
Koningsdag, heel vroeg in de ochtend, een bijna lege A1 ter hoogte van Amersfoort. Mijn oog valt op een groot reclamebord, rood met witte letters. ‘Moed is soms durven stoppen met doorgaan’. Het moet een vingerwijzing zijn.
Ik ben op weg naar mijn zus die terminaal ziek is, ze heeft maanden van strijd en moeite achter de rug. Ze is op en kan niet meer. Vandaag wordt de palliatieve sedatie ingezet.
Het nare bericht
Zeven maanden geleden krijgt ze de dood aangezegd. Het nare bericht geeft de mogelijkheid om dingen tegen elkaar te zeggen. Er is tijd om fijne herinneringen te delen en nog nieuwe te maken.
De eerste keer na de onheilstijding spreken we over de dood. En wat er eventueel na komt. Mijn zus is ervan overtuigd dat ze op weg is naar haar hemelse Vader en dat dan de pijn achter de rug is. Dat is een troostrijke gedachte. ‘Maar ik vind het wel lastig om jullie achter te laten,’ geeft ze aan. Ook is ze duidelijk in wat ze wel en niet wil. ‘Je hoeft op mijn begrafenis geen lange speech te houden over mijn leven. Een gedichtje is ook mooi en genoeg.’
Degenen die me kennen weten waarom ze mij dat advies geeft, ik ben een verhalenverteller. Ik knoop het in mijn oren.
Anekdotes
Later die middag volgt de ene na de andere anekdote. Ik sla het op. Eentje zal ik met jullie delen. Ze is op het boerenerf aan het fietsen met haar buurmeisje. Door een rare manoeuvre komt ze met haar rode fietsje in de giersloot terecht. Het is wasdag. Mijn moeder kan alleen maar onbedaarlijk lachen als ze haar dochter volledig onder de drek uit de sloot ziet komen. Mijn oma heeft een betere reactie. ‘Ach meissie, kom maar gauw hier dan zal ik je schoonwassen.’
Nog eentje: we hebben thuis kippen. Elke week zaterdag slacht mijn moeder een kip. Ik heb dat vaak gezien. Als mijn zus met vriendinnen aan het spelen is, kom ik op een idee – wellicht om aandacht te trekken. Ik weet waar het mes ligt waarmee de kippen worden onthoofd. Ik pak het uit de keukenla, loop het hok binnen en probeer met veel moeite een van de kippen te vangen. Als dat me uiteindelijk gelukt, loop ik met kip en mes naar de meiden en jaag ze de stuipen op het lijf met mijn aankondiging dat ik deze kip voor ze ga slachten.
Gelukspoppetje
Op het familieweekend dat meteen geregeld is, krijgen we allemaal een gelukspoppetje dat door haar beste vriendin is gemaakt. Ik doe het poppetje aan de rits van mijn jas. Die heb ik deze afgelopen gure en intense wintermaanden gedragen. Zo is mijn lieve zus de hele tijd bij me. Als ik sta te klungelen om de rits dicht te krijgen, vragen mensen ernaar en dat geeft mij gelegenheid over haar en die vreselijke ziekte te vertellen.
De tijd die we nog samen hebben is kostbaar. Maar het is moeilijk om te zien wat de ziekte met haar doet, dat ondanks de medicatie de pijn er steeds doorheen breekt. Ik vind het dapper hoe ze ermee omgaat. Het is vreselijk moeilijk om los te moeten laten wat haar zo dierbaar is. ‘Ik ga naar een mooie plek,’ zegt ze, ‘maar jullie blijven hier achter.’ We proberen haar te troosten door te zeggen dat we elkaar zullen vasthouden.
Toespraak
Op de dag van haar begrafenis schijnt de zon volop. Het drapeert een warme gloed over een droevige gebeurtenis. In de Witte Kerk naast haar kist zeg ik tegen haar: ‘Je bent volop mijn zus en daar ben ik trots op. Je bent volop de dochter van mijn ouders en ze hebben daar volop van genoten. Je bent volop juf, dat is echt je roeping. Je bent volop een lieve echtgenote. Je mag volop moeder zijn en bovenal volop een trotse oma. Dat is voor mij mooi om te zien en mee te mogen maken. Je bent ook volop vriendin, buurvrouw en kerklid.
Dat doe je allemaal met je kenmerkende lach. Met volle inzet en enthousiasme. Daarom is het ook zo moeilijk om te zien dat door die lach tranen heen breken. Tranen van pijn, tranen van verdriet, tranen van de moeite die het je kost om los te laten, degenen waar je innig van houdt. Je bent nog zo jong en je hebt zo moedig gestreden. Lieve zus, shalom. Ik mis je volop.’
