Twee foto’s trekken mijn aandacht als ik ’s ochtends de krant lees. En de kop: ‘Wat doen al die kleine bosjes in het boerenlandschap?’ Ik ben meteen terug op de boerderij, want dit herken ik. Tussen de Grietmans- en Meesterswijk zijn er in mijn jeugd ook minimaal twee van die kleine bosjes. Ik vroeg me altijd af waarom de eigenaar dit kleine stukje land niet had ontgonnen? Het betekende toch inkomsten, nu stond zo’n bosje er maar? Ik denk dat ik mijn vader daar weleens naar gevraagd heb, maar zijn antwoord herinner ik me niet. Wel weet ik dat de bosjes verboden terrein waren.
Boomhut maken
De kleine bosjes zijn moeilijk bereiken, ze liggen niet in de buurt van de boerderij. Je moet over de landerijen lopen, er is geen pad. En natuurlijk iets wat verboden is, heeft altijd een bepaalde aantrekkingskracht. Dus met de buurjongens toch maar eens op verkenning. Er zit een droge greppel om het vierkante bosje dus we kunnen gemakkelijk het gebied betreden. Er is niets bijzonders aan het terrein te zien, maar het feit dat we er niet mogen komen maakt het toch spannend. Ik weet dat we daar een middag hebben gespeeld en bezig zijn geweest om er een boomhut te bouwen. We klimmen in de bomen en zijn druk bezig om losse takken te verzamelen. De boomhut is er nooit gekomen. Misschien zijn we ‘betrapt’ en weggejaagd, maar in ieder geval is het een eenmalige actie.
Functie van zo’n bosje
Nieuwsgierig lees ik het krantenartikel. Het is de laatste in een serie ‘Tussen horst & griend’ waarin Caspar Janssen de Nederlandse natuur en landschappen verkent via vergeten woorden. Hij laat ons zo de kronkelwaarden, vloeiweides, vlechtheggen en grienden ontdekken, en maakt duidelijk hoe ze opnieuw van waarde kunnen zijn. Vandaag gaat het dus over bosjes van een paar honderd vierkante meter, plompverloren tussen akkers en weilanden. Ooit hadden ze een functie, bijvoorbeeld als houtvoorziening voor de boer: het geriefbosje. Een beetje een vieze term of is dat mijn dirty mind? Alsof het een voorloper is van huidige cruising area’s, waarin mensen in de natuur aan hun gerief kunnen komen. Gerief is een oud-Hollands woord, dat gemak, comfort of gebruiksvoorwerp betekent, maar dus ook genot.
In het artikel is ook sprake van pestbosjes of miltvuurbosjes. En dan komen we ergens, want dat zou weleens de functie van deze plukjes bomen met een sloot eromheen bij ons in de buurt kunnen zijn geweest.
Begraafplaats kadavers
Op deze plekken werden vroeger kadavers van vee begraven, tot in de eerste helft van de vorige eeuw. Koeien vooral, slachtoffer van veepest, longziekten, miltvuur of andere ziekten. Pas in 1924 werd het begraven van vee verboden, kadavers werden sindsdien opgehaald en vernietigd door een bedrijf. Ik weet dat mijn vader de dode dieren naar een zwarte bak aan de Drentse Hoofdvaart bracht. Werden de dode dieren van mijn voorvaderen in die bosjes begraven?
Gevaarlijk!
Het spelen in zo’n pest- of miltvuurbosje draagt een gevaar in zich. Omdat sporen van de miltvuurbacterie honderden jaren actief kunnen blijven in de bodem, moeten gezonde dieren – en mensen – maar beter uit de bosjes wegblijven. Want nog altijd zou verstoring van de bodem sporen van miltvuur aan de oppervlakte kunnen brengen, die weer kunnen ontkiemen. Vandaar de omliggende sloot.
Het artikel noemt een voorbeeld: een bosje in Friesland werd opgeruimd en de boer die wat overgebleven grond mocht hebben, kreeg prompt te maken met een zieke koe: miltvuur. Het gezin moest in quarantaine.
Gelukkig maar dat het loze bosje niet mijn vaste speelplek is geworden, want het had de veestapel van mijn vader en omliggende boeren in gevaar kunnen brengen. En onze eigen gezondheid. Toch jammer dat ik niet meer de mogelijke functie van dat bosje aan mijn vader kan voorleggen. En de wijk is ook te ver weg om even te gaan kijken of die bosjes er daadwerkelijk nog zijn.
