Hartinfarct

Op een herfstachtige donderdag word ik vroeg in de ochtend door de huisarts van mijn ouders gebeld. ‘Jan, schrik niet! Ik ben bij je ouders thuis. Je moeder is zojuist met een zwaar hartinfarct naar Groningen gebracht. En je vader is door de emoties onwel geworden en met hartklachten en benauwdheidsverschijnselen in een tweede ambulance naar het ziekenhuis in Assen vervoerd.’ De huisarts adviseert me zo snel mogelijk naar mijn moeder te gaan. Hij maakt zich zorgen of ze het infarct wel zal overleven. Geschrokken bel ik mijn zus.Twee uur later loop ik de Intensive Care van de hartbewaking van het UMC Groningen op. Ik weet de weg, want mijn vader is hier met zijn hartfalen klant aan huis. Ik hoef niet aan de zusters te vragen waar ze ligt, want ik hoor mijn moeder praten en kan het bed op haar stem vinden. Ik ben verbaasd, ze ziet eruit als een zielig wit vogeltje, maar voert het hoogste woord tegen een zuster. Ze wil zelfs wel de warme maaltijd die langs gebracht wordt. Ze is notabene nog geen uur geleden gedotterd. Aan haar voeteneinde ligt de foto van de talrijke verstoppingen in de kransslagader die de arts met moeite kon verwijderen. Mijn zus en zwager zijn ook gearriveerd. Terwijl ma de aardappelen met spinazie naar binnen werkt vragen wij ons af of we niet aan het verkeerde bed staan. Moeten we niet naar Assen om te kijken hoe het met onze vader is? We groeten ma en zeggen dat we even bij pa gaan kijken. Mijn vader is helemaal over zijn toeren. ‘Nooit is mamme ziek en nu dit!’ Ik probeer hem gerust te stellen, maar hij blijft moeilijk ademen en grijpt vaak naar zijn hart. Na overleg tussen de twee ziekenhuizen wordt besloten mijn moeder naar Assen te brengen en ’s avonds liggen ze beiden door een dun wandje gescheiden op de Intensive Care van het Wilhelminaziekenhuis.

Vrijdagmiddag gaat de conditie van mijn moeder plotseling erg snel achteruit. De volgende ochtend vroeg belt de cardioloog met de mededeling dat ze niks meer voor mijn moeder kunnen betekenen. Geen enkel medicijn of behandeling slaat aan en ze vinden het verstandig dat de familie direct naar het ziekenhuis komt om afscheid van haar te nemen. Die zaterdag zitten we de hele dag met zijn allen om haar bed. Mijn vader is van de hartafdeling gehaald en zit in een rolstoel. Hij zegt herhaaldelijk dat hij er niks van begrijpt. Ogen schieten van de monitor met getallen en strepen die weinig goeds voorspellen naar het grauwe ingevallen gezicht van mijn moeder. Ze heeft dorst en ik mag met een wattenstaafje haar lippen nat maken. Als ik het zuurstofmasker verwijder zegt ze met een gebroken stem: ‘Wat doen jullie allemaal hier? Wat zien jullie er slecht uit! Zouden jullie niet naar huis gaan om te slapen?’ ‘Maar ma, we blijven bij je want we vrezen dat je niet lang meer zult leven!’ Met moeite brengt ze uit: ‘Als jullie denken dat ik doodga, dat gevoel heb ik zelf niet hoor!’ Met die wonderlijke opmerking kunnen we het doen. We blijven allemaal slapen in het ziekenhuis en gaan om de beurt aan haar bed zitten waken. En wat er die nacht gebeurd, is niet te begrijpen. Tegen het ochtendgloren gaan de waarden op de monitor langzaam omhoog. Haar hartslag wordt weer regelmatig. Als de cardioloog haar kamer binnenloopt geeft hij uiting aan zijn verwondering. ‘Mevrouw Meints, ik had werkelijk niet gedacht dat ik u zo aan zou treffen. Wat is hier gebeurd?’‘Dokter er was een ontelbare schare van engelen rond mijn bed.’ De cardioloog beaamt het. ‘Dat moet wel, mevrouw.’ De hoofdzuster heeft de opmerking van mijn moeder gehoord. Als ze de medicijnen in haar katheter aanvult kan ze het niet laten en ze snauwt: ‘Ach mevrouw hou toch op met die onzin, alle deuren zitten dicht en de ramen van de IC zijn gesloten. Hoe kunnen er nu engelen bij uw bed zijn geweest!’ Mijn moeder houdt wijselijk haar mond en na drie dagen mag ze de Intensive Care verlaten. Al kunnen de engelen niet voorkomen dat ze anderhalve maand later door een herseninfarct wordt getroffen. Ze mag nog zeven jaar in een rolstoel van het leven genieten.

Geef een reactie