele grafheuvels grazen witte koeien. Wel een gek idee dat hier al vijfduizend jaar mensen begraven liggen.

Ik voel mijn telefoon trillen. Allerlei apps brengen me op de hoogte dat het songfestival niet doorgaat. Dat verbaasd me niks, maar jammer is het wel. Hopelijk volgend jaar dan maar.

Op de terugweg ga ik een stukje door het bos. Plotseling zie ik waar ik ben. Voor mij de kuil met houten bankjes, een klein theater midden in het bos. Hier wordt begin september altijd het Bosjesfestival gehouden. Het mooiste feestje in het bos. Twee avonden openluchttheater, cabaretiers, muziek en dansen echt een sensatie. De locatie is dan sfeervol ingericht en verlicht. Met op zaterdagmiddag zelfs een kindereditie. Je moet altijd snel zijn wil je kaartjes voor dit jaarlijkse festijn bemachtigen. Normaal ga ik er altijd via het Landgoed Zonnestraal naartoe, maar er is dus blijkbaar een kortere route. Zo leer je ook nog wat.

Medewerkers van het Goois natuurreservaat zijn druk bezig het grindpad te egaliseren en de kuilen op te vullen. Een troostrijke gedachte dat ze ervan uitgaan dat hier over afzienbare tijd weer duizenden natuurliefhebbers een geëffend pad zullen vinden. Als het mij gegeven is om onder restrictie naar buiten te blijven gaan dan zal ik het hier lente zien worden en merken dat de natuur langzamerhand kleur zal gaan krijgen.

Ik heb de Talking Heads vervangen door de Ierse folkzanger Luka Bloom. Heel toepasselijk brengt hij een ode aan de natuur. Ik laat de tekst van June tot me doordringen. Hopelijk kunnen we in juni de midzomernacht vieren zonder restricties. Laat dat hoop en troost zijn.

‘I hear the long grass shuffling in the June breeze

Smell the lavender and the catmint leaves

Everything comes and goes like the tides

Life is celebrations and goodbyes

Ah but June, I love the way you pull me in

June, I love your heat upon my skin

June, I love the way you pull me in

To your midsummer feeling’